ECLI:NL:RBAMS:2025:10057

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
11 december 2025
Publicatiedatum
16 december 2025
Zaaknummer
11953848 \ CV EXPL 25-15327
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Verstek
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toetsing van consumentenrecht in een uitvaartovereenkomst op afstand met betrekking tot informatieplichten en oneerlijke bedingen

In deze zaak, behandeld door de Rechtbank Amsterdam op 11 december 2025, is de eisende partij, UITVAART 24 B.V., een besloten vennootschap gevestigd te Amsterdam, die een uitvaart heeft uitgevoerd voor de gedaagde partij, die niet is verschenen. De eisende partij vordert betaling van € 923,50 aan hoofdsom, vermeerderd met rente, buitengerechtelijke kosten en proceskosten. De procedure is gestart met een dagvaarding op 29 oktober 2025, waarna de gedaagde partij verstek heeft laten verlenen.

De kantonrechter heeft de overeenkomst tussen de partijen getoetst aan het consumentenrecht, aangezien de gedaagde partij als consument wordt aangemerkt. De eisende partij heeft gesteld dat zij aan haar informatieplichten heeft voldaan, maar de rechter heeft vastgesteld dat de gedaagde partij niet is geïnformeerd over het ontbindingsrecht. Desondanks is er geen aanleiding voor een sanctie, omdat de eisende partij aan de meeste informatieplichten heeft voldaan. De rechter heeft ook de algemene voorwaarden van de eisende partij beoordeeld, waarbij een beding over rente als oneerlijk is aangemerkt, omdat het rentepercentage van 1,5% per maand aanzienlijk hoger is dan de wettelijke handelsrente.

De kantonrechter heeft geoordeeld dat de eisende partij geen aanspraak kan maken op de contractuele rente en de wettelijke rente over de buitengerechtelijke kosten, maar heeft de gevorderde buitengerechtelijke kosten van € 167,61 toegewezen, omdat deze voldoen aan de wettelijke eisen. De gedaagde partij is in het ongelijk gesteld en moet de proceskosten van in totaal € 688,64 betalen. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en het meer of anders gevorderde is afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 11953848 \ CV EXPL 25-15327
Vonnis van 11 december 2025
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
UITVAART 24 B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
eisende partij,
gemachtigde: S. Azouagh,
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
niet verschenen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 29 oktober 2025, met producties,
- het tegen gedaagde partij verleende verstek.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De beoordeling

