Op 17 juni 2024 werd bij verdachte een getransformeerd pistool van het merk Bruno Bruni Milano en vier patronen munitie aangetroffen in een tasje in de auto waarin hij zat. De rechtbank oordeelde dat verdachte wetenschap had van het vuurwapen en de feitelijke beschikkingsmacht erover bezat, ondanks de verdediging die stelde dat het DNA mogelijk door secundaire overdracht was gekomen.
De rechtbank sprak verdachte partieel vrij van medeplegen, omdat niet was vastgesteld dat medeverdachte de feitelijke macht over het wapen had. Verdachte werd veroordeeld tot tien maanden gevangenisstraf, met aftrek van voorarrest, waarbij rekening werd gehouden met zijn eerdere veroordeling voor vuurwapenbezit en de ernst van het feit.
De rechtbank wees de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerdere voorwaardelijke taakstraf af, omdat de bijzondere voorwaarden van die straf nog van kracht moeten blijven. Tevens werden het pistool en de munitie onttrokken aan het verkeer.
De strafoplegging vond plaats met inachtneming van de ernst van het feit, de persoonlijke omstandigheden van verdachte en de geldende oriëntatiepunten voor straftoemeting. De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer van de rechtbank Amsterdam op 3 oktober 2024.