De zaak betreft een huurgeschil tussen een huurder en verhuurder over de terugbetaling van een waarborgsom en een reconventionele vordering tot betaling van een boete wegens overtreding van een verbod op ontvangst van gasten.
De huurder had een kamer gehuurd van augustus tot november 2023 en betaalde een waarborgsom van EUR 1.500,-. De verhuurder weigerde deze terug te betalen wegens vermeende schade aan het gehuurde. De kantonrechter oordeelde dat de verhuurder onvoldoende had bewezen dat de huurder schade had veroorzaakt en dat de huurder de kamer rechtsgeldig had opgezegd. Daarom moest de waarborgsom worden terugbetaald met wettelijke rente.
In reconventie vorderde de verhuurder betaling van een boete van EUR 3.000,- wegens overtreding van een verbod op ontvangst van gasten en een bedrag aan onbetaalde huur. De huurder had de huur betaald en betwistte aansprakelijkheid voor de boete. De kantonrechter stelde vast dat het boetebeding vanwege de hoogte van de boete en het verbod op ontvangst van gasten een oneerlijk beding is en daarom nietig. De vordering tot boete werd afgewezen.
De verhuurder werd veroordeeld in de proceskosten. De uitspraak bevestigt de bescherming van huurders tegen onredelijke bedingen in huurovereenkomsten en benadrukt het wettelijke vermoeden omtrent de staat van het gehuurde bij aanvang en einde van de huur.