ECLI:NL:RBAMS:2025:10116

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
12 november 2025
Publicatiedatum
17 december 2025
Zaaknummer
C/13/716305 / HA ZA 22-306
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vordering tot vaststelling van de opbrengst van gezamenlijk bitcoin-miningproject en schadevergoeding

In deze civiele zaak, behandeld door de Rechtbank Amsterdam, vordert eiser, vertegenwoordigd door mr. R.P. de Vries, een schadevergoeding van gedaagde, vertegenwoordigd door mr. I.I. van Tuyll van Serooskerken, naar aanleiding van een gezamenlijk bitcoin-miningproject. De zaak betreft de vaststelling van de opbrengst van het gezamenlijk minen van bitcoins en de kosten die door gedaagde zijn gemaakt. Eiser stelt dat gedaagde zich ongerechtvaardigd heeft verrijkt door de bitcoins die aan hem toekwamen niet over te dragen. De rechtbank heeft in eerdere tussenvonnissen partijen de gelegenheid gegeven om hun standpunten over de opbrengst en de gemaakte kosten uiteen te zetten. Eiser vordert onder andere de overdracht van een aantal bitcoins en een schadevergoeding ter hoogte van 15% van de winst van het miningproject. Gedaagde betwist de vorderingen en stelt dat er geen winst is gemaakt, omdat hij aanzienlijke kosten heeft gemaakt. De rechtbank heeft vastgesteld dat de samenwerking tussen partijen is geëindigd op 1 november 2018 en dat de opbrengst van het gezamenlijk minen tot die datum moet worden vastgesteld. De rechtbank heeft de kosten van gedaagde beoordeeld en vastgesteld dat deze voor een deel als investeringen moeten worden beschouwd, die niet volledig in mindering kunnen worden gebracht op de opbrengst. Uiteindelijk heeft de rechtbank de vordering van eiser tot betaling van een geldsom van € 289.065,35 toegewezen, vermeerderd met wettelijke rente, en de proceskosten gecompenseerd.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht
zaaknummer / rolnummer: C/13/716305 / HA ZA 22-306
Vonnis van 12 november 2025
in de zaak van
[eiser],
wonende te [woonplaats 1] ,
eiser in conventie,
verweerder in reconventie,
advocaat mr. R.P. de Vries te Amsterdam ,
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats 2] ,
gedaagde in conventie,
eiser in reconventie,
advocaat mr. I.I. van Tuyll van Serooskerken te Amsterdam .
Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] worden genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het tussenvonnis van 2 april 2025,
  • de akte uitlating tevens inhoudende wijziging/vermeerdering eis van [eiser] , tevens houdende een verzoek herstel kennelijke fout tussenvonnis 2 april 2025,
  • de akte uitlaten omtrent winst miningactiviteiten periode start wallets ( [wallet 1] en [wallet 3] ) tot 1 november 2018 en tevens bezwaar tegen eiswijziging van [gedaagde] ,
  • de akte bezwaar tegen verzoek herstel kennelijke fout en vervolg procedure zijdens [gedaagde] .
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De laatste wijziging van eis in conventie

2.1.
[eiser] vordert thans, voor zover mogelijk bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
Primair:
I. [gedaagde] te veroordelen tot overdracht, binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis, van 226,71345852 Bitcoin; 81,17265495 Bitcoin Cash; 81,17265495 Bitcoin Gold; 417,675 Decred en 132,4695263 Zcash naar door [eiser] aan te wijzen wallet-adressen, zulks op straffe van een dwangsom van € 200.000,-, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, per dag of dagdeel dat [gedaagde] hiermee in gebreke blijft met een maximum van € 40.000.000,-;
II. [gedaagde] te veroordelen tot overdracht, binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis, van 15% van het geheel van de tussen 1 januari 2014 en 12 mei 2021 geminede Dogecoin, Ethereum, Litecoin en Peercoin naar door [eiser] aan te wijzen wallet-adressen, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 100.000,-, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, per dag of dagdeel dat [gedaagde] hiermee in gebreke blijft met een maximum van € 10.000.000,-;
III. [gedaagde] te veroordelen tot verstrekking, binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis, aan [eiser] van een specificatie van het in totaal geminede Dogecoin, Ethereum, Litecoin en Peercoin voor de periode 1 januari 2014 tot 12 mei 2021, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 50.000,-, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, per dag of dagdeel dat [gedaagde] hiermee in gebreke blijft met een maximum van € 2.500.000,-;
Subsidiair:
IV. [gedaagde] te veroordelen te voldoen aan [eiser] een bedrag van € 1.275.625,95, zijnde 15% van de (winst)waarde van de bitcoin die door [gedaagde] en [eiser] zijn gemined in hun gezamenlijke project tot 1 november 2018, dan wel een ander bedrag dat de (winst)waarde van deze bitcoin op 1 november 2018 vertegenwoordigt, te verhogen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf acht dagen na het in deze te wijze vonnis, dan wel vanaf een door U.E.A. in goede justitie te bepalen dag;
V. [gedaagde] te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding aan [eiser] voor de door hem geleden schade, bestaande uit het verschil tussen de onder IV vastgestelde waarde van het aandeel van [eiser] tot 1 november2018, ten opzichte van de waarde van dit (winst)aandeel bitcoin – zijnde 15% van het door partijen tot 1 november 2018 geminede aantal bitcoin – op de datum van het in deze te wijze vonnis, conform de koers van de bitcoin op [website 1] koers, te verhogen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf acht dagen na het in deze te wijze vonnis, dan wel vanaf een in goede justitie te bepalen dag;
Meer Subsidiair:
VI. [gedaagde] te veroordelen te voldoen aan [eiser] een bedrag van € 1.275.625,95, zijnde 15% van de (winst)waarde van de bitcoin die door [gedaagde] en [eiser] zijn gemined in hun gezamenlijke project tot 1 november 2018, dan wel een ander bedrag dat de (winst)waarde van deze Bitcoin op 1 november 2018 vertegenwoordigt; te verhogen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf 1 november 2018, dan wel vanaf een in goede justitie te bepalen dag;
Meest Subsidiair:
VII. Te verklaren voor recht dat [gedaagde] zich ongerechtvaardigd heeft verrijkt ten nadele van [eiser] ;
VIII. [gedaagde] te veroordelen aan [eiser] te voldoen schadevergoeding voor diens verrichte investeringen in tijd en kosten, zoals nader op te maken bij staat, te verhogen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf 11 december 2018 dan wel vanaf een in goede justitie te bepalen dag;
Een en ander met veroordeling van [gedaagde] in de buitengerechtelijke incassokosten ter hoogte van € 6.775,- te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf acht dagen na de betekening van het te dezer te wijzen vonnis tot de dag der algehele voldoening, en in de proceskosten (inclusief de nakosten), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 8 dagen na de datum van het in deze te wijzen vonnis tot aan de dag der algehele voldoening.
