ECLI:NL:RBAMS:2025:10069

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
26 november 2025
Publicatiedatum
16 december 2025
Zaaknummer
13/159566-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beslissing over Europees aanhoudingsbevel met betrekking tot detentieomstandigheden in Frankrijk

Op 26 november 2025 heeft de Rechtbank Amsterdam uitspraak gedaan in een zaak betreffende een Europees aanhoudingsbevel (EAB) dat was uitgevaardigd door de Franse autoriteiten. De zaak betreft de opgeëiste persoon, geboren in Nigeria, die momenteel gedetineerd is in Nederland. De rechtbank heeft de behandeling van het EAB meerdere keren uitgesteld vanwege het ontbreken van een tolk en het wachten op aanvullende informatie van de Franse autoriteiten over de detentieomstandigheden. Tijdens de zittingen op 15 juli, 26 augustus, 10 september, 29 oktober en 12 november 2025 is de rechtbank tot de conclusie gekomen dat er een individueel reëel gevaar bestaat voor schending van de grondrechten van de opgeëiste persoon, met name in verband met de detentieomstandigheden in Frankrijk. De rechtbank heeft de termijn voor uitspraak meerdere keren verlengd, maar heeft uiteindelijk geoordeeld dat de aanvullende informatie van de Franse autoriteiten onvoldoende was om een wijziging van de omstandigheden aan te tonen. De rechtbank heeft daarom besloten geen gevolg te geven aan het EAB en heeft de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering. De overleveringsprocedure is hiermee beëindigd.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/159566-25
Datum uitspraak: 26 november 2025
UITSPRAAK
op de vordering van 30 mei 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 21 april 2025 door
le tribunal judiciaire de Marseille, Frankrijk, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
volgens de Informatiestaat SKDB-persoon geboren op [geboortedag] 2000 te [geboorteplaats]
(Nigeria),
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
nu gedetineerd in de [Penitentiaire Inrichting] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De zitting van 15 juli 2025
De behandeling van het EAB is aangevangen op de zitting van 15 juli 2025, in aanwezigheid van mr. N.R. Bakkenes, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. M.A.C. de Vilder-Van Overmeire, advocaat in Amsterdam. De behandeling van het EAB is voor bepaalde tijd aangehouden omdat het niet was gelukt om een tolk op te roepen voor de zitting. Daarnaast was er nog geen antwoord van de uitvaardigende justitiële autoriteit ontvangen op de gestelde vragen over de detentieomstandigheden.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met dertig dagen verlengd. [2] Daarnaast heeft de rechtbank op grond van artikel 22, vijfde lid, OLW de beslistermijn nogmaals met dertig dagen — ingaand op het moment waarop de termijn van negentig dagen verstrijkt —
verlengd onder gelijktijdige verlenging van de overleveringsdetentie met dertig dagen op grond van artikel 27, derde lid, OLW.
De zitting van 26 augustus 2025
De behandeling van het EAB is met toestemming van partijen in gewijzigde samenstelling voortgezet op de zitting van 26 augustus 2025, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. M.A.C. de Vilder-Van Overmeire. De behandeling van het EAB is voor bepaalde tijd aangehouden omdat het wederom niet was gelukt om een tolk op te roepen voor de zitting.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering op grond van artikel 22, vijfde lid, van de OLW met dertig dagen verlengd en het verzoek tot schorsing van de overleveringsdetentie afgewezen.
De zitting van 10 september 2025
De behandeling van het EAB is met toestemming van partijen in gewijzigde samenstelling voortgezet op de zitting van 10 september 2025, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. M.A.C. de Vilder-Van Overmeire, en door een tolk in de Franse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd op grond van artikel 22, vijfde lid, van de OLW onder gelijktijdige verlenging van de overleveringsdetentie met dertig dagen op grond van artikel 27, derde lid, OLW.
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.
Tussenuitspraak 24 september 2025 [3]
Bij tussenuitspraak van 24 september 2025 heeft de rechtbank het onderzoek ter zitting heropend en geschorst om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen vragen voor te leggen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit over de detentieomstandigheden voor de opgeëiste persoon in Frankrijk.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste en derde lid, OLW uitspraak moet doen op grond van artikel 22, vijfde lid, OLW met dertig dagen verlengd, onder gelijktijdige verlenging van de gevangenhouding met dertig dagen op grond van artikel 27, derde lid, OLW.
Zitting 29 oktober 2025
De behandeling van het EAB is, met instemming van partijen, in gewijzigde samenstelling, voortgezet op de zitting van 29 oktober 2025, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. M.A.C. de Vilder-Van Overmeire, en door een tolk in de Engelse taal.
Tussenuitspraak 12 november 2025 [4]
Bij tussenuitspraak van 12 november 2025 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en vastgesteld dat voor de opgeëiste persoon sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van zijn grondrechten, nu met de aanvullende informatie het eerder vastgestelde algemene gevaar niet is weggenomen. Op grond van artikel 11, tweede lid, OLW is de beslissing over de overlevering aangehouden in verband met de mogelijkheid dat bij wijziging van de omstandigheden het reële gevaar van een onmenselijke of vernederende behandeling alsnog kan worden uitgesloten. De rechtbank heeft hier een redelijke termijn van veertien dagen aan verbonden en heeft geoordeeld dat als binnen deze termijn zich geen gewijzigde omstandigheden voordoen, geen gevolg zal worden gegeven aan het EAB.
Ook heeft de rechtbank op basis van artikel 22, vierde lid, sub c, OLW de termijn waarbinnen zij uitspraak moet doen met zestig dagen verlengd, onder gelijktijdige verlenging van de gevangenhouding op grond van artikel 27, derde lid, OLW.
Zitting 26 november 2025
De rechtbank heeft de behandeling van het EAB, met instemming van partijen in gewijzigde samenstelling, voortgezet op de zitting van 26 november 2025, in aanwezigheid van
mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door mr. M.A.C. de Vilder-Van Overmeire en door een tolk in de Engelse taal.
De rechtbank heeft het onderzoek gesloten en direct uitspraak gedaan.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Nigeriaanse nationaliteit heeft.

