ECLI:NL:RBAMS:2025:10067

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
10 december 2025
Publicatiedatum
16 december 2025
Zaaknummer
13-393260-24
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussenuitspraak inzake Europees aanhoudingsbevel en weigeringsgrond Overleveringswet

Op 10 december 2025 heeft de Rechtbank Amsterdam een tussenuitspraak gedaan in een zaak betreffende een Europees aanhoudingsbevel (EAB) dat is uitgevaardigd door de Italiaanse autoriteiten. De zaak betreft de opgeëiste persoon, geboren in 1970, die wordt verdacht van openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen. De rechtbank heeft de behandeling van het EAB op 26 november 2025 gehouden, waarbij de officier van justitie, mr. A.L. Wagenaar, aanwezig was. De opgeëiste persoon was ook aanwezig en werd bijgestaan door zijn raadsman, mr. J.P.A. van Schaik. De rechtbank heeft de termijn voor uitspraak verlengd met 30 dagen en de gevangenhouding bevolen, met schorsing tot aan de uitspraak.

De rechtbank heeft vastgesteld dat de opgeëiste persoon niet in persoon aanwezig was bij de procedure die leidde tot het arrest in Italië, wat een weigeringsgrond kan zijn op basis van artikel 12 van de Overleveringswet (OLW). De raadsman heeft betoogd dat de overlevering moet worden geweigerd omdat de opgeëiste persoon niet adequaat is geïnformeerd over zijn recht op hoger beroep. De officier van justitie heeft echter gesteld dat de weigeringsgrond niet van toepassing is. De rechtbank heeft geconcludeerd dat de situatie zoals bedoeld in artikel 12, sub c, OLW niet aan de orde is, omdat de opgeëiste persoon wel degelijk op de hoogte was van zijn rechten.

