De veroordeelde heeft een ontnemingsmaatregel opgelegd gekregen tot betaling van €125.000,- aan de Staat, naast een eerder verbeurd verklaard bedrag van €155.834,40. De veroordeelde verzoekt om kwijtschelding of vermindering van de betalingsverplichting omdat het verbeurdverklaarde bedrag niet in mindering is gebracht op de ontnemingsmaatregel.
De rechtbank behandelt het verzoek op 22 oktober 2024, waarbij de veroordeelde niet verschijnt maar wel wordt vertegenwoordigd door zijn advocaat. Het openbaar ministerie verzet zich tegen het verzoek omdat niet vaststaat dat het verbeurdverklaarde bedrag onderdeel was van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
De rechtbank volgt de jurisprudentie van de Hoge Raad, die stelt dat verbeurdverklaarde bedragen in mindering moeten worden gebracht op ontnemingsmaatregelen om dubbele ontneming te voorkomen. Gelet hierop en het ontbreken van bewijs dat het gerechtshof dit in mindering heeft gebracht, wordt het verzoek toegewezen en het openstaande bedrag op nihil gesteld.