Uitspraak
1.[eiser 1] ,
[eiser 2],
Rechtbank Amsterdam
Huurders en verhuurder zijn in geschil over de redelijkheid van de kale huurprijs van €1.500 per maand voor een appartement in een beschermd stadsgezicht. De huurders vorderen een lagere huurprijs van €712,79 per maand, terwijl verhuurder betwist dat sprake is van een all-in prijs. De Huurcommissie stelde eerder een maximale redelijke huurprijs vast, maar verklaarde zich onbevoegd vanwege de huurliberalisatiegrens.
De kantonrechter stelt vast dat partijen een kale huurprijs zijn overeengekomen en wijst de vordering van verhuurder af om te verklaren dat geen all-in prijs is overeengekomen. Renovatiepunten worden niet toegekend omdat de WOZ-waarde de renovatie weerspiegelt. Wel wordt een toeslag van 15% toegekend vanwege de status van beschermd stads- of dorpsgezicht, waarbij extra kosten voor het behoud van monumentale elementen aannemelijk zijn gemaakt.
De maximale redelijke huurprijs komt daarmee uit op €819,71, boven de huurliberalisatiegrens, waardoor de overeengekomen huurprijs redelijk wordt bevonden. De vorderingen van huurders worden afgewezen en zij worden hoofdelijk veroordeeld in de proceskosten van €476, vermeerderd met wettelijke rente en kosten van betekening bij niet-tijdige betaling.
Uitkomst: De kale huurprijs van €1.500 per maand is redelijk en de vorderingen van huurders worden afgewezen met veroordeling in proceskosten.