2.2.
[gedaagde] heeft bezwaar gemaakt tegen deze vermeerdering van eis.

3.De verdere beoordeling

in conventie

3.1.
In het tussenvonnis van 2 april 2025 (verder: het tussenvonnis) zijn partijen in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de opbrengst van het project in de wallets [wallet 1] … [wallet 2] en [wallet 3] … [wallet 4] tot 1 november 2018 (r.o. 2.32 van dat tussenvonnis), waarbij partijen de totalen van de bijschrijvingen uit het minen van bitcoins, de bijschrijvingen uit inkoop van bitcoins en de afgeschreven bitcoins per wallet dienen op te tellen (r.o. 2.28 van dat tussenvonnis).
Verder is [eiser] in het tussenvonnis in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over het betoog van [gedaagde] dat ingekochte bitcoins niet meetellen als opbrengst van de samenwerking.
Naast dit alles is [gedaagde] in het tussenvonnis opgedragen zich uit te laten – met deugdelijke schriftelijke onderbouwing, waarin hij ook de totalen dient te beschrijven – over de door hem gemaakte kosten voor de uitvoering van het gezamenlijk project gedurende die periode.
Partijen hebben in hun eigen akte ook gereageerd op de akte van de wederpartij.
Standpunten partijen
3.2.
[gedaagde] heeft betoogd – kort samengevat – dat het gezamenlijk minen in totaal 40,228 bitcoins heeft opgeleverd. De bitcoins hadden op 1 november 2018 een gemiddelde koers van € 5.593 zo blijkt uit de website [website 2] . De waarde van de geminede bitcoins is dus € 224.995,20. [gedaagde] heeft minimaal € 875.489 aan kosten gemaakt voor het gezamenlijk minen met [eiser] . Er is dus geen winst gemaakt in het project, aldus steeds [gedaagde] .
3.3.
[eiser] heeft betoogd – kort gezegd – dat het gezamenlijk minen tot 1 november 20218 in totaal 1.511,42305680, dan wel 586,79625494, bitcoins heeft opgeleverd. De koers van de bitcoins op 1 november 2018 was € 5.626,60 volgens de website [website 1] . De gekochte bitcoins zijn niet meegeteld bij het vaststellen van het resultaat van het gezamenlijk minen, aldus steeds [eiser] .
3.4.
Op de standpunten van partijen over specifieke onderwerpen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
Verzoek herstel kennelijke fout tussenvonnis 2 april 2025
3.5.
[eiser] heeft gewezen op overweging 2.22 van het tussenvonnis. Daarin is overwogen dat hij heeft erkend dat hij voor zichzelf aan het minen was op de servers die [gedaagde] heeft gekocht, en dat hij vervalste facturen voor andere servers aan [gedaagde] heeft gestuurd. [eiser] heeft betoogd dat geen sprake is geweest van een dergelijke erkenning. Bovendien heeft [gedaagde] zijn eis in reconventie gebaseerd op het minen door [eiser] , voor zichzelf, op de door [gedaagde] gekochte servers. Die eis in reconventie is als onvoldoende bewezen verworpen in het tussenvonnis van 24 juli 2024 na het getuigenverhoor over dat onderwerp. Overweging 2.22 van het tussenvonnis van 2 april 2025 is in strijd met die beslissing uit het tussenvonnis van 24 juli 2024. De beslissing van de rechtbank dat [gedaagde] gerechtigd was de samenwerking met onmiddellijke ingang te beëindigen is gebaseerd op een onjuiste aanname en interpretatie van zijn standpunten over de wallets op de servers van [gedaagde] , aldus steeds [eiser] .
3.6.
Het betoog van [eiser] komt er dus op neer dat de rechtbank in een eerder tussenvonnis geoordeeld heeft dat hij een erkenning heeft gedaan terwijl dat in werkelijkheid niet het geval is. Indien dat standpunt van [eiser] juist is, is het oordeel van de rechtbank in dat tussenvonnis weliswaar fout, maar betreft het niet een kennelijke fout die zich, gelet op het toepassingsbereik van artikel 31 Rv leent voor herstel, nog daargelaten of dat herstel zou leiden tot een andere in deze zaak nog te nemen of reeds genomen beslissing.
3.7.
Er verandert dus niets aan de vaststelling dat [gedaagde] onder de gegeven omstandigheden (zie r.o. 2.14 tot en met 2.24 van het tussenvonnis) de samenwerking met [eiser] heeft mogen opzeggen en met beider instemming daadwerkelijk per 1 november is geëindigd.
3.8.
Uitgangspunt blijft dus dat de samenwerking van partijen is geëindigd op 1 november 2018 en dat die datum dient te gelden als afrekenmoment voor het verdelen tussen hen van de winst, zoals ook in 2.24 van het tussenvonnis is overwogen.
Vermeerdering van eis in laatste akte [eiser]
3.9.
De vermeerdering van eis in de laatste akte van [eiser] wordt toegelaten ondanks het bezwaar daartegen van [gedaagde] . Een wijziging van eis is in beginsel altijd toegestaan, behoudens strijd met de eisen van een goede procesorde, waarvan niet is gebleken, hoewel het op de weg van [eiser] had gelegen om zijn eiswijziging conform de overwegingen in het tussenvonnis van 5 april 2023 op te stellen.
De opbrengst per 1 november 2018 en waarde bitcoins op die dag
3.10.
Beide partijen hebben een bureau ingeschakeld voor de optelling van het resultaat van het gezamenlijk minen van bitcoins tot 1 november 2018 in de wallets [wallet 1] … [wallet 2] en [wallet 3] … [wallet 4] tot 1 november 2018. [gedaagde] heeft adviesbureau HVK Stevens ingeschakeld en [eiser] het adviesbureau Dragon Industries .
3.11.
Opmerkelijk is dat op basis van dezelfde data (namelijk productie 14 van [eiser] , productie 23 en productie 36 van [gedaagde] ) de door hen ingeschakelde adviesbureaus tot een geheel ander resultaat zijn gekomen voor het aantal bitcoins die tot 1 november 2018 zijn toegevoegd aan de wallets [wallet 1] … [wallet 2] en [wallet 3] … [wallet 4] . Volgens [gedaagde] zijn in totaal 40,228 bitcoins toegevoegd uit het gezamenlijk minen van partijen, volgens [eiser] is de opbrengst van dat gezamenlijk minen in die twee wallets 586,79625494 bitcoins.
3.12.
