Uitspraak
1.[eiser 1] ,
2.
[eiser 2],
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Rechtbank Amsterdam
De zaak betreft een vordering van eisers dat [eiser 2] wordt erkend als medehuurder van een huurwoning die door Ymere wordt verhuurd aan [eiser 1]. Eisers stelden dat sprake is van een duurzame gemeenschappelijke huishouding tussen [eiser 1], [eiser 3], [eiser 2] en diens echtgenote. Ymere betwistte dit.
De kantonrechter onderzocht de feiten, waaronder verklaringen van getuigen en overgelegde stukken, en beoordeelde of aan de wettelijke criteria van artikel 7:267 BW Pro was voldaan. Uit de beoordeling bleek dat moeder ([eiser 3]) pas kort geleden wegens ziekte in Nederland woont en oorspronkelijk in Marokko verbleef, waardoor geen duurzame gemeenschappelijke huishouding met de huurder bestaat. Ook [eiser 1] verblijft hoofdzakelijk in Marokko en niet in de huurwoning.
De kantonrechter concludeerde dat niet aannemelijk is gemaakt dat [eiser 2] gedurende ten minste twee jaar een duurzame gemeenschappelijke huishouding met de huurder heeft gevoerd. De vordering werd daarom afgewezen en eisers werden veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De vordering tot erkenning van medehuur wordt afgewezen wegens het ontbreken van een duurzame gemeenschappelijke huishouding.