ECLI:NL:RBAMS:2025:10044

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
12 december 2025
Publicatiedatum
16 december 2025
Zaaknummer
13.225422.25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor witwassen en opzetheling met ISD-maatregel opgelegd

Op 12 december 2025 heeft de Rechtbank Amsterdam uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen en opzetheling. De verdachte, geboren in 1989 en zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, was gedetineerd en werd beschuldigd van het voorhanden hebben van een elektrische fiets en een bakfiets, waarvan hij wist dat deze van misdrijf afkomstig waren. Tijdens de zitting op 28 november 2025 zijn de zaken A en B gevoegd behandeld. De officier van justitie vorderde vrijspraak voor het primair ten laste gelegde feit in zaak A, maar stelde dat er voldoende bewijs was voor het subsidiair ten laste gelegde witwassen. De rechtbank oordeelde dat het primair ten laste gelegde niet wettig en overtuigend kon worden bewezen, maar dat het subsidiair ten laste gelegde wel bewezen kon worden. In zaak B werd opzetheling bewezen verklaard. De rechtbank legde een ISD-maatregel op voor de duur van twee jaar, gezien de ernst van de feiten en de recidive van de verdachte. De rechtbank baseerde haar beslissing op de artikelen 38m, 38n, 57, 416 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummers: 13.225422.25 (A) en 13.223854.25 (B) (ter terechtzitting gevoegd)
Datum uitspraak: 12 december 2025
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] ([geboorteland]) op [geboortedag] 1989,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
thans gedetineerd te: [detentieplaats] ,
hierna: verdachte.

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 28 november 2025.
De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd. Deze zaken worden hierna als respectievelijk zaak A en zaak B aangeduid.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. B. Grünfeld, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. W. Drummen, naar voren hebben gebracht.

2.Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan
Zaak A
primair
een poging tot diefstal met braak en/of verbreking van een elektrische fiets op 20 augustus 2025 te Amsterdam,
subsidiair
het witwassen van die fiets op 20 augustus 2025 te Amsterdam,
Zaak B
opzet- dan wel schuldheling van een bakfiets en een navigatiesysteem op 16 augustus 2025 te Amsterdam.
De volledige tenlastelegging is opgenomen in een bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.
Voor zover in de tenlasteleggingen taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

3.Voorvragen

De dagvaardingen zijn geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4.Waardering van het bewijs

4.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat verdachte vrijgesproken dient te worden van hetgeen in zaak A primair is tenlastegelegd, aangezien niet duidelijk is op welk moment de fiets opengebroken is. Er is wel voldoende wettig en overtuigend bewijs om te komen tot het subsidiair ten laste gelegde witwassen. Verdachte heeft de fiets voorhanden gehad en uit de uiterlijke kenmerken van de fiets, waaronder de verbroken sloten, blijkt dat de fiets gestolen was. In zaak B is voldoende wettig en overtuigend bewijs voor opzetheling.
4.2.
Het standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
4.3.
Het oordeel van de rechtbank
Zaak A
Vrijspraak van het primair ten laste gelegde
Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair ten laste gelegde feit. De rechtbank zal verdachte dan ook hiervan vrijspreken.
Het subsidiair ten laste gelegde
De rechtbank is van oordeel dat het ten laste gelegde kan worden bewezen, gelet op de in
bijlage IIgenoemde bewijsmiddelen, waaronder de door verdachte ter terechtzitting afgelegde verklaring dat hij de fiets in zijn bezit had welke door een andere persoon was gestolen.
Omdat verdachte het bewezenverklaarde feit heeft bekend en de raadsvrouw hiervoor geen vrijspraak heeft bepleit, kan op grond van artikel 359 derde lid van het Wetboek van Strafvordering worden volstaan met de genoemde opgave van de bewijsmiddelen.
Zaak B
De rechtbank gaat uit van de navolgende feiten en omstandigheden, die blijken uit de in
bijlage IIgenoemde bewijsmiddelen.
Aangever heeft verklaard dat zijn bakfiets is weggenomen uit een fietsenstalling. Met behulp van een tracker traceerde aangever de fiets naar het [park], waar hij een man op de fiets aantrof die daarop een rondje fietste. Bij aankomst van de politie wees aangever naar de man die hij op de fiets zag fietsen, het betrof verdachte. Het slot van de fiets was doorgeslepen. Bij verdachte werd tevens een navigatiesysteem (Flitsmeister Dash) aangetroffen.
Op grond van de voornoemde bewijsmiddelen stelt de rechtbank allereerst vast dat de onder de verdachte in beslag genomen fiets en Flitsmeister Dash van misdrijf, te weten van diefstal, afkomstig waren. De rechtbank stelt voorts vast dat niet is gebleken van een aanwijzing dat verdachte zelf op enigerlei wijze betrokken is geweest bij de diefstal van deze goederen.
De verdachte heeft verklaard de fiets te hebben willen kopen van een vriend en verder geen kennis te hebben gehad van de herkomst van de fiets. Het Flitsmeister Dash-apparaat had hij in zijn zak om de fiets te reserveren, aangezien anderen ook geïnteresseerd waren. De rechtbank acht de verklaring van verdachte hoogst onaannemelijk, gezien het doorgeslepen slot van de fiets en de wijze waarop de fiets volgens verdachte aan hem werd aangeboden. Wegens het ontbreken van een aannemelijke hem ontlastende verklaring voor het voorhanden hebben van de goederen, kan het naar het oordeel van de rechtbank niet anders zijn dan dat de verdachte ten tijde van het voorhanden krijgen van de fiets en het navigatiesysteem wist dat deze van misdrijf afkomstig waren. De rechtbank betrekt bij dat oordeel de omstandigheid dat aanwijzingen ontbreken dat wetenschap bij de verdachte van de criminele herkomst van de goederen eerst is ontstaan na het verwerven of voorhanden krijgen daarvan. De rechtbank concludeert dan ook tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde opzetheling.

