De rechtbank Amsterdam heeft op 18 december 2024 uitspraak gedaan in een ontnemingszaak tegen verdachte, die eerder veroordeeld is voor medeplegen van oplichting. De officier van justitie vorderde een ontnemingsmaatregel ter hoogte van €77.500,-, het bedrag dat de rechtbank schatte als het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Tijdens de zitting op 4 december 2024 heeft de rechtbank de vordering van de officier van justitie en de verweren van verdachte en zijn raadsman besproken. De verdediging stelde dat de vordering van de benadeelde partij in de strafzaak in mindering gebracht moest worden op het ontnemingsbedrag, maar de rechtbank oordeelde dat dit niet kan zolang het bedrag niet is voldaan.
De rechtbank baseerde haar schatting op de feiten en omstandigheden uit de strafzaak en een rapport van 19 januari 2020 over het wederrechtelijk verkregen voordeel. Ondanks een aanzienlijke schending van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM, vond de rechtbank dat verdachte reeds voldoende was gecompenseerd door matiging van de straf in de strafzaak en beperkte zij zich tot een enkele vaststelling van de inbreuk.
De rechtbank legde de betalingsverplichting van €77.500,- op aan verdachte en bepaalde de maximale duur van gijzeling op 1.080 dagen. De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer van de rechtbank Amsterdam, bestaande uit drie rechters.