Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2025:10113

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
17 december 2025
Publicatiedatum
17 december 2025
Zaaknummer
25/1577
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 25 AwirArt. 231 GemeentewetArt. 7:2 AwbArt. 110 WaterschapswetArt. 111 Waterschapswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen aanslag waterschapsbelasting 2024 en toetsing evenredigheidsbeginsel

Eiser is het niet eens met de aanslag waterschapsbelasting 2024 en voert aan dat de tariefsverhoging in strijd is met het evenredigheidsbeginsel, omdat volgens hem geen belangenafweging is gemaakt tussen het waterschap en de belastingplichtigen. De rechtbank beoordeelt de rechtmatigheid van de aanslag en komt tot het oordeel dat de heffingsambtenaar de aanslag terecht heeft opgelegd.

De rechtbank stelt vast dat het beroep tijdig en ontvankelijk is ingediend, ondanks dat de bestreden uitspraak aanvankelijk naar een oud adres van eiser is verzonden. De hoorplicht is niet geschonden omdat eiser niet om een hoorzitting heeft verzocht. De rechtbank toetst vervolgens de door eiser aangevoerde schending van het evenredigheidsbeginsel aan recente arresten van de Hoge Raad.

De rechtbank concludeert dat het waterschap de belangen van de belastingplichtigen heeft meegewogen bij de tariefsverhoging, onderbouwd door de begroting en toelichting van het waterschap. De verhoging is noodzakelijk vanwege stijgende kosten door klimaatverandering en complexer waterbeheer. De rechtbank oordeelt dat de aanslag niet onredelijk of willekeurig is en dat de tariefstelling binnen de beleidsvrijheid van het waterschap valt. Het beroep wordt ongegrond verklaard.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt dat de aanslag waterschapsbelasting 2024 terecht is opgelegd.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 25/1577

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 december 2025 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats], eiser

en

de heffingsambtenaar van het Waterschap Amstel, Gooi en Vecht

(gemachtigde: [naam] ).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over een aan eiser opgelegde aanslag waterschapsbelasting (de aanslag) voor het belastingjaar 2024. Eiser is het niet eens met de aanslag en voert, onder andere, aan dat de tariefsverhoging in strijd met het evenredigheidsbeginsel is. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van de aanslag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de heffingsambtenaar de aanslag terecht heeft opgelegd. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Op 30 september 2024 heeft de heffingsambtenaar de aanslag opgelegd aan eiser voor de onroerende zaak [adres] in Amsterdam. De aanslag bedraagt
€ 525,77 en omvat de watersysteemheffing gebouwd, watersysteemheffing ingezetenen en zuiveringsheffing woonruimten.
2.1.
Met de bestreden uitspraak van 7 oktober 2024 op het bezwaar van eiser is de heffingsambtenaar daarbij gebleven.
2.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen de bestreden uitspraak. De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 29 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van de heffingsambtenaar, vergezeld door
[persoon] .