[eiser] (of Dragon Industries ) heeft de gekochte bitcoins niet meegeteld bij het totaal van 586,79625494 bitcoins. Dit maakt dat het debat over de rol van de gekochte bitcoins dat [gedaagde] is begonnen in zijn akte van 1 oktober 2024 verder niet van belang is: [eiser] heeft gekochte bitcoins immers niet meegeteld als opbrengst van de miningactiviteiten door partijen.
Over de stelling van [gedaagde] dat de opbrengst is: 40,228 bitcoins
3.13.
[gedaagde] heeft betoogd dat uit overweging 4.20.4 van het tussenvonnis van 5 april 2023 blijkt dat ook geen gebruik hoeft te worden gemaakt van de opbrengst uit cloudmining.
3.14.
Dit is niet in overeenstemming met de eerder gegeven beslissingen in deze procedure (van 5 april 2023 en 2 april 2025). Dat cloudmining niet zou meetellen, is niet overwogen in het rechtsoverweging 4.20.4 van het tussenvonnis van 5 april 2023. Daarin is overwogen:
“(…) Daarbij dienen andere toevoegingen van bitcoins aan de wallets (bijvoorbeeld door aankoop) te worden onderscheiden van de door de blockchain aan de
‘pool’of miner toegekende bitcoins voor de validatie van betalingstransacties. (…)”
Dat de opbrengst uit cloudmining niet zou meetellen blijkt daar niet uit. De term cloudmining is door [gedaagde] uiteengezet in zijn akte van 1 oktober 2024 – en dan met name in zijn betoog dat wallet [wallet 1] … [wallet 2] geen onderdeel is geweest van de samenwerking tussen hem en [eiser] . In het tussenvonnis van 2 april 2025 is dat standpunt nu juist verworpen en is partijen opgedragen ook over die wallet een totaal van opbrengst op te tellen. [gedaagde] had daaruit kunnen – en moeten – begrijpen dat zijn stelling dat de opbrengst uit cloudmining niet zou meetellen geen stand heeft gehouden.
3.15.
In het debat van partijen ter zitting is ook geen onderscheid gemaakt in de aard van de opbrengst van bitcoins uit minen: dan wel uit rechtstreeks minen op een eigen server, of uit het minen in een ‘pool’ of door het minen in een ‘cloud’ en dus op een computerserver van een ander. De standpunten van [gedaagde] dat de opbrengst uit cloudminen niet mee zou kunnen tellen worden dan ook verworpen.
3.16.
Bovendien blijkt pas uit het rapport van HSK Stevens dat cloudmining ook heeft geleid tot toevoegingen van bitcoins aan de wallet [wallet 3] … [wallet 4] . Uit het bovenstaande volgt dat [gedaagde] ten onrechte de opbrengst uit cloudmining niet heeft meegeteld. Dit geldt ook voor de wallet [wallet 3] … [wallet 4] .
3.17.
[gedaagde] heeft verder betoogd dat de rijen met de opmerkingen export en import niet meetellen bij de opbrengst van het gezamenlijk minen naar bitcoins. In tegenstelling tot wat is overwogen in r.o. 2.28 van het tussenvonnis heeft [gedaagde] nagelaten de totalen van het minen van bitcoins, de bijschrijvingen uit inkoop van bitcoins en de afgeschreven bitcoins per wallet op te tellen. [gedaagde] heeft HVK Stevens kennelijk de opdracht gegeven een totaal van bitcoins op te maken aan de hand van zijn visie over de opbrengst in plaats van wat de rechter heeft gevraagd.
3.18.
Daarnaast heeft [gedaagde] een variant van zijn producties 23 en 36 aan HVK Stevens gegeven, met toevoeging van kolommen met termen die niet eerder in deze procedure zijn gebruikt (zoals
“dubbel spent”,
“ [label 1] ”en
“ [label 2] ”). Daardoor is HVK Stevens dus uitgegaan van andere informatie dan die [eiser] of de rechtbank hebben gekregen van [gedaagde] . Verder zijn de eerdere beslissingen van de rechtbank niet, dan wel incorrect, toegepast door HSK Stevens – zoals bijvoorbeeld over de opbrengst uit cloudminen.
3.19.
Onder deze omstandigheden wordt het rapport van HVK Stevens – en de mede daarop gebaseerde stellingen van [gedaagde] – voor zover het betreft de opbrengst van het gezamenlijk minen van bitcoins ter zijde geschoven.
Over de stelling van [eiser] dat de opbrengst is: 1.511,42305680 bitcoins
3.20.
[eiser] heeft – met verwijzing naar het rapport van Dragon Industries – gesteld dat het gezamenlijk minen naar bitcoins in totaal 1.511,42305680 bitcoins heeft opgebracht.
Daarvan zijn 586,79625494 bitcoins toegevoegd aan de wallets [wallet 1] … [wallet 2] en [wallet 3] … [wallet 4] . De overige bitcoins zijn toegevoegd aan vijf wallet adressen die zijn gelieerd aan de twee wallets. Dragon Industries heeft deze vijf wallet adressen gevonden in haar onderzoek naar de transacties op de twee wallets [wallet 1] … [wallet 2] en [wallet 3] … [wallet 4] . Het is, aldus Dragon Industries , duidelijk dat in het gezamenlijk minen met die twee wallets ook is gemined naar de vijf wallet adressen, aldus steeds [eiser] .
3.21.
Dit komt niet overeen met de eerder door [eiser] ingenomen standpunten. In zijn dagvaarding heeft hij zijn vorderingen gebaseerd op de twee wallets [wallet 1] … [wallet 2] en [wallet 3] … [wallet 4] . In het tussenvonnis van 5 april 2023 is onder 4.17 overwogen dat
“(…) Andere of eerdere transacties in andere wallets daarom geen onderdeel van deze procedure [zijn]. (…)”. Dat nu sprake is van wallet adressen – en dat dit anders is dan een wallet – die ook moeten meetellen als opbrengst van het gezamenlijk minen, is een geheel nieuw standpunt van [eiser] (onderbouwd met het rapport van Dragon Industries ).
3.22.