De rechtbank heeft ook de mogelijkheid van overname van de tenuitvoerlegging van de straf in Nederland overwogen, aangezien de opgeëiste persoon de Nederlandse nationaliteit heeft. De rechtbank heeft vastgesteld dat de opgeëiste persoon voldoende banden met Nederland heeft en dat de tenuitvoerlegging van de straf kan worden overgenomen. De rechtbank heeft het onderzoek heropend om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen om de benodigde documenten op te vragen bij de Italiaanse autoriteiten. De beslistermijn is verlengd met 60 dagen, en de zaak zal opnieuw worden gepland voor een zitting voor het verstrijken van deze termijn.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-393260-24
Datum uitspraak: 10 december 2025
TUSSEN-UITSPRAAK
op de vordering van 13 oktober 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 26 juni 2025 door
the Office of the Prosecutor General of the Republic attached to the Court of Appeal of Rome, Italië, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag] 1970,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[BRP-adres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 26 november 2025, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. J.P.A. van Schaik, advocaat in Veenendaal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een
judgment rendered on22 September 2023 by
the Court of Appeal of Rome – 4th Criminal Division reviewing the judgement dated7 January 2021
of the Court of Rome – 5th Criminal Division, irrevocable on 5 February 2024,met referentie
Judgment n. 375/2023 R.G. – 10495/2023 SENT.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van drie jaar en acht maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog drie jaar, zeven maanden en zesentwintig dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde arrest.
Dit arrest betreft het feit zoals dat is omschreven in het EAB. [3]
3.1
Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW
Het standpunt van de raadsman
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering op grond van artikel 12 OLW moet worden geweigerd, omdat de opgeëiste persoon niet in persoon aanwezig is geweest bij de procedure die tot de beslissing heeft geleid. Hoewel de opgeëiste persoon niet betwist dat het arrest in persoon aan hem is betekend, ontkent hij, bij monde van zijn raadsman, dat hij daarbij uitdrukkelijk is geïnformeerd over zijn recht op hoger beroep of verzet. De verzetgarantie die in rubriek (d) van het EAB wordt geboden ziet bovendien enkel op buitengewone herzieningen.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW niet van toepassing is, nu sprake is van de situatie zoals bedoeld in artikel 12, onder c, OLW.
Het oordeel van de rechtbank
Als het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, dan is de laatste van die beslissingen relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan. [4] De rechtbank zal daarom de beslissing van 22 september 2023 van
the Court of Appeal of Rome – 4th Criminal Divisiontoetsen aan artikel 12 OLW.
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een arrest terwijl de opgeëiste persoon niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid.
In een brief van 25 november 2025 van de uitvaardigende justitiële autoriteit is, voor zover relevant, het volgende opgenomen:
“a) When he was arrested by police[opgeëiste persoon] declared his address was “ [adres] ”(so, he rendered a declaration that was not a proper address) andelected domicile at the public defender’s office (Avv. Spadoni).He confirmed the above residence address and domicile election at the defender’s office also when he was asked by the Judge during the hearing of 22.2.2015 set for the validation of the arrest.
b)Boththe police and the Judge in charge of validating the arrestgave him the information provided by the law: that is, they informed him that he was required to communicate to the Judicial Authority any change of the elected domicile and that, in case he did not comply with this obligation, or in case he refused to elect any domicile or to give a correct address, or in case the address he gave was not sufficient or adequate,
summonses would be made delivering them to his defender”.
[opgeëiste persoon] refused to sign the record written by the police, buthe signed the record of
the hearing before the Judge.
As he never changed the initial declaration and domicile election, every consecutive summons was made at the same domicile, that is at avv. Spadoni's office and, when it
was no more possible, to the defender that was appointed by the Court.
After the judgment became final,the execution order issued by the General Public
Prosecutor on 19.4.2024 was summoned to [opgeëiste persoon] ,who personally received it on the 28th September 2024 in Groningen, [adres], after a request for judicial assistance from the Italian Judicial Authorities to the Dutch ones.
(…)
Finally, [opgeëiste persoon] was informed that, in case the trial took place in absentia, in 30 days he could ask for “restituzione nel termine”(a new deadline to appeal) or for “rescissione” (retrial) and that the request should be presented to the Court of Appeal (see point III).
In the following 30 days no application and no request was presented by [opgeëiste persoon] .”
Naar het oordeel van de rechtbank is de situatie als bedoeld in artikel 12, sub c, onder 2 OLW niet aan de orde. Uit de aanvullende informatie van 25 november 2025 blijkt dat de “
execution order” in persoon aan de opgeëiste persoon is betekend en dat hij er daarbij op is gewezen dat hij een nieuwe termijn voor hoger beroep kan vragen of om een “
retrial” kan verzoeken. In de eerste plaats is onduidelijk of de “
execution order” ook de beslissing omvatte waarbij de vrijheidsbenemende straf is opgelegd. Daarnaast staat in de aanvullende informatie weliswaar dat de opgeëiste persoon is gewezen op het recht, indien sprake was van een procedure
in absentia, om rechtsmiddelen in te stellen, maar niet dat hij daarbij is geïnformeerd dat het gaat om rechtsmiddelen “waarbij hij het recht heeft aanwezig te zijn en tijdens welke de zaak opnieuw ten gronde wordt behandeld en nieuw bewijsmateriaal wordt toegelaten, die kan leiden tot herziening van de oorspronkelijke beslissing”, zoals bedoeld in artikel 12, sub c, OLW.
De rechtbank stelt daarom vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een arrest, terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat - kort gezegd - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan en evenmin een garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW is verstrekt. Gelet daarop kan de overlevering ex artikel 12 OLW worden geweigerd. De rechtbank ziet echter aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering voor de tenuitvoerlegging van dit arrest te weigeren. Zij acht daarbij het volgende van belang.
Uit de aanvullende informatie van 25 november 2025 blijkt dat de opgeëiste persoon na zijn aanhouding in de onderhavige zaak, desgevraagd, zowel bij de politie als bij de rechter een onjuist woonadres heeft opgegeven en dat hij domicilie heeft gekozen bij de aan hem toegewezen advocaat. Zowel door de politie als door de rechter is hij gewezen op de verplichting om domiciliewijziging door te geven aan de rechterlijke autoriteiten en is hij erover geïnformeerd dat als hij niet aan die verplichting zou voldoen, oproepingen aan het kantooradres van zijn toegewezen advocaat zouden worden verzonden. De opgeëiste persoon heeft geen adreswijzigingen doorgegeven en de oproepingen zijn verstuurd aan de kantooradressen van de aanvankelijk toegewezen advocaat en diens opvolgers. Verder acht de rechtbank relevant dat de (tenuitvoerleggings)beslissing op 19 april 2024 aan de opgeëiste persoon in persoon is betekend, waarbij hij is gewezen op de beschikbare rechtsmiddelen, maar dat de opgeëiste persoon vervolgens geen enkele actie heeft ondernomen om daarvan gebruik te maken. Voor zover de opgeëiste persoon hiermee al niet impliciet afstand heeft gedaan van zijn aanwezigheidsrecht, is hij op zijn minst kennelijk onzorgvuldig geweest met betrekking tot zijn bereikbaarheid voor officiële correspondentie en met betrekking tot de hem geboden mogelijkheden om na de verstekveroordeling alsnog gebruik te maken van zijn verdedigingsrechten.

4.Strafbaarheid; feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
Het feit levert naar Nederlands recht op:
openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.

