Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
the District Court in Koszalin II Criminal Department,Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
1.Procesgang
CJ [4] (hierna: de zaak
CJ) dat van belang is voor de toepassing van artikel 6a OLW.
2.Identiteit van de opgeëiste persoon
3.Tussenuitspraak van 16 oktober 2025
4.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW
the Local Court in Wałczvan 8 november 2013 (met referentie II K 558/13) toe te sturen. Hierop heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit op 24 oktober 2025 de volgende informatie verstrekt:
The District Court in Koszalin II Criminal Department in response to the letter dated 17 October 2025 regarding the European Arrest Warrant issued against [de opgeëiste persoon] , son of [naam] , born [geboortedag] 1993 in [geboorteplaats] , informs, that after having become familiar with the position obtained from the Local Court in Wałcz, II Criminal Department on 23 October 2025, that in the near future this Court will submit to you a request to take oyer the execution of the sentence of 10 (ten) months of imprisonment imposed by the judgment of the Local Court in Wałcz in case reference number II K 558/13, after collecting the necessary documentation.”
CJheeft het HvJ EU zich op 4 september 2025 uitgesproken over de situatie dat de uitvoerende rechterlijke autoriteit artikel 4, punt zes, van het Kaderbesluit 2002/584/ JBZ wenst toe te passen. Het betreft de situatie, zoals hier aan de orde, dat de rechtbank de overlevering wil weigeren en gelijktijdig de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in Nederland wil bevelen. Zoals de rechtbank in haar uitspraak van 30 september 2025 [5] heeft overwogen volgt uit dat arrest – kort samengevat – dat toestemming van de beslissingsstaat vereist is voordat de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf door een ontvangende lidstaat kan worden overgenomen. Die toestemming wordt uitgedrukt door toezending van het certificaat zoals opgenomen in bijlage 1 bij het Kaderbesluit 2008/909/JBZ en het vonnis waarbij de straf is opgelegd. Gelet op het voorgaande wijst de rechtbank het primaire verzoek van de raadsman af, aangezien het verzochte certificaat en vonnis niet zijn verstrekt door de beslissingsstaat.
CJvan het HvJ EU de officier van justitie te verzoeken om het ingevulde certificaat zoals opgenomen in bijlage 1 van het Kaderbesluit 2008/909/JBZ en een kopie van het vonnis van
the Local Court in Wałczvan 8 november 2013 (met referentie II K 558/13) nogmaals op te vragen bij de uitvaardigende justitiële autoriteit, zodat de rechtbank kan beslissen over de overname van de tenuitvoerlegging van de in Polen opgelegde straf als bedoeld in artikel 6a OLW.
CJen de wetgever artikel 6a OLW op dit punt (nog) niet heeft gewijzigd en gelet op de hiervoor geschetste omstandigheid dat het certificaat en het vonnis nog niet zijn toegestuurd ondanks de kennelijke welwillendheid van de uitvaardigende justitiële autoriteit, is de rechtbank van oordeel dat nog steeds sprake is van een uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 22, vierde lid, OLW, zodat de rechtbank de beslistermijn met zestig dagen zal verlengen.
CJvan het HvJ EU – het ingevulde certificaat als bedoeld in bijlage 1 van het Kaderbesluit 20008/909/JBZ en een kopie van het vonnis van
the Local Court in Walczvan 8 november 2013 (II K 558/13) toe te sturen:
5.Beslissing
zestig dagen, onder gelijktijdige verlenging van de gevangenhouding op grond van artikel 27, derde lid, OLW;