Deze nieuwe stelling van [eiser] wordt verworpen. Hij is immers de samenwerking met [gedaagde] aangegaan omdat hij naar eigen zeggen ervaring had met minen van cryptomunten. In die rol mag van hem worden verwacht dat hij weet hoe dat minen naar wallets technisch gezien verloopt – dus ook dat naast de toegewezen wallets kennelijk ook bitcoins worden toegevoegd aan wallet adressen, zoals [gedaagde] terecht heeft betoogd. Het had dus ook op de weg van [eiser] gelegen om dit uiteen te zetten in zijn dagvaarding van deze procedure, althans in een veel eerder stadium van de procedure, ook al had hij toen misschien niet de kennis over de exacte wallet adressen. In de tussenvonnissen van 5 april 2023 en 2 april 2025 is het geschil tussen partijen nader ingevuld en daarmee afgebakend en bepaald. Daarom is er in de fase waarin deze procedure zich thans bevindt geen ruimte meer om het geschil bij een volgende akte anders in te vullen en weer breder te trekken zoals [eiser] heeft gedaan in zijn laatste akte (en steeds heeft gedaan in eerdere aktes gedurende deze procedure). Alle stellingen over de vijf wallet adressen worden als tardief ter zijde geschoven. De eventuele opbrengsten in bitcoins op deze wallet adressen zijn geen onderwerp van dit geschil.
Over de stelling van [eiser] dat 586,79625494 bitcoins zijn gemined
3.23.
Daarnaast heeft [eiser] uiteengezet – wederom met verwijzing naar een reactie van Dragon Industries op het rapport van HVK Stevens – hoe het verschil tussen zijn optelling (586,79625494 bitcoins) en de optelling van [gedaagde] (40,228 bitcoins) is te verklaren. Daarbij heeft [eiser] ook totalen opgenomen van cloudmining-transacties, geïmporteerde bitcoins, geëxporteerde bitcoins, transacties met label
‘inkoop [label 3] ’en met label
‘verkoop [label 3] ’, en transacties met labels ‘
dubbel spent’, ‘
[label 1] ’en ‘
[label 2] ’die niet zijn opgenomen in de eerdere producties 23 en 36 van [gedaagde] . Volgens [eiser] zijn deze groepen ten onrechte door [gedaagde] buiten de optelling van de opbrengst gelaten.
3.24.
[gedaagde] heeft tegen deze stellingen van [eiser] betoogd dat cloudmining niet meetelt en dat bitcoins met label ‘export’ (of ‘sent’) en ‘import’ niet meetellen. Op de overige standpunten van [eiser] heeft [gedaagde] niet, althans onvoldoende herkenbaar als dusdanig, gereageerd.
3.25.
Uit de stellingen van [eiser] blijkt dat van die 586,79625494 bitcoins in totaal 207,53807792 bitcoins zijn meegeteld die als ‘Sent’ (of ‘Export’) zijn opgenomen in de producties 14 van [eiser] en 23 en 36 van [gedaagde] .
3.25.1.
[eiser] heeft betoogd dat ook het totaal van ‘Sent’ of ‘Export’ gelabelde transacties meetelt als opbrengst van het gezamenlijk minen omdat die afgeschreven bitcoins toch in de wallets moeten zijn toegevoegd voordat ze kunnen worden afgeschreven.
3.25.2.
[gedaagde] heeft daarover betoogd dat afschrijvingen (opgenomen onder ‘Sent’ of ‘Export’) geen opbrengst zijn omdat alleen bijschrijvingen als opbrengst kunnen gelden.
3.25.3.
Het betoog van [eiser] op dit punt wordt verworpen. Uit alle stellingen van partijen over hun gezamenlijk miningactiviteiten volgt immers dat bitcoins zijn toegevoegd door bijschrijvingen uit inkoop en uit minen. De uit de wallets afgeschreven bitcoins zijn dus eerder door inkoop of door minen aan de wallets toegevoegd. De ingekochte bitcoins zijn door beide partijen buiten beschouwing gelaten bij de optelling van de opbrengst. De toegevoegde bitcoins uit minen zijn meegenomen in de optelling van het totaal. Als die vervolgens worden geëxporteerd of verzonden, kan dit niet meetellen als opbrengst: zij zijn al meegeteld als toevoeging uit minen dan wel niet meegeteld omdat ze zijn ingekocht.
3.25.4.
Voor het dubbel meetellen van die geëxporteerde of verzonden bitcoins bestaat geen rechtsgrond. [eiser] heeft zich daarover niet uitgelaten. Het totaal van geëxporteerde of verzonden bitcoins zoals [eiser] die heeft gesteld (207,53807792 bitcoins) wordt daarom in mindering gebracht op het door hem gestelde opbrengst van het gezamenlijk minen van bitcoins door partijen.
3.26.
Verder blijkt uit de stellingen van [eiser] dat het aantal van 31,7037 bitcoins met een label
‘import’niet zijn meegeteld door [gedaagde] .
3.26.1.
Daarover heeft [gedaagde] betoogd dat dit betreft importeren van aangekochte bitcoins op het platform bitonic of vanuit andere wallets van [gedaagde] zijn gehaald.
3.26.2.
Dit betoog van [gedaagde] verklaart niet waarom er een totaal is op te maken van ingekochte bitcoins met als label
‘inkoop [label 4] ’en een totaal is op te maken van geïmporteerde bitcoins. Het had op de weg van [gedaagde] gelegen om zijn betoog aan de hand van de in producties 14 van [eiser] en de producties 23 en 36 van [gedaagde] , nader uiteen te zetten.
3.26.3.
Dit heeft [gedaagde] nagelaten, zodat zijn betoog dat geïmporteerde bitcoins niet meetellen als opbrengst wordt verworpen.
3.26.4.
Het door [eiser] opgetelde totaal van 31,7037 bitcoins met label
‘import’tellen dus mee als opbrengst van het gezamenlijk minen van bitcoins door partijen.
3.27.
Hetzelfde geldt voor de opbrengsten uit cloudmining waarover onder 3.13 tot en met 3.16 al is overwogen. De overige door [eiser] gestelde posten zijn niet weersproken door [gedaagde] zodat die stellingen van [eiser] stand houden.
3.28.
Onder deze omstandigheden wordt vastgesteld dat het minen in de wallets [wallet 1] … [wallet 2] en [wallet 3] … [wallet 4] tot 1 november 2018 in totaal 586,79625494 bitcoins minus 207,53807792 (gelabeld als
‘export’of
‘sent’) = 379,25817702 bitcoins heeft toegevoegd aan de wallets [wallet 1] … [wallet 2] en [wallet 3] … [wallet 4] .
3.29.
Over de waarde van de bitcoins op 1 november 2018 verschillen partijen ook van mening. [gedaagde] heeft terecht aangevoerd dat een gemiddelde dagkoers als koers dient te gelden. [eiser] is kennelijk uitgegaan van een maximumwaarde die op 1 november 2018 is betaald voor een bitcoin. Daarom wordt uitgegaan van de door [gedaagde] gestelde waarde van € 5.593,07 voor een bitcoin op de dag dat de samenwerking van partijen is geëindigd.
3.30.
Dat alles houdt dus in dat de opbrengst van het gezamenlijk minen naar bitcoins tot 1 november 2018 is: 379,25817702 bitcoins maal € 5.593,07 = € 2.121.217,53.
