4.3.Het oordeel van de rechtbank
Ten aanzien van zaak A, feit 1:
Aangever ziet aan het einde van de avond dat zijn jas niet meer op de plek hangt waar hij die heeft gelaten. Vervolgens traceert hij de jas, via de Airpods die zich in de jaszak bevinden, naar het [park] . Daar is verdachte aangetroffen, terwijl hij de jas droeg. Verdachte bekent de jas in zijn bezit te hebben gehad.
Op grond van voornoemde omstandigheden stelt de rechtbank allereerst vast dat de onder de verdachte in beslag genomen goederen van misdrijf, te weten van diefstal of verduistering, afkomstig waren. De rechtbank stelt voorts vast dat niet is gebleken van een aanwijzing dat verdachte zelf op enigerlei wijze betrokken is geweest bij de diefstal van deze goederen. De verdachte wordt dan ook vrijgesproken van de primair ten laste gelegde diefstal van de goederen.
De rechtbank is van oordeel dat, op grond van de in
bijlage IIvan dit vonnis genoemde bewijsmiddelen, kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan opzetheling. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.
Verdachte heeft bekend dat hij de jas in zijn bezit had. Verdachte heeft verklaard de jas tien minuten geleden te hebben gekocht voor een tientje van ene [persoon] . [persoon] fietste langs en bood verdachte de jas aan, hij kent [persoon] verder niet. Door een jas te kopen voor een minimaal bedrag van iemand die je niet kent en de jas zonder duidelijke aanleiding aanbiedt, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een aanmerkelijke kans dat de jas afkomstig is van een misdrijf. Verdachte heeft door op dit aanbod in te gaan, bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij een jas kocht die van een misdrijf afkomstig was. Er is naar het oordeel van de rechtbank sprake van voorwaardelijk opzet en daarmee van opzetheling.
Ten aanzien van de in zaak A, feit 2 ten laste gelegde diefstal met valse sleutel:
Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 2 ten laste gelegde feit. De rechtbank zal verdachte dan ook hiervan vrijspreken.
Ten aanzien van zaak A, onder 3 en 4 en zaak B:
Omdat verdachte de ten laste gelegde feiten in zaak A onder 3 en 4 en het feit in zaak B heeft bekend en de raadsman geen vrijspraak heeft bepleit, volstaat de rechtbank met toepassing van het bepaalde in artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) met een opsomming van de bewijsmiddelen. De rechtbank baseert zich bij de bewezenverklaring op de redengevende feiten en omstandigheden vervat in de inhoud van:
Ten aanzien van zaak A onder 3:
1.
De bekennende verklaring van verdachte, zoals afgelegd op de zitting van 28 november 2025;
2.
Een proces-verbaal van aangifte met nummer 2025205820-2 van 17 augustus 2025, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1] , doorgenummerde pagina’s 13 en 14.
Ten aanzien van zaak A onder 4:
1.
De bekennende verklaring van verdachte, zoals afgelegd op de zitting van 28 november 2025;
2.
Een proces-verbaal met van aangifte nummer 2025204882-2 van 16 augustus 2025, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 2] , doorgenummerde pagina’s 6 tot en met 8.
1.
De bekennende verklaring van verdachte, zoals afgelegd bij de rechter-commissaris op 17 januari 2025;
2.
Een proces-verbaal met nummer 2025011312-10 van 16 januari 2025, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 3] , doorgenummerde pagina’s 7 tot en met 8.