5.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW

De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit en beroept zich op de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a, eerste lid, OLW. Op grond van artikel 6a OLW kan de overlevering van een Nederlander worden geweigerd, indien de overlevering is gevraagd ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een hem bij onherroepelijk vonnis opgelegde vrijheidsstraf en de rechtbank van oordeel is dat de tenuitvoerlegging van die straf kan worden overgenomen.
De rechtbank moet daarom beoordelen of de tenuitvoerlegging van de in Italië opgelegde vrijheidsstraf kan worden overgenomen.
De in artikel 6a, tweede lid, aanhef en onder a, OLW van overeenkomstige toepassing verklaarde weigeringsgronden staan niet in de weg aan overname van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf.
Uit de hiervoor onder 5 weergegeven Nederlandse kwalificatie volgt dat de opgelegde vrijheidsstraf niet het toepasselijke Nederlandse wettelijke strafmaximum overstijgt.
De rechtbank concludeert op grond van het voorgaande dat de tenuitvoerlegging van de opgelegde vrijheidsstraf kan worden overgenomen.
Uit het dossier volgt verder dat de opgeëiste persoon voldoende economische, familiale, taalkundige, culturele en sociale banden met Nederland heeft. De opgeëiste persoon heeft daarom het centrum van zijn belangen in Nederland gevestigd. [5] De overname van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf zal dan ook bijdragen aan zijn maatschappelijke re-integratie.
Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) gewezen in de zaak CJ (C-305/22)
Op 4 september 2025 heeft het HvJ EU arrest gewezen in de zaak
C.J. [6] In dat arrest heeft het HvJ EU zich uitgesproken over de situatie dat de uitvoerende rechterlijke autoriteit artikel 4, punt zes, van het Kaderbesluit 2002/584/ JBZ wenst toe te passen. Oftewel de situatie, zoals hier aan de orde, dat de rechtbank de overlevering wil weigeren en gelijktijdig de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in Nederland wil bevelen.
Zoals de rechtbank eerder heeft overwogen [7] volgt uit het arrest
C.J.– kort samengevat – dat voordat de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf door een ontvangende lidstaat kan worden overgenomen, daarvoor toestemming van de beslissingsstaat vereist is. Die toestemming wordt uitgedrukt door toezending van het certificaat zoals opgenomen in bijlage 1 bij het Kaderbesluit 2008/909/JBZ en het vonnis waarbij de straf is opgelegd.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het onderzoek heropenen om in navolging van het arrest
C.J.van het HvJ EU de officier van justitie te verzoeken om het ingevulde certificaat zoals opgenomen in bijlage 1 van het Kaderbesluit 2008/909/JBZ en een kopie van het vonnis van
the Court of Appeal of Rome – 4th Criminal Divisionvan 22 september 2023 op te vragen bij of via de uitvaardigende justitiële autoriteit, zodat de rechtbank kan beslissen over de overname van de tenuitvoerlegging van de in Italië opgelegde straf als bedoeld in artikel 6a OLW.
De beslistermijn van 90 dagen verstrijkt op 29 december 2025. Zoals bepaald in artikel 22, vierde lid OLW kan de rechtbank in uitzonderlijke gevallen de beslistermijn met telkens 60 dagen verlengen. Zoals eerder geoordeeld, ziet de rechtbank momenteel de nieuwe lijn zoals uiteengezet in het arrest
C.J.van het HvJ EU als een uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 22, vierde lid, OLW. De rechtbank verlengt daarom de beslistermijn met 60 dagen op grond van die bepaling, onder gelijktijdige verlenging van de (geschorste) gevangenhouding op grond van artikel 27, derde lid, OLW.

6.Beslissing

HEROPENT en SCHORSThet onderzoek voor onbepaalde tijd om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen het voornoemde verzoek onder 6 aan de uitvaardigende justitiële autoriteit voor te leggen;
VERLENGTde termijn waarbinnen de rechtbank uitspraak moet doen op grond van artikel 22, vierde lid, OLW met
zestig dagen, onder gelijktijdige verlenging van de (geschorste) gevangenhouding op grond van artikel 27, derde lid, OLW;
BEPAALTdat de zaak uiterlijk veertien dagen vóór 27 februari 2026 (einde van de verlengde beslistermijn) weer op zitting wordt gepland;
BEVEELTde oproeping van de opgeëiste persoon tegen een nader te bepalen datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving daarvan aan zijn raadsman.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. A.K. Glerum, voorzitter,
mrs. O.P.M. Fruytier en C.M.S. Loven, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. E.A. Harland, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 10 december 2025.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.
4.Hof van Justitie van de Europese Unie, 21 december 2023, C-397/22, LM, (
5.Hof van Justitie van de Europese Unie, 6 juni 2023, C-700/21, O. G. (
6.Hof van Justitie van de Europese Unie, 4 september 2025, C-305/22, ECLI:EU:C:2025:665 (
7.Rb Amsterdam 30 september 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:7371.