De kosten van [gedaagde]
3.31.
heeft HVK Stevens ook gevraagd een totaal van zijn (beweerde) kosten te becijferen. HVK Stevens heeft die (beweerde) kosten in 38 groepen verzameld en verder een onderscheid gemaakt in kosten voor het gezamenlijk minen en kosten die [gedaagde] heeft gemaakt ter voorbereiding van het bedrijfspand te [locatie 1] voor dat gezamenlijk minen.
3.32.
[eiser] heeft gesteld dat HVK Stevens ten onrechte investeringen als kosten heeft meegerekend, de verbouwingskosten van het bedrijfspand te [locatie 1] heeft inbegrepen, en verder een aantal kosten heeft meegeteld die niets met het gezamenlijk minen te maken hebben.
3.33.
Dit standpunt van [eiser] slaagt grotendeels. HVK Stevens heeft alle door [gedaagde] overgedragen facturen gegroepeerd in 38 groepen. Daarbij zijn facturen van – onder meer – energieleveranciers voor stroomverbruik, installatiekosten voor het gebruik van elektriciteit, materieel om servers te gebruiken, machines om te minen, apparatuur voor koeling van die servers, verbouwings- dan wel installatiekosten aan de gebruikte bedrijfsruimte en transportdiensten.
3.34.
[eiser] heeft terecht gesteld dat sommige kostenposten niet volledig kunnen worden beschouwd als kosten voor het gezamenlijk minen van bitcoins omdat het investeringen betreffen die dienen te worden afgeschreven over een bepaalde periode. Dit geldt in ieder geval voor de aanschafkosten van zaken die een aantal jaren kunnen worden gebruikt, zoals kosten voor stroomaansluitingen, miningservers, koelapparatuur, elektrische bekabeling en verder elektrisch huishouden. Dergelijke investeringen dienen volgens de regels van de Belastingdienst te worden afgeschreven en als dusdanig te worden opgenomen in de boekhouding. Dat geldt ook voor een kostenberekening die in dit geval dient te worden gemaakt. Er is immers geen rechtens belang of reden waarom de kosten voor een zaak die ook na de beëindiging van de samenwerking nog wordt gebruikt, in het geheel als kosten voor het gezamenlijke project van partijen in rekening te brengen.
3.34.1.
Dit uitgangspunt had ook door [gedaagde] moeten worden ingezien en hij had zijn kosten op die wijze dienen te presenteren. [gedaagde] heeft een stapel papier (8 cm dik, ruim 800 pagina’s) overgelegd met facturen en betalingsoverzichten. Die stapel papier is verder niet geïndiceerd, bijvoorbeeld naar de door HVK Stevens gegroepeerde kostenposten. Het is dus grasduinen door die stapel om het belang van een factuur voor deze procedure vast te stellen (en vervolgens uit te rekenen wat de afschrijvingswaarde van die kosten zijn). Dat is niet de taak van de rechtbank.
3.34.2.
Bovendien heeft [gedaagde] zich niet uitgelaten over de overige gegevens die nodig zijn voor het berekenen van een afschrijving: de restwaarde en vermoedelijke gebruiksduur in jaren [1] .
3.34.3.
De Belastingdienst heeft bovendien als voorwaarde dat per jaar maximaal 20% op de aanschafkosten kan worden afgeschreven, en dan nog slechts over het deel van het jaar dat de zaak is gebruikt.
3.34.4.
Bovenstaande betreft de volgende groepen van kostenposten uit het rapport van HVK Stevens :
Groep
Omschrijving
Periode
Bedrag (€)
Hartog
Aanleg (inclusief materialen) voor stroomaansluiting
12/03/2018 – 20/10/2018
159.384
LV Trading
Materiaal
6/07/2016 – 30/07/2018
82.728
Antminer
koop miningmachine
7/7/2015
38.877
Miners.nl
koop miningmachine
23/8/2018
188.76
Horecaworld
Koeler
15/7/2016
10.77
Duch
Geluiddemping vloer, koelen
6/3/2015 – 29/1/2016
9.746
Bax shop
Krachtstroomverdelers
14/6/2016 – 21/8/2018
8.129
KPN
Back-up internetaansluiting
19/6/2016 – 18/9/2018
1.165
iBOOD
Internetverbinding
17/12/2015
1.788
Van Lier
Afvalcontainer
7/5/2018 en 10/7/2018
798
Serverkast
Serverkast
4/5/2015
782
Allekabels
Kabels, stekkerdozen
14/1/2015 – 29/8/2018
5.87
Koeks
Stroomaansluiting
2/2/2015 – 3/2/2-2015
6.136
Rubbermagazijn
Bescherming kabels
19/6/2018
581
UPS
Import kosten miningmachines
1/6/2018 – 2/7/2018
131.549
Totaal
647.063
3.34.5.
[eiser] heeft gesteld dat deze kostenposten geheel buiten beschouwing moeten worden gelaten omdat deze betrekking hebben op het pand in [locatie 1] , dan wel omdat deze kosten niet (volledig) zijn toe te rekenen aan het miningproject.
3.34.6.
Uit de omschrijving van HVK Stevens voor deze beweerde kostenposten blijkt dat deze betreffen aanschaf van apparatuur en aanpassingen voor het mogelijk maken van minen. Zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt, kan daarom niet worden ingezien waarom deze beweerde kostenposten niet betrokken kunnen worden bij de vaststelling van de winst uit het gezamenlijk minen naar bitcoins. Het verweer van [eiser] dat deze beweerde kostenposten in het geheel niet moeten meetellen wordt dan ook verworpen.
3.34.7.
Deze kosten zijn voor aanschaf van zaken die meer jaren worden gebruikt. Daarom worden zij als investeringen beschouwd en zouden als afschrijvingen kunnen worden meegerekend in de kosten van [gedaagde] .
3.34.8.
Omdat [gedaagde] hierover onvolledig is geweest bij zijn onderbouwing van zijn kosten, kan daaraan ieder rechtsgevolg worden verbinden die de rechter geraden acht. Vast staat dat hij kosten heeft gemaakt (wat in de dagvaarding ook is betoogd door [eiser] ). De kosten die [gedaagde] heeft gemaakt voor de onder 3.34.4 opgenomen facturen worden daarom voor 20% meegeteld als kosten voor het gezamenlijk project tot 1 november 2018. Onder de opgenomen facturen bevinden zich ook facturen uit 2015 en 2016. Die zouden dus over meer jaren kunnen worden afgeschreven. [gedaagde] heeft echter nagelaten om die facturen nader te duiden als afschrijving en de daarvoor benodigde gegevens (de restwaarde en vermoedelijke gebruiksduur in jaren) te stellen. Daarom worden de kosten voor het gezamenlijk minen ook voor facturen begroot op 20% van het gefactureerde bedrag. De kosten voor gezamenlijke rekening worden onder deze omstandigheden begroot op: 20% van € 647.063 = € 129.412,60.
