Het arrest betreft een cassatieprocedure over de onroerendezaakbelasting (OZB) voor eigenaren van niet-woningen in de gemeente Vlaardingen. De gemeente had het tarief voor eigenaren van niet-woningen per 2021 verhoogd van 0,3631% naar 0,7190%, terwijl het tarief voor gebruikers werd verlaagd naar nihil. Belanghebbende, eigenaar van vier niet-woningen, stelde dat deze tariefverhoging in strijd was met het evenredigheidsbeginsel en het Eerste Protocol bij het EVRM.
Het Hof oordeelde dat de tariefverhoging onvoldoende was voorbereid en gemotiveerd, waardoor niet kon worden vastgesteld of het evenredigheidsbeginsel was geschonden. Het verklaarde het tariefvoorschrift gedeeltelijk onverbindend, namelijk voor zover het tarief hoger was dan het tarief van 2020 verhoogd met 3%.
De Hoge Raad stelt dat bij een beroep op het evenredigheidsbeginsel de rechter eerst moet nagaan of de belangen van de belastingplichtigen zijn meegewogen. Ontbreekt die afweging, dan leidt dat tot onzorgvuldige voorbereiding en gebrekkige motivering, waardoor het voorschrift buiten toepassing moet worden gelaten. De Hoge Raad vernietigt het oordeel van het Hof dat het tariefvoorschrift niet geheel buiten toepassing moest worden gelaten en verklaart het gehele artikel buiten toepassing, waardoor het tarief van 2020 blijft gelden.
Daarnaast oordeelt de Hoge Raad over de ontvankelijkheid van het cassatieberoep van het Dagelijks Bestuur en over de proceskostenvergoedingen, waarbij een nadere procedure wordt gelast voor de vaststelling van de kostenvergoeding. Het arrest is gewezen door vijf raadsheren onder voorzitterschap van de vice-president.