3.Tussenuitspraak van 24 september 2025

Bij tussenuitspraak van 24 september 2025 heeft de rechtbank al geoordeeld over de grondslag en inhoud van het EAB en de strafbaarheid van het feit. Die overwegingen moeten hier als herhaald en ingelast worden beschouwd.

4.Artikel 11 OLW: Franse detentieomstandigheden

De rechtbank verwijst allereerst naar haar overwegingen in de tussenuitspraak van
24 september 2025 en in de tussenuitspraak van 12 november 2025 over de detentieomstandigheden, die hier als herhaald en ingelast moeten worden beschouwd.
Bij e-mail van 25 november 2025 hebben de Franse autoriteiten, voor zover relevant, het volgende medegedeeld:
“In addition to the previous letters regarding [opgeëiste persoon] situation and in response to the court's questions below, we are able to provide you with the following details:

on the methods for calculating the 3m² of personal space: Regarding the methods used to calculate individual space, we can inform you that in all French prisons, cell capacity is determined by the circular of 16 March 1988 based on the floor area of the room. The surface area of the sanitary facilities is therefore included in the surface area of the room, depending on technical constraints, and varies between 1.4 and 1.8 m².

regarding the review of the situation of prisoners undergoing gender transition: if the person concerned requests it immediately, the multidisciplinary commission meets to review the individual situation of the prisoner within a period ranging from 4 to 8 days after her incarceration. Based on all the information gathered by the members of the multidisciplinary team, the terms of care are examined at this time. With regard to transfer times once the commission has made its decision, if the detainee is assigned to a prison with separate wings for men and women, as is the case in Nice, there is no specific procedure to be followed other than obtaining authorization from the magistrate in charge of the proceedings. However, as already mentioned in our previous letter, we are unable at this stage to answer questions concerning the outcome of the multidisciplinary committee's decision.

On freedom of movement outside the cell: current regulations in France stipulate a minimum of one hour of outdoor exercise per day for prisoners. However, outdoor exercise is generally organized as two hours of planned walking in one or two sessions spread throughout the day, to be adjusted according to weather conditions.”
Standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw stelt zich – kortgezegd – op het standpunt dat de verstrekte aanvullende informatie onvoldoende is en er dus geen sprake is van een wijziging van omstandigheden als bedoeld in artikel 11, tweede lid, OLW. Daarom moet geen gevolg worden gegeven aan het EAB en moet de officier van justitie niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie sluit zich aan bij het standpunt van de raadsvrouw dat de aanvullende informatie niet heeft geleid tot gewijzigde omstandigheden zoals bedoeld in artikel 11, tweede lid, OLW. De officier van justitie refereert zich daarom aan het oordeel van de rechtbank.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of zich binnen de in de tussenuitspraak van
12 november 2025 gestelde redelijke termijn een wijziging van omstandigheden heeft voorgedaan op grond waarvan het reëel gevaar van onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie ten aanzien van de opgeëiste persoon kan worden uitgesloten. De rechtbank is van oordeel dat de hierboven weergegeven door de Franse autoriteiten verstrekte aanvullende informatie daartoe onvoldoende aanknopingspunten biedt. Zo ontbreekt informatie of de persoonlijke ruimte enkel voor korte tijd, bij gelegenheid en in geringe mate wordt gereduceerd ten opzichte van de vereiste minimale ondergrens van 3 m2. Ook is geen nadere informatie ontvangen over de omstandigheden in de detentie-instelling waar de opgeëiste persoon naar alle waarschijnlijkheid terecht zou komen als de opgeëiste persoon van een vrouwen- naar een mannenafdeling wordt overgeplaatst, terwijl uit de aanvullende informatie blijkt dat de overplaatsingsprocedure, na overlevering, binnen een zeer korte periode kan worden afgerond, zodat ook de omstandigheden na overplaatsing ter toetsing voorliggen.
De rechtbank is daarom met de officier van justitie en de raadsvrouw van oordeel dat de aanvullende informatie niet heeft geleid tot een wijziging in de omstandigheden als bedoeld in artikel 11, tweede lid, OLW, terwijl de gegeven redelijke termijn in de zin van artikel 11, vierde lid, OLW inmiddels is verstreken.
De rechtbank zal daarom geen gevolg geven aan het EAB gelet op het bepaalde in artikel 11, eerste lid, OLW en zal op grond van artikel 11, vierde lid, juncto artikel 28, derde lid OLW, de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaren in de vordering tot het in behandeling nemen van het EAB. Daarmee is de overleveringsprocedure beëindigd.

5.Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen 2, 5, 7 en 11 OLW.

6.Beslissing

GEEFTmet toepassing van artikel 11, eerste lid, OLW
geen gevolg aan het EAB;
VERKLAART de officier van justitie niet-ontvankelijkin de vordering tot het in behandeling nemen van het EAB;
HEFT OPhet bevel gevangenhouding.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. A.K. Glerum, voorzitter,
mrs. O.P.M. Fruytier en C.M.S. Loven, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. E.A. Harland, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 26 november 2025.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.