3.35.
Daarnaast heeft [eiser] terecht gewezen op een aantal gegroepeerde kostenposten die als kosten voor het bedrijfspand te [locatie 1] zijn opgesomd door HVK Stevens .
3.35.1.
In het tussenvonnis van 2 april 2025 is overwogen dat de kosten die [gedaagde] heeft gemaakt voor het bedrijfspand te [locatie 1] niet meetellen. HVK Stevens heeft in Scenario 2 van haar rapport de volgende gegroepeerde kostenposten voor verbouwing en installatie van het bedrijfspand te [locatie 1] opgenomen:
Groep
Omschrijving
Bedrag (€)
Wesselink
Materiaal isolatie
33.788
Multiprofiel
Entresolvloer
32.15
Den Butter
Beveiligingsapparatuur mininglocatie
1.195
Brandblusshop
Brandveiligheid
2.702
HBC
Beveiliging
3.973
VBA
Bijdrage bedrijfskring [locatie 1]
525
Middelhuis
Constructieberekeningen vloer
1.379
BVA
Montagekabels netwerkkabels verdeelkasten verlengkabels magazijnstelling
13.52
Rolluiken
Beveiliging
7.218
Topgarden
Materiaal luchtdoorstroom
3.646
Bouwmaat
Materiaal luchtdoorstroom
5.887
Totaal
105.983
3.35.2.
Uit de omschrijving van HVK Stevens voor deze beweerde kostenposten blijkt dat deze betreffen aanpassingen aan het bedrijfspand te [locatie 1] . [gedaagde] heeft nader uiteengezet dat hij voor het gezamenlijk minen van bitcoins investeringen moest doen aan het bedrijfspand te [locatie 1] ter zake warmtecontrole en brandveiligheid. De servers hebben een hoog elektriciteitsverbruik en geven veel warmte af. Het is onduidelijk of r.o. 2.30 van het tussenvonnis ook betreft deze investeringen voor het gezamenlijk minen van bitcoins, aldus steeds [gedaagde] .
3.35.3.
De door [gedaagde] genoemde investeringen zijn geen kosten voor het bedrijfspand als bedoeld in r.o. 2.30 van het tussenvonnis. [eiser] heeft betoogd dat deze investeringen niet nodig zijn geweest als [gedaagde] niet had besloten het gezamenlijk minen van bitcoins voort te zetten in het bedrijfspand te [locatie 1] . Op zich is dit juist, maar onvoldoende om de kosten voor het brandveilig maken van het bedrijfspand buiten beschouwing te laten. Het is immers evengoed te beargumenteren dat zonder deze verhuizing met minder computerkracht gemined had kunnen worden en dat de opbrengst dan ook lager zou zijn geweest. Daarom tellen de door HSK Stevens onder Scenario 2 opgesomde kostenposten mee als kosten voor het gezamenlijk minen van bitcoins. Hiervoor geldt dan wel hetzelfde als voor aangekochte apparatuur zoals overwogen onder 3.34.4 tot en met 3.34.8. De facturen worden daarom voor 20% meegeteld als kosten voor het gezamenlijk minen van bitcoins, dus 20% van € 105.983 = € 21.196,60.
3.36.
[eiser] heeft in zijn akte de door HVK Stevens gegroepeerde kostenposten van [gedaagde] voor elektriciteitslevering op andere wijze betwist:
Groep
Omschrijving
Periode
Bedrag (€)
Engie
Stroomverbruik
21/03/2016 – 23/03/2018
82.487
Total
Stroomverbruik
30/04/2018 – 10/12/2018
31.151
Kenter
Stroomverbruik en metingen
28/11/2016 – 27/09/2018
1.44
Liander
Stroomverbruik, transformatorhuis, stroommeter
23/05/2018 – 20/11/2018
57.727
Multideur
Ivm inval politie
14/6/2016 – 21/8/2018
2.057
Totaal
174.862
3.36.1.
De kosten voor stroomverbruik zijn bij uitstek kosten die voor rekening komen van het gezamenlijk minen van bitcoins.
3.36.2.
[gedaagde] heeft deze kosten onderbouwd met facturen en betalingsoverzichten. Ook deze stukken zijn niet nader geïndiceerd zodat ook hier geldt dat de vraag of de beweerde kostenposten voor rekening van het gezamenlijk minen moeten komen slechts zou kunnen worden beantwoord door te grasduinen in een niet nader toegelichte, grote stapel ongeordend papier.
3.36.3.
Zo heeft [eiser] gewezen op een aantal facturen voor stroomverbruik van een pand te [locatie 2] en een pand te [locatie 3] . Deze facturen zijn van na 1 juni 2016 – de datum waarop het bedrijfspand te [locatie 1] is gekocht en in gebruik is genomen. [gedaagde] heeft zijn gestelde kosten voor het gezamenlijk minen naar bitcoins dus kennelijk onderbouwd aan de hand van facturen voor stroomverbruik die niet te verbinden zijn aan het gezamenlijk project met [eiser] in het pand te [locatie 1] . Dit geldt in ieder geval voor de kostenpost Kenter , en de kostenpost Engie die een aantal facturen bevat voor de panden te [locatie 2] en [locatie 3] .
3.36.4.
Bovendien zijn een aantal facturen voor de kostenpost Total van na 1 december 2018. Dat is nadat het gezamenlijk project van partijen al was beëindigd.
3.36.5.
De onderbouwing van deze kostenposten (Engie, Total en Kenter) berusten dus niet volledig op waarheid terwijl ze van belang is voor de beslissing in deze zaak (artikel 21 Rv). Door de foutieve facturen en de niet geïndiceerde stapel aan facturen en betalingsoverzichten (die overigens ook niet chronologisch zijn geordend) zijn de beweerde kostenposten Engie, Total en Kenter niet op juistheid te controleren. Het is immers niet aan de rechtbank om in die stapel (van honderden pagina’s) facturen en betalingsoverzichten te zoeken naar de facturen voor elektriciteitslevering in het bedrijfspand te [locatie 1] waar het gezamenlijk minen heeft plaatsgevonden. Onder deze omstandigheden kunnen die beweerde kostenposten niet op enige waarde worden begroot, zodat die drie kostenposten (Engie, Total en Kenter) worden begroot op nihil.
3.36.6.
