ECLI:NL:RVS:2024:925
Raad van State
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Vaststelling ongegrond bezwaar tijdelijke marktplaatsvergunning Waterlooplein met toekenning schadevergoeding wegens termijnoverschrijding
Appellant, marktkoopman op het Waterlooplein, kreeg in 2017 een tijdelijke vergunning voor een vaste marktplaats en verkoopinrichting, geldig tot de voltooiing van de herinrichting van het plein. Na herinrichting vervielen deze vergunningen door een afschaffingsbesluit in 2020. Appellant maakte bezwaar tegen besluiten van het college, dat zijn bezwaar in 2021 niet-ontvankelijk verklaarde wegens gebrek aan procesbelang.
De Afdeling oordeelde dat appellant wel procesbelang had, vernietigde het besluit van 27 mei 2021 en voorzag zelf in de zaak door het bezwaar tegen het besluit van 15 juni 2017 ongegrond te verklaren. Het college had terecht gesteld dat de vergunningen vervallen waren door het afschaffingsbesluit. Appellant had geen onderbouwde schade aangetoond die recht gaf op vergoeding.
De Afdeling constateerde een overschrijding van de redelijke termijn van ruim 31 maanden, waarvan een deel aan het college en een deel aan de Afdeling toe te rekenen is. Daarom werd een immateriële schadevergoeding van €3.000 toegekend, verdeeld over het college en de Staat. Tevens werd het college veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht. De procedure is hiermee beëindigd.
Uitkomst: Het bezwaar tegen de tijdelijke marktplaatsvergunning wordt ongegrond verklaard, het besluit van 27 mei 2021 wordt vernietigd en er wordt een schadevergoeding toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn.