Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 november 2024 in de zaak tussen
[eiser] , uit Karaman (Turkije), eiser
de minister van Financiën, verweerder
Inleiding
Totstandkoming van het bestreden besluit
15 september 2022 aangemeld om in aanmerking te komen voor overname van zijn private geldschulden door de SBN. Eiser heeft daarbij onder meer opgegeven dat hij op zijn schuld bij [naam schuldeisers] een opeisbare betalingsachterstand heeft van € 94.954,36.
Beoordeling door de rechtbank
2 november 2022 is het Besluit verankerd in afdeling 4.1 van de Wet hersteloperatie toeslagen. Deze afdeling heeft terugwerkende kracht tot en met 29 oktober 2021. Besluiten vanaf dan over het al dan niet overnemen van private schulden in het kader van de hersteloperatie toeslagen, worden aangemerkt als beschikkingen die zijn gegeven krachtens het artikel van afdeling 4.1 waarin de desbetreffende herstelregeling is opgenomen. Dit betekent dat de rechtbank in deze zaak toetst aan de bepalingen van de Wht. De vereisten die de Wht stelt voor het overnemen en het betalen van private schulden zijn dezelfde vereisten die het Besluit stelde.
1 juni 2021 opeisbaar is geworden. Evenmin is in geschil dat eiser deze schuld op het tijdstip van de aanvraag nog niet had voldaan. [1] Verweerder heeft eisers verzoek tot overname van deze private schuld afgewezen, omdat deze schuld de resterende hoofdsom betreft van een hypothecaire lening en geen sprake is van een restschuld na verkoop of verhaal op de verhypothekeerde zaak. [2] Alleen in een dergelijk geval komt een hypothecaire schuld voor overname in aanmerking.
In dit geval kan de lening niet anders worden gekwalificeerd dan als een hypothecaire schuld; er is immers sprake van een lening en een vestiging van een pand- en hypotheekrecht op de woningen van eiser. Uit de Memorie van Toelichting van de Wht volgt volgens verweerder dat de wetgever uitvoerig heeft stilgestaan bij het recht van een hypotheek. Dat de lening niet is aangegaan ten behoeve van de koop van een registergoed maakt dat volgens verweerder niet anders, aangezien het doel waarmee de lening is aangegaan er niet toe doet. [4]
nietis aangegaan voor de aanschaf van een onroerend goed, in de wetsgeschiedenis niet expliciet is besproken en is meegenomen in de overwegingen van de wetgever. De rechtbank gaat er vanuit dat de wetgever bij het uitsluiten van de hypothecaire lening uitsluitend het oog had op de hypothecaire lening ten behoeve van de aanschaf van een woning en niet het vestigen van een hypotheekrecht op een al bestaande lening die was aangegaan voor een andere bestemming. In deze casus is aldus sprake van bijzondere omstandigheden, die niet of niet ten volle zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever. Er is ruimte voor een evenredigheidstoets.
Eiser verzoekt om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn, gerekend vanaf de termijn van ontvangst van het bezwaarschrift op
2 februari 2023 tot aan deze uitspraak.
Conclusie en gevolgen
Beslissing
N. Galjee-Melehi, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op
25 november 2024.