De omschrijving van de kostenpost Liander iomvat: stroomverbruik, aansluiten transformatorhuisje en stroommeter op het stroomnetwerk. [eiser] heeft terecht betoogd dat onduidelijk is welk bedrag aan stroomverbruik (voor het bedrijfspand te [locatie 1] ) is betaald en welk bedrag de stroomaansluiting betreft. Daarnaast zijn de facturen gedateerd in de periode 23 mei 2018 tot 20 november 2018 en moeten de kosten voor het installeren van een stroomaansluiting worden afgeschreven. [gedaagde] heeft deze kostenpost (Liander) niet concreet naar die situatie (afschrijvingen, eenmalige kosten, periode tot 1 november 2018) onderbouwd. Hiervoor geldt hetzelfde als hiervoor is overwogen: het is niet aan de rechtbank om in een vingerdikke stapel pagina’s te zoeken naar facturen die elektriciteitslevering in het bedrijfspand [locatie 1] betreffen. De Liander kostenposten kunnen evenmin op een waarde worden begroot, zodat ook deze kostenpost wordt begroot op nihil.
3.36.7.
[gedaagde] heeft zonder enige nadere onderbouwing ook als kosten genoemd de reparatie van een deur van een pand. [eiser] heeft betwist dat in dat pand ook naar bitcoins is gemined door [eiser] en [gedaagde] gezamenlijk. Dit blijkt ook uit niets. Waarom de reparatiekosten volgens [gedaagde] voor rekening van het gezamenlijk project van partijen komt, is een volkomen raadsel. Deze beweerde kostenpost wordt daarom genegeerd.
3.36.8.
De onder 3.36 opgenomen beweerde kostenposten worden geheel buiten beschouwing gelaten voor de vaststelling van de door [gedaagde] gemaakte kosten voor rekening van het gezamenlijk project met [eiser] .
3.37.
[eiser] heeft geen standpunt ingenomen over de volgende beweerde kostenposten:
Groep
Omschrijving
Periode
Bedrag (€)
[server]
Mining server
9/10/2017
29.327
Unet
Glasvezelnet
29/11/2016 - 28/09/2018
9.814
Leko transport
Transportdiensten
27/4/2016 – 5/7/2016
1.589
Hubhub
Transportdiensten
28/9/2017
212
Conrad
Stekkers voor kabels
29/4/2018
143
Studentverhuis
Transportdiensten
6/6/2016 – 9/10/2017
2.421
Totaal
43.506
3.37.1.
Omdat deze kostenposten niet concreet door [eiser] zijn betwist, worden deze beweerde kostenposten meegerekend als kosten voor rekening van het gezamenlijke project.
3.38.
Uit al het bovenstaande (over de kosten) volgt dat de kosten die in mindering worden gebracht op de opbrengst zijn:
€ 129.412,60 + € 21.196,60 + € 43.506 = € 194.115,20.
3.39.
[eiser] heeft ook in zijn laatste akte betoogd dat ook hij kosten heeft gemaakt. Dat standpunt is in overweging 4.22 van het tussenvonnis van 5 april 2023 verworpen en er zijn geen feiten en omstandigheden gesteld op grond waarvan van die beslissing teruggekomen dient te worden.
De winst van het gezamenlijk minen
3.40.
De opbrengst van het gezamenlijk minen is uitgedrukt in bitcoins, de kosten van die samenwerking van partijen zijn uitgedrukt in euro’s. [eiser] heeft gevorderd 15% van de winst van die samenwerking. Daartoe moeten dus de kosten in euro’s in mindering worden gebracht op de opbrengst in bitcoins.
3.41.
In het tussenvonnis is overwogen dat een eventuele veroordeling tot betaling van de winst zal worden toegewezen in euro’s. [eiser] heeft uitvoerig bezwaar gemaakt tegen dit in zijn laatste akte. Hij heeft betoogd dat nakoming van de overeenkomst is gevorderd en dat is de verdeling van bitcoins. Een veroordeling van [gedaagde] dient daarom te worden voldaan in bitcoins. Zo heeft ook het gerechtshof Den Haag beslist in een zelfde zaak [2] , aldus steeds [eiser] .
3.42.
Dit betoog van [eiser] wordt verworpen. In deze procedure heeft [eiser] gesteld dat hij op grond van een overeenkomst met [gedaagde] recht heeft op 15% van de winst van het gezamenlijk minen naar bitcoins. Uit niets is gebleken dat partijen zijn overeengekomen dat die winst van hun gezamenlijke activiteiten in bitcoins moet worden uitgekeerd. Bovendien heeft [eiser] in zijn dagvaarding ook steeds de waarde van de opbrengst uitgedrukt in euro’s (met de waarde van een bitcoin op 1 maart 2022). Daarnaast wordt aangesloten bij de in Nederland gangbare wijze waarop winst wordt uitgedrukt: in euro’s. Daarom kan de gevorderde veroordeling tot overdracht van bitcoins dus niet worden toegewezen en de vordering tot betaling van 15% van de winst in euro’s wel.
3.43.
Deze zaak verschilt van de zaak waarin het gerechtshof Den Haag uitspraak heeft gedaan in 2024 omdat die zaak het lenen van bitcoins betreft en de terugbetaling daarvan en niet een uitbetaling van winst over een gezamenlijke activiteit zoals in dit geval.
3.44.
Bovendien kan de winst slechts worden vastgesteld aan de hand van de gemaakte kosten die in euro’s zijn begroot. Een dergelijke begroting kan niet worden omgezet naar bitcoins, omdat de rekenkoers van euro naar bitcoins niet kan worden bepaald. Onder deze omstandigheden kan de winst ook slechts in euro’s worden uitgedrukt. Of partijen vervolgens de betaling van die winst desondanks in bitcoins afhandelen is aan hen, zoals ook in het tussenvonnis van 2 april 2025 is overwogen, de veroordeling tot een betaling door [gedaagde] dient in euro’s plaats te vinden.
3.45.
De winst tot 1 november 2018 van het gezamenlijk minen naar bitcoins door partijen wordt vastgesteld op € 2.121.217,53 minus € 194.115,20 = € 1.927.102,33.
3.46.
Het door [eiser] gestelde aandeel van 15% van die winst wordt vastgesteld op € 289.065,35.
Afsluitende overwegingen
3.47.
Uit het tussenvonnis van 5 april 2023 en bovenstaande overwegingen volgt dat de primaire vorderingen van [eiser] worden afgewezen.
3.48.
De subsidiaire vordering onder IV tot betaling van een geldsom ligt voor toewijzing gereed, waarbij de hoofdsom tot een bedrag van € 289.065,35 wordt toegewezen. De gevorderde vermeerdering met wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW wordt eveneens toegewezen, vanaf 14 dagen na aanschrijving van dit vonnis. Met die termijn wordt aangesloten bij de kostenveroordeling in reconventie.
3.49.
