Op 29 september 2024 ontstond een conflict tussen verdachte en het slachtoffer, waarbij verdachte het slachtoffer naar de grond werkte en diens keel dichtdrukte terwijl het slachtoffer onder hem lag. De politie greep in en beëindigde het geweld. Verdachte werd primair beschuldigd van poging tot doodslag en subsidiair van poging tot zware mishandeling.
De rechtbank sprak verdachte vrij van poging tot doodslag wegens onvoldoende bewijs van (voorwaardelijk) opzet op overlijden, mede omdat de duur en kracht van het geweld niet vast te stellen waren. Wel werd bewezen verklaard dat verdachte de keel van het slachtoffer dichtdrukte en daarmee bewust de aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel aanvaardde.
Het beroep op noodweer en noodweerexces werd verworpen omdat de reactie van verdachte niet proportioneel was en de overschrijding van de noodzakelijke verdediging niet het gevolg was van een hevige gemoedsbeweging. Verdachte werd veroordeeld tot 46 dagen gevangenisstraf, met aftrek van het voorarrest. Daarnaast werd aan het slachtoffer een immateriële schadevergoeding van €200 toegekend, gematigd vanwege eigen schuld.