Beoordeling door de rechtbank

Ontvankelijkheid van het beroep
3. Eiser heeft op 5 maart 2025 beroep ingesteld tegen de bestreden uitspraak. De rechtbank moet beoordelen of het beroep tijdig is ingediend. [1]
3.1.
Eiser betwist dat de bestreden uitspraak naar het juiste adres is verzonden. De bestreden uitspraak is namelijk naar eisers oude adres in New York verzonden, in plaats van naar zijn huidige adres, terwijl hij op zijn huidige adres al sinds 2023 op ingeschreven staat.
3.2.
De heffingsambtenaar draagt de bewijslast van feiten die bepalend zijn voor het aanvangstijdstip van de (bezwaar- dan wel) beroepstermijn. Indien een belanghebbende voldoende gemotiveerd betwist dat een uitspraak is verzonden uiterlijk op de dag van dagtekening ervan, ligt de bewijslast dat dit wel het geval is geweest bij de heffingsambtenaar. [2] De beroepstermijn van zes weken vangt dan pas aan op de dag waarop de belanghebbende een afschrift van de naheffingsaanslag onder ogen heeft gekregen. [3]
3.3.
Niet in geschil is dat de heffingsambtenaar de bestreden uitspraak ten onrechte naar eisers oude adres in New York heeft verzonden. Verder is niet in geschil dat eiser binnen een week nadat hij een kopie van de bestreden uitspraak had ontvangen, beroep heeft ingesteld. Dit betekent dat eiser het beroep tijdig heeft ingediend en het beroep ontvankelijk is.
De beroepsgronden van eiser
Hoorplicht
4. Eiser voert aan dat de heffingsambtenaar de hoorplicht [4] heeft geschonden. Eiser heeft hier nadeel van ondervonden, omdat hij door het schenden van deze hoorplicht onvoldoende inzicht heeft kunnen krijgen in de achterliggende motivatie, berekeningen en evenredigheid van de heffing. Ook had een beroep wellicht voorkomen kunnen worden.
4.1.
De rechtbank is van oordeel dat de hoorplicht niet is geschonden. Op grond van artikel 25, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, in samenhang met artikel 231 van Pro de Gemeentewet, wordt de belanghebbende, in afwijking van artikel 7:2 van Pro de Algemene wet bestuursrecht alleen gehoord op zijn verzoek. De rechtbank stelt vast dat eiser in zijn bezwaarschrift niet heeft verzocht om te worden gehoord. De heffingsambtenaar was daarom niet gehouden om een hoorzitting te organiseren.
Evenredigheidsbeginsel
4.2.
Eiser voert verder aan dat de tariefsverhoging in strijd met het evenredigheidsbeginsel is. Daarbij verwijst hij naar arresten van de Hoge Raad van
13 september 2024 en 26 september 2025. [5] Eiser stelt zich op het standpunt dat nergens uit blijkt dat de volgens de Hoge Raad vereiste evenredigheidsafweging is gemaakt tussen de belangen van het waterschap enerzijds en de belangen van de belastingplichtigen anderzijds. Daarom dienen volgens de belastingverordeningen volgens eiser op dit punt onverbindend te worden verklaard.
4.3.
De Hoge Raad heeft in de arresten van 13 september 2024 en 26 september 2025, als volgt overwogen:
“Indien de rechtmatigheid van een voorschrift in een gemeentelijke belastingverordening dat leidt tot een lastenverzwaring, met een beroep op het evenredigheidsbeginsel als algemeen rechtsbeginsel wordt bestreden, dient de rechter in de eerste plaats te onderzoeken of de door de belanghebbende aangevoerde gerechtvaardigde belangen van de belastingplichtigen die daardoor worden geraakt, zijn meegewogen. Komt de rechter tot de slotsom dat die belangen niet zijn meegewogen, dan dient hij op grond daarvan ervan uit te gaan dat sprake is geweest van een onzorgvuldige voorbereiding en een gebrekkige motivering van het desbetreffende voorschrift in de verordening. Indien de belastingrechter als gevolg van een dergelijke onzorgvuldige voorbereiding of gebrekkige motivering niet kan beoordelen of het voorschrift in strijd is met het evenredigheidsbeginsel, kan dit ertoe leiden dat die rechter het voorschrift buiten toepassing laat en een daarop berustend besluit zo nodig om die reden vernietigt of aanpast.