Subsidiair onder V heeft [eiser] een schadevergoeding gevorderd ter hoogte van het koersverschil van de bitcoin sinds 1 november 2018 en heden. [eiser] heeft betoogd dat [gedaagde] tekort is gekomen in de nakoming van de winstafspraak tussen partijen, en dat hij op 1 november 2018 226,71345852 bitcoins aan [eiser] had moeten overdragen of een bedrag van € 1.275.625,95 aan [eiser] had moeten betalen. [gedaagde] heeft die bitcoins onder zich gehouden en die zijn in mei 2025 ongeveer € 20.857.638 waard. [gedaagde] heeft dus ruim 19 miljoen euro winst heeft gemaakt met de bitcoins die hij in november 2018 aan [eiser] had moeten overdragen. Door de tekortkoming van [gedaagde] heeft [eiser] niet kunnen profiteren van de waardestijging van bitcoins. De door die tekortkoming van [gedaagde] geleden schade dient te worden begroot aan de hand van artikel 6:104 BW, aldus steeds [eiser] .
3.49.1.
Voor de begroting van schade op grond van artikel 6:104 BW is vereist dat vast kan worden gesteld dat [gedaagde] met het geld dat hij ten onrechte niet aan [eiser] heeft betaald een financieel voordeel – in de zin van netto-voordeel, dat wil zeggen het resultaat na aftrek van kosten en lasten die [gedaagde] heeft moeten maken voor het door [eiser] beweerde genoten financieel voordeel – heeft genoten.
3.49.2.
[eiser] heeft slechts gewezen op de waardestijging van bitcoins na 1 november 2018. Kennelijk gaat hij ervan uit dat [gedaagde] de 15% winst waar [eiser] recht op had, in bitcoins heeft gehouden. Daarvan kan echter niet worden uitgegaan, ook omdat [eiser] zelf heeft gesteld dat [gedaagde] bitcoins heeft omgezet in geldvaluta voor betaling van kosten en de koop van een woning. Het had op de weg van [eiser] gelegen om zijn uitgangspunt nader te onderbouwen.
3.49.3.
Verder is [eiser] voorbij gegaan aan de kosten die [gedaagde] heeft moeten maken voor het in stand houden van het minen van bitcoins na 1 november 2018. Daardoor zijn die kosten geen onderwerp van deze procedure en dus niet vast te stellen. Het eventueel door [gedaagde] genoten financieel netto-voordeel kan dan evenmin worden vastgesteld.
3.49.4.
Uit het bovenstaande volgt dat [eiser] onvoldoende feiten en omstandigheden heeft gesteld waaruit kan worden afgeleid dat [gedaagde] door de waardestijging van bitcoins vanaf 2018 een financieel voordeel heeft genoten van zijn tekortkoming jegens [eiser] . Het beroep van [eiser] op artikel 6:104 BW tot verkrijging van een schadevergoeding voor de waardestijging van bitcoins slaagt daarom niet.
3.49.5.
Voor zover [eiser] heeft bedoeld dat hij financieel voordeel uit de waardestijging van bitcoins had kunnen genieten als hem in 2018 het bedrag € 289.065,35 was betaald, dan wel het equivalent aan bitcoins aan hem was overgedragen, komt hem geen beroep op artikel 6:104 BW toe [3] . Voor die schade is immers in artikel 6:119 BW (de wettelijke rente over de verschuldigde geldsom) een regeling getroffen, zoals [gedaagde] terecht heeft betoogd.
3.49.6.
De subsidiair onder V gevorderde betaling van een schadevergoeding wordt daarom afgewezen.
3.50.
Aan de meer subsidiair en meest subsidiair ingestelde vorderingen wordt niet toegekomen.
3.51.
Omdat beide partijen in het ongelijk en in het gelijk zijn gesteld is er aanleiding om de proceskosten te compenseren zodat ieder de eigen kosten draagt.
3.52.
[eiser] heeft aan zijn vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten ten grondslag gelegd dat hij die kosten heeft moeten maken aan brieven, telefoongesprekken en bestudering van de zaak door zijn advocaat. Ter onderbouwing daarvan heeft [eiser] een sommatie van 12 mei 2021 en een e-mailwisseling tussen advocaten op 27 januari 2022 in het geding gebracht. Deze onderbouwing is onvoldoende om voor vergoeding als buitengerechtelijke incassokosten in aanmerking te komen. Het bestuderen van het dossier door de advocaat van [eiser] zijn geen buitengerechtelijke incassokosten. Al deze werkzaamheden worden beschouwd bedoeld voor het opbouwen van het procesdossier waarmee (de advocaat van) [eiser] deze zaak heeft ingeleid. De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten worden daarom afgewezen.
in reconventie
3.53.
In het tussenvonnis van 5 april 2023 is overwogen dat de vorderingen in reconventie zullen worden afgewezen en dat [gedaagde] in de kosten in reconventie zal worden veroordeeld (herhaald in het tussenvonnis van 2 april 2025). Die kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op € 1.713 (2½ punt tarief onbepaalde waarde en € 178 aan na dit vonnis te ontstane kosten), te vermeerderen met de kosten als hierna vermeldt. De door [eiser] gevraagde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen, met toepassing van de rente als bedoeld in artikel 6:119 BW.

4.De beslissing

De rechtbank
in conventie
4.1.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van € 289.065,35 aan [eiser] , te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 14 dagen na aanschrijving van dit vonnis tot de dag van voldoening,
4.2.
compenseert de proceskosten aldus dat ieder de eigen kosten draagt,
4.3.
verklaart de veroordeling onder 4.1 uitvoerbaar bij voorraad,
4.4.
wijst het meer of anders gevorderde af,
in reconventie
4.5.
wijst het gevorderde af,
4.6.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten tot op heden begroot op € 1.713,00, te vermeerderen met € 92 en de explootkosten indien [gedaagde] niet binnen 14 dagen na aanschrijving van dit vonnis voldoet aan de kostenveroordeling en dit vonnis dient te worden betekend,
4.7.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten vanaf 14 dagen na aanschrijving van dit vonnis tot de dag van voldoening,
4.8.
verklaart bovenstaande veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.H.C. van Harmelen, rechter, bijgestaan door mr. R.E.R. Verloo, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 12 november 2025.

Voetnoten

1.https://www.belastingdienst.nl/wps/wcm/connect/bldcontentnl/belastingdienst/zakelijk/winst/inkomstenbelasting/inkomstenbelasting_voor_ondernemers/afschrijving/wat_is_afschrijven
2.Gerechtshof Den Haag 2 april 2024, ECLI:NL:GHDHA:2024:1406
3.Hoge Raad, 18 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM0893, r.o. 3.7