2.1.
Eisende partij vordert veroordeling van gedaagde partij tot betaling van € 923,50 aan (resterende) hoofdsom, vermeerderd met rente, buitengerechtelijke kosten en proceskosten. Eisende partij stelt in opdracht en voor rekening van gedaagde partij een uitvaart heeft uitgevoerd. De daarop betrekking hebbende factuur heeft gedaagde partij niet betaald.
2.2.
Eisende partij is een handelaar. Gedaagde partij is een consument. In dat geval moet ambtshalve worden getoetst aan het consumentenrecht. Getoetst moet onder meer worden of eisende partij heeft voldaan aan de informatieplichten. Daarnaast moet de overeenkomst worden getoetst aan Richtlijn 93/13 EG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna: de richtlijn).
2.3.
In het kader van de informatieplichten stelt eisende partij dat de overeenkomst als volgt tot stand is gekomen. Gedaagde partij heeft telefonisch het overlijden van zijn vader gemeld. Op dat moment is een telefonisch intakegesprek gevoerd, zijn de uitvaartwensen en de geschatte kosten van de uitvaart besproken. De wensen zijn daarna door eisende partij uitgewerkt en in een opdrachtbevestiging vastgelegd, die een dag later per e-mail aan gedaagde partij is toegestuurd. Op de overeenkomst zijn algemene voorwaarden van toepassing verklaard, die worden aangeboden op de website van eisende partij en ook zijn verstrekt bij de opdrachtbevestiging. Eisende partij stelt aan alle op haar rustende informatieplichten te hebben voldaan.
2.4.
Gelet op de gestelde wijze van totstandkoming van de overeenkomst is sprake van een overeenkomst op afstand als bedoeld in artikel 6:230g lid 1 onder e Burgerlijk Wetboek (BW), omdat eisende partij op haar website haar telefoonnummer heeft vermeld, dat kan worden gebruikt om overeenkomsten te sluiten. Daardoor maakt zij stelselmatig gebruik van een georganiseerd systeem voor verkoop en dienstverlening op afstand, terwijl partijen tot aan het sluiten van de overeenkomst uitsluitend gebruik hebben gemaakt van een of meer middelen voor communicatie op afstand, zodat is voldaan aan de definitie van het hiervoor genoemde artikel.
2.5.
Dat betekent dat de informatieplichten van artikel 6:230m lid 1 en 6:230v BW van toepassing zijn. Aan de hand van de gemotiveerde stellingen van eisende partij over de naleving van de informatieplichten, onderbouwd met screenshots van de telefonische melding c.q. intake, wordt vastgesteld dat eisende partij gedaagde partij heeft geïnformeerd over de meeste essentiële informatie voortvloeiend uit artikel 6:230m lid 1 BW, met uitzondering van informatie over het ontbindingsrecht. Eisende partij stelt dat het ontbindingsrecht niet van toepassing is, gelet op de verplichtingen voortvloeiend uit de Wet op de Lijkbezorging.
2.6.
Anders dan eisende partij stelt, is het ontbindingsrecht wel van toepassing, maar met verwijzing naar ECLI:NL:RBAMS:2024:7695 wordt geen aanleiding gezien hiervoor een sanctie op te leggen.
2.7.
Conclusie van het voorgaande is dat eisende partij aan haar informatieplichten heeft voldaan en voor zover zij daar niet aan heeft voldaan, oplegging van een sanctie niet in de rede ligt.
2.8.
De overeenkomst moet ook worden getoetst aan de richtlijn. Onderzocht moet worden of het prijsbeding transparant is. Nu de prijs op duidelijke en begrijpelijke wijze is vermeld in de (bevestiging van de) overeenkomst, is verdere toetsing aan de richtlijn niet aan de orde.
2.9.
Verder moet worden onderzocht of eisende partij bedingen in de algemene voorwaarden heeft staan die aan de onderhavige vordering ten grondslag zijn of kunnen worden gelegd. In beide gevallen moeten die bedingen worden getoetst op oneerlijkheid. Op grond van de arresten van het Europese Hof van Justitie van 27 januari 2021, C-229/19, ECLI:EU:C:2021:68 (Dexia) en 8 december 2022, C-625/21, ECLI:EU:C:2022:971 (Gupfinger) moet de kantonrechter ook als eisende partij zich in de procedure niet beroept op het toepasselijke beding, maar op de wet, ambtshalve onderzoeken of het beding in de voorwaarden waarop zij zich had kunnen beroepen niet oneerlijk is in de zin van de richtlijn. Indien een beding als oneerlijk wordt aangemerkt, kan ingevolge deze arresten geen aanspraak meer worden gemaakt op de wettelijke regeling die zonder dat beding van toepassing zou zijn geweest en moet haar vordering op dit punt worden afgewezen.
2.10.
Eisende partij heeft in artikel 7.2 van de algemene voorwaarden een beding staan over rente. Dat beding moet worden getoetst, gelet op het voorgaande. Het beding luidt:
De Opdrachtgever draagt zorg dat het gehele bedrag van de Uitvaartfactuur uiterlijk één (werk)dagen vóór de Uitvaartdatum is bijgeschreven op de rekening van de Uitvaartverzorger. Bij niet tijdige betaling is de Opdrachtgever 1,5% rente per maand verschuldigd.
2.11.
Het rentebeding wordt als oneerlijk aangemerkt, omdat het rentepercentage van 1,5% aanzienlijk hoger is dan het ten tijde van het sluiten van de overeenkomst geldende wettelijke (handels)rentepercentages, zonder dat hiervoor een geldige reden in het beding is genoemd, waardoor de rente een onevenredig hoge schadevergoeding is.
2.12.
Nu het rentebeding oneerlijk is, wat eisende partij in de dagvaarding zelf ook beaamt, bindt het de consument niet. Gevolg hiervan is dat eisende partij niet alleen geen aanspraak heeft op contractuele rente, maar ook niet op de gevorderde wettelijke rente (over de buitengerechtelijke kosten). Nu eisende partij zich in de dagvaarding al heeft uitgelaten over de oneerlijkheid van het rentebeding, wordt geen aanleiding gezien een tussenvonnis te wijzen om eisende partij daartoe nogmaals in de gelegenheid te stellen.
2.13.
In de algemene voorwaarden staan geen bedingen over buitengerechtelijke kosten en proceskosten, zodat eisende partij zich voor die nevenvorderingen rechtsgeldig op de wet kan beroepen.
2.14.
De gevorderde buitengerechtelijke kosten moeten worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. Eisende partij heeft aan gedaagde partij een of meer aanmaningen gestuurd die voldoen aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW. Het gevorderde bedrag van € 167,61 is in overeenstemming met het wettelijke tarief en wordt daarom toegewezen.
2.15.
Gedaagde partij is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van eisende partij worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
146,14
- griffierecht
340,00
- salaris gemachtigde
135,00
(1 punt × € 135,00)
- nakosten
67,50
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
688,64

3.De beslissing

De kantonrechter
3.1.
veroordeelt gedaagde partij om aan eisende partij te betalen een bedrag van € 923,50 aan hoofdsom,
3.2.
veroordeelt gedaagde partij om aan eisende partij te betalen een bedrag van € 167,61 aan buitengerechtelijke kosten,
3.3.
veroordeelt gedaagde partij in de proceskosten van € 688,64, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als gedaagde partij niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
3.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
3.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. L. van Berkum en in het openbaar uitgesproken op 11 december 2025.
991