Het ligt niet op de weg van de rechter om de betrokken belangen alsnog af te wegen indien de gemeentelijke wetgever dit heeft nagelaten. Indien als gevolg van een onzorgvuldige voorbereiding of gebrekkige motivering niet valt te beoordelen of een voorschrift dat tot een lastenverzwaring leidt in overeenstemming is met het evenredigheidsbeginsel, brengt dit als regel mee dat de rechter dit voorschrift buiten toepassing dient te laten. Dat is slechts anders indien de negatieve gevolgen van dat voorschrift zo beperkt zijn, dat zonder meer kan worden aangenomen dat die gevolgen niet onevenredig zijn in verhouding tot de met die lastenverzwaring te dienen doelen.”
4.4.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft het waterschap, anders dan eiser betoogt, de belangen van de belastingplichtigen die worden geraakt door de tariefsverhoging meegewogen. De rechtbank ziet geen aanleiding om de belastingverordeningen van het waterschap op dit punt onverbindend te verklaren. Dit motiveert zij als volgt.
4.5.
De tarieven zijn gebaseerd op de Verordening watersysteemheffing Amstel, Gooi en Vecht en de Verordening zuiveringsheffing Amstel, Gooi en Vecht. In de toelichting op de Verordening watersysteemheffing staat dat uit de Memorie van Toelichting bij de Wet modernisering waterschapsbestel blijkt dat degenen die tot de belastingplichtige categorieën behoren per definitie belang hebben bij de uitoefening van de taken van het waterschap. [6] Hun betaling is hierop gebaseerd. Een toelichting van de tariefsverhoging kan gevonden worden in de begroting van het waterschap voor het jaar 2024. [7] De heffingsambtenaar heeft naar deze begroting verwezen in het verweerschrift. Hierin heeft de heffingsambtenaar toegelicht dat het waterschap jarenlang reserves heeft aangewend ter demping van de belastingtarieven, maar dat dat in de huidige situatie niet meer volstaat. Verhoging van de belastinginkomsten ter bestrijding van de taakkosten is onvermijdelijk om financiële problemen in relatie tot de van het waterschap verlangde en vereiste taakuitvoering nu en in de toekomst te voorkomen. Verhogen van tarieven is niet leuk en ook niet populair, maar noodzaak, aldus de heffingsambtenaar. Volgens de heffingsambtenaar zijn stijgende prijzen voor goederen en diensten weliswaar van invloed, maar de toename van de geraamde taakkosten wordt voor het overgrote deel veroorzaakt door klimaatverandering (steeds extremer wordende weersomstandigheden vereisen kostbare maatregelen in het watersysteem en de waterzuivering) en de toenemende complexiteit van het waterbeheer door de eisen aan schoon (gezuiverd) water en bescherming tegen wateroverlast en droogte.
4.6.
Als inwoner van Amsterdam heeft eiser er direct belang bij dat het waterschap haar taken, te weten watersysteembeheer (droge voeten) en het zuiveringsbeheer (zuiveren van afvalwater), kan uitoefenen. Hiervoor is, zoals de heffingsambtenaar heeft betoogd, een tariefsverhoging onvermijdelijk. In zoverre heeft het waterschap de belangen van de belastingbetaler dan ook betrokken bij de keuze om de tarieven in 2024 te laten stijgen. In de begroting is de ontwikkeling van de lastendruk per huishouden inzichtelijk gemaakt en zijn zowel de absolute als de relatieve verschillen in tarieven weergegeven. [8]
Hoogte van de aanslag
4.7.
Eiser voert aan dat de aanslag vergeleken met 2023 exorbitant verhoogd is. Deze verhoging acht eiser onvoldoende gemotiveerd. Volgens eiser heeft de heffingsambtenaar niet voldoende gemotiveerd dat de kosten van het waterschap hoger zijn uitgevallen en dat dit mede komt door het klimaat. Op basis van eigen onderzoek concludeert eiser dat de oorzaak van eventuele financiële problemen lijkt te liggen bij het waterschap zelf, namelijk een gefaalde automatiseringsoperatie bij het waterschap. Eiser voert verder aan dat het onredelijk is financiële problemen die door het waterschap zelf zijn veroorzaakt, rechtstreeks op hem te verhalen. Volgens eiser wordt de verantwoordelijkheid voor wanbeleid niet neergelegd bij degene die de oorzaak is van dit beleid. Ook zorgt deze handelswijze voor een onevenredig hoge belastingheffing. Ten slotte heeft het wanbeleid zich voorgedaan in een periode dat eiser zelf nog geen inwoner was van Amsterdam. Hij vindt het onrechtvaardig dat hij als nieuwe inwoner van het heffingsgebied moet betalen voor financieel wanbeleid in het verleden.
4.8.