5.Bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte
Zaak A
hij op 20 augustus 2025, te Amsterdam, een elektrische fiets voorhanden heeft gehad, terwijl hij, verdachte, wist dat dat voorwerp onmiddellijk afkomstig was uit enig misdrijf
Zaak B
hij op 16 augustus 2025 te Amsterdam, een bakfiets en een navigatiesysteem, Flitsmeister Dash, voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van dit goed wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.

6.De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7.De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8.Motivering van de straf

8.1.
De eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (ISD-maatregel) zal worden opgelegd voor de duur van twee jaar.
8.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft aangegeven dat verdachte graag terug wil naar [geboorteland] en instemt met de ISD-maatregel om dit te bewerkstelligen.
8.3.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen maatregel gelet op de aard en de ernst van wat bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het witwassen van een elektrische fiets en een opzetheling van een bakfiets en navigatiesysteem. Dit zijn overlastgevende feiten die vaak gepaard gaan met (financiële) schade voor het slachtoffer, maar ook voor de maatschappij.
De rechtbank heeft kennisgenomen van het rapport van de Verslavingsreclassering GGZ Inforsa van 3 november 2025, opgemaakt door [reclasseringsmedewerker] . Dit rapport houdt – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende in.
Verdachte is afkomstig uit [geboorteland] en zijn Nederlands verblijfsrecht is in september 2025 ingetrokken. Het ontbreekt verdachte aan een vaste woon- of verblijfplaats en een inkomen. Daarnaast is er sprake van ernstige verslavingsproblematiek en bevindt verdachte zich in Nederland in een negatief sociaal netwerk. Verdachte wil terugkeren naar [geboorteland] maar dit is hem in een vrijwillig kader tot op heden nog niet gelukt. Reclasseringstoezicht is eerder niet van de grond gekomen en de reclassering acht interventies wel nodig in het kader van gedragsverandering en recidivevermindering. De reclassering ziet geen andere mogelijkheden dan begeleiding door middel van een ISD-maatregel.
Verder heeft de rechtbank ter terechtzitting van 28 november 2025 voornoemd reclasseringswerker [reclasseringsmedewerker] als deskundige gehoord. Zij heeft de inhoud van het rapport bevestigd en als volgt aangevuld. Verdachte heeft in het verleden medewerking geweigerd maar lijkt in de afgelopen periode gemotiveerd te zijn mee te werken. Zodra verdachte vrij komt belandt hij weer in een onstabiele omgeving en is er een risico op een terugval in middelengebruik. Gedurende het verloop van de maatregel kunnen concrete stappen gezet worden in aanloop naar de terugkeer van verdachte naar [geboorteland].
De rechtbank stelt vast dat ten aanzien van de bewezen geachte feiten aan alle voorwaarden is voldaan die artikel 38m van het Wetboek van Strafrecht aan het opleggen van de ISD-maatregel stelt. Hiervoor is bewezen verklaard dat verdachte misdrijven heeft begaan waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Uit het uittreksel Justitiële Documentatie van 24 oktober 2025 blijkt dat verdachte gedurende de vijf jaren voorafgaand aan 16 augustus 2025 ten minste driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk is veroordeeld tot een vrijheidsbenemende straf, terwijl de in dit vonnis bewezen verklaarde feiten zijn begaan na tenuitvoerlegging van deze straffen en er, zoals blijkt uit de hiervoor genoemde rapportage, ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan. Blijkens het strafblad is ook voldaan aan de eisen die de “Richtlijn voor Strafvordering bij meerderjarige veelplegers” van het Openbaar Ministerie stelt: verdachte is een zeer actieve veelpleger, die over een periode van vijf jaren processen-verbaal tegen zich zag opgemaakt worden voor meer dan tien misdrijven, waarvan ten minste één in de laatste twaalf maanden, terug te rekenen vanaf de pleegdatum van het laatst gepleegde feit. Verder eist de veiligheid van personen of goederen het opleggen van deze maatregel, gezien de ernst en het aantal door verdachte begane soortgelijke feiten. De rechtbank ziet geen reden om deze maatregel niet op te leggen. Zij zal daarom de vordering van de officier van justitie volgen.
Om de beëindiging van de recidive van verdachte, het leveren van een bijdrage aan de oplossing van zijn problematiek alle kansen te geven, te ondersteunen bij de terugkeer van verdachte naar zijn thuisland, en voorts ter optimale bescherming van de maatschappij, is het van groot belang dat voldoende tijd wordt genomen om de ISD-maatregel ten uitvoer te leggen. Daarom zal de rechtbank de maatregel voor de maximale termijn van twee jaren opleggen en de tijd die door verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht niet in mindering brengen op de duur van de maatregel.

9.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen maatregel is gegrond op de artikelen 38m, 38n, 57, 416, 420bis van het Wetboek van Strafrecht.

10.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart het onder zaak A primair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart bewezen dat verdachte het onder zaak A subsidiair en zaak B ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
Zaak A, subsidiair
witwassen
Zaak B
opzetheling
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte,
[verdachte], daarvoor strafbaar.
Legt op de
maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige dadersvoor de duur van
twee jaar.
Dit vonnis is gewezen door
mr. L.F. Bögemann, voorzitter,
mrs. A.L. op ’t Hoog en C.C.J. Maas-van Es, rechters,
in tegenwoordigheid van L.E. Poel, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 12 december 2025.
[...]

2.[...]