De rechtbank Amsterdam behandelde op 4 december 2025 het verzoek tot overlevering van een Nederlandse vrouw aan Duitsland op basis van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de Arrondissementsrechtsbank Trier. De opgeëiste persoon is veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee jaar en zes maanden, waarvan nog 469 dagen resteren, voor illegale handel in verdovende middelen.
De opgeëiste persoon, die Nederlandse nationaliteit bezit en voldoende banden met Nederland heeft, beriep zich op de weigeringsgrond van artikel 6a van de Overleveringswet (OLW), die de overlevering van een Nederlander kan weigeren indien de tenuitvoerlegging van de straf in Nederland kan worden overgenomen. De rechtbank concludeerde dat de straf naar Nederlands recht strafbaar is, de strafmaxima niet worden overschreden en de tenuitvoerlegging kan worden overgenomen.
De rechtbank verwierp het evenredigheidsverweer van de raadsvrouw, die stelde dat overlevering niet nodig was vanwege de maatschappelijke re-integratie van de opgeëiste persoon in Nederland en haar zorg voor jonge kinderen. De rechtbank oordeelde dat de Duitse rechter de evenredigheid reeds heeft beoordeeld en dat geen bijzondere omstandigheden waren aangevoerd om de overlevering te weigeren op grond van onevenredigheid.
Op basis van artikel 6a OLW weigerde de rechtbank de overlevering en beval zij gelijktijdig de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf in Nederland. De gevangenhouding werd geschorst tot aan de tenuitvoerlegging van de straf. Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.