De rechtbank is in beginsel niet bevoegd om over het in de verordeningen vastgelegde tarief te oordelen, tenzij deze tariefstelling in strijd is met een hogere wettelijke regeling, leidt tot willekeurige of onredelijke belastingheffing die de wetgever bij het toekennen van deze bevoegdheid niet in het oog kan hebben gehad of in strijd is met enig rechtsbeginsel.
4.9.
Op grond van artikel 110 van Pro de Waterschapswet is het vaststellen van een belastingverordening een bevoegdheid van het algemeen bestuur. Op grond van artikel 111 van Pro de Waterschapswet is de vaststelling van de tarieven een zelfstandige bevoegdheid van het algemeen bestuur. Bij de uitoefening van deze bevoegdheden heeft het algemeen bestuur beleidsvrijheid.
4.10.
In aanvulling op hetgeen de rechtbank eerder in deze uitspraak heeft opgenomen over het standpunt van de heffingsambtenaar, heeft de heffingsambtenaar erop gewezen dat het waterschap naast de belastingheffing geen andere inkomsten heeft. Het waterschap maakt geen winst en geen verlies. Hoewel het waterschap jarenlang reserves heeft aangewend om belastingtarieven te dempen, is dat op dit moment niet langer voldoende. Uit de begroting blijkt dat de totale begroting in 2024 is gestegen van € 242,7 miljoen naar
€ 309,9 miljoen, een toename van € 67,2 miljoen. Enkel 6% van deze stijging heeft betrekking op de kosten van bedrijfsvoering, wat neerkomt op ongeveer vier miljoen euro. De overige kosten zien voornamelijk op beheer en onderhoud, het aanzuiveren van reserves en normale ontwikkelingen. Het standpunt van eiser dat hij pas recent in Amsterdam woont en nu moet opdraaien voor kosten die in eerdere jaren zijn gemaakt treft, nog daargelaten of dit standpunt gevolgd kan worden, geen doel omdat de problemen die het waterschap beoogt op te lossen met de tariefsverhoging acuut zijn en niet meer opgelost kunnen worden met het aanwenden van reserves. Bovendien zou het te verstrekkend zijn als het waterschap per inwoner het tarief zou moeten differentiëren op basis van hoeveel jaar deze inwoner in het heffingsgebied woont.
4.11.
De rechtbank overweegt verder dat zij niet bevoegd is zich uit te laten over de bedrijfsvoering van organisaties, ook niet als het gaat om een overheidsinstantie. De vaststelling van het tarief van de waterschapsbelasting is een zelfstandige bevoegdheid van het Waterschap Amstel, Gooi en Vecht. De rechtbank volgt de toelichting van de heffingsambtenaar en acht het niet onredelijk dat de kosten voor onder meer de noodzakelijke investeringen en de kosten voor de bedrijfsvoering worden doorberekend aan de inwoners van het waterschap, Gezien de duidelijke onderbouwing en de beleidsvrijheid die het algemeen bestuur heeft, is er geen reden om aan te nemen dat de heffing in strijd is met de Waterschapswet of enige hogere wettelijke regeling.
4.12.
Voor zover eiser aanvoert dat in de aanslag ten onrechte uitgegaan wordt van drie vervuilingseenheden omdat eiser maar met twee personen op het adres staat ingeschreven, overweegt de rechtbank dat dit volgt uit artikel 122h, eerste lid, de Waterschapswet. Eisers verwijzing naar de arresten van de Hoge Raad van 13 september 2024 en 26 september 2025 maakt niet dat de heffingsambtenaar het aantal vervuilingseenheden lager moest vaststellen.
4.13.
De rechtbank is van oordeel dat de heffingsambtenaar de aanslag terecht heeft opgelegd.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. Vriethoff, rechter, in aanwezigheid van
mr.C.J. van ‘t Hoff, griffier.
griffier
rechter
Uitgesproken op 17 december 2025.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Amsterdam waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Amsterdam vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Gelet op het bepaalde in de artikelen 6:7, 6:8 en 6:9 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Hoge Raad 12 januari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ5902.
3.Hoge Raad 17 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:875.
4.Artikel 7:2 van Pro Awb.
6.Kamerstukken 2005-2006, 30601, nr. 3.
7.https://agv.waterschapsinformatie.nl/document/13470363/1/S_23_019684_A?connection_type=1&connection_id=7996387.
8.Pagina 100 van de begroting.