De zaak betreft een geschil tussen Vesteda en huurders [gedaagde 1] en [gedaagde 2] over huurachterstand en ontbinding van de huurovereenkomst. De huurders wonen sinds 2017 in de woning, oorspronkelijk gehuurd door de moeder van [gedaagde 1], die in 2022 overleed. Na haar overlijden bleven zij in de woning wonen, maar tekenden niet de nieuwe huurovereenkomst vanwege een huurverhoging.
Vesteda vordert betaling van een huurachterstand van €7.133,90, ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de woning. De huurders erkennen de huurachterstand, maar voeren aan dat ernstige ziekte van [gedaagde 2] en een bedrijfsongeval van [gedaagde 1] hun betalingscapaciteit hebben beperkt. Sinds oktober 2024 is [gedaagde 1] weer aan het werk en wordt de achterstand afgelost.
De rechtbank stelt vast dat de huurovereenkomst van toepassing is en dat de huurders toerekenbaar tekortgeschoten zijn. De gevorderde betaling van de huurachterstand en incassokosten wordt toegewezen. Echter, de ontbinding en ontruiming worden afgewezen omdat de tekortkoming niet van zodanige aard is dat ontbinding gerechtvaardigd is, mede gelet op de persoonlijke omstandigheden en de vermindering van de huurachterstand sinds dagvaarding.
De huurders worden veroordeeld tot betaling van de achterstand, incassokosten en proceskosten, met een hoofdelijk veroordeling. De uitspraak benadrukt het belang van tijdige betaling van toekomstige huur om ontbinding in de toekomst te voorkomen.