Op 2 april 2024 vond in een gemeenschappelijke ruimte van het Leger des Heils te Amsterdam een ernstig incident plaats waarbij het slachtoffer meerdere malen agressief handelde en uiteindelijk door verdachte met een mes in de borst werd gestoken. Het slachtoffer overleed later die avond aan zijn verwondingen.
De rechtbank achtte bewezen dat verdachte met voorwaardelijk opzet op doodslag handelde, aangezien hij zich bewust was van de aanmerkelijke kans dat het steken in de borststreek dodelijk zou zijn. De officier van justitie vorderde een veroordeling, terwijl de verdediging vrijspraak bepleitte op grond van noodweer, noodweerexces en putatief noodweer.
De rechtbank verwierp het beroep op noodweer vanwege disproportionaliteit van het gebruikte middel (mes steken in bovenlichaam versus slaande beweging en verbale bedreigingen). Wel oordeelde zij dat verdachte uit een hevige gemoedsbeweging handelde veroorzaakt door de aanranding, waardoor het beroep op noodweerexces slaagde. Verdachte werd daarom ontslagen van alle rechtsvervolging.
De vordering van de benadeelde partij tot affectieschade werd niet-ontvankelijk verklaard omdat geen straf of maatregel werd opgelegd. Het mes werd onttrokken aan het verkeer en de kleding bewaard voor de rechthebbende.