ECLI:NL:RBAMS:2025:10140

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
17 december 2025
Publicatiedatum
17 december 2025
Zaaknummer
13-260658-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussenbeslissing inzake Europees aanhoudingsbevel met betrekking tot verdedigingsrechten opgeëiste persoon

Op 17 december 2025 heeft de Rechtbank Amsterdam een tussenbeslissing genomen in een zaak betreffende de uitvoering van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) dat is uitgevaardigd door de Sąd Okręgowy w Legnicy in Polen. De zaak betreft de opgeëiste persoon, geboren in 1975 in Polen, die momenteel gedetineerd is. De rechtbank heeft de behandeling van het EAB op 3 december 2025 gestart, waarbij de officier van justitie, mr. A. Keulers, aanwezig was. De opgeëiste persoon werd bijgestaan door zijn raadsman, mr. M. de Klerk, en een tolk in de Poolse taal. De rechtbank heeft de termijn voor uitspraak verlengd en de gevangenhouding bevolen. De zaak draait om de vraag of de opgeëiste persoon zijn verdedigingsrechten heeft kunnen uitoefenen in verband met eerdere Duitse veroordelingen die relevant zijn voor de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf. De rechtbank heeft vastgesteld dat er onvoldoende informatie is om te beoordelen of de verdedigingsrechten zijn geschonden en heeft daarom het onderzoek heropend en geschorst. De officier van justitie moet het dossier aanvullen met informatie over de Duitse veroordelingen. De rechtbank heeft bepaald dat de zaak uiterlijk op 3 januari 2026 opnieuw moet worden behandeld.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-260658-25
Datum uitspraak: 17 december 2025
TUSSEN-
UITSPRAAK
op de vordering van 6 oktober 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 6 april 2017 door
Sąd Okręgowy w Legnicy - III Wydzial Karny (District Court of Legnica - III Criminal Department, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren op [de opgeëiste persoon] 1975 te [geboorteplaats] (Polen),
zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande,
nu gedetineerd in [detentieplaats] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 3 december 2025, in aanwezigheid van mr. A. Keulers, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. M. de Klerk, advocaat in Haarlem, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met dertig dagen verlengd. [2]
Daarnaast heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.
3. Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een
judicial decision of the Regional Court [Polish: Sad Rejonowy] of Legnica of 21st February 2017 on institution of seeking by wanted notice, case file No. II K 909/11en een
final verdict: Judgement of the Regional Court of Legnica of 6th June 2012 in case file No. II K 909/11 (date of becoming final: 14 th June 2012)
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van twee jaren, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog één jaar, acht maanden en tweeëntwintig dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis van 6 juni 2012 (het vonnis).
Dit vonnis betreft het feit zoals dat is omschreven in het EAB. [3]

4.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW

Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft geen beroep gedaan op de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich primair op het standpunt dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW zich niet voordoet. De opgeëiste persoon was aanwezig bij de procedure die heeft geleid tot het vonnis en waarbij hem een voorwaardelijke straf is opgelegd. Bij de omzetting is de aard of mate van de straf niet gewijzigd zodat deze beslissing niet valt onder de reikwijdte van artikel 12 OLW. Blijkens de door de Poolse autoriteiten verstrekte aanvullende informatie is de reden van omzetting gelegen in het schenden van de voorwaarden, waaronder het niet onderhouden van contact met de reclassering en de twee veroordelingen in Duitsland. Deze Duitse veroordelingen zouden kunnen worden gezien als triggerende vonnissen en dat zou maken dat deze veroordelingen zouden moeten worden getoetst aan artikel 12 OLW. De officier van justitie leest de aanvullende informatie echter zo, dat ook zonder deze veroordelingen zou zijn overgegaan tot omzetting, omdat de opgeëiste persoon zich niet heeft gehouden aan meerdere voorwaarden. Om die reden hoeven de Duitse veroordelingen niet aan artikel 12 OLW te worden getoetst.
Subsidiair verzoekt de officier van justitie de behandeling van de zaak aan te houden om de Poolse autoriteiten te vragen of ook zonder de Duitse veroordelingen tot omzetting van de voorwaardelijke straf zou zijn overgegaan.
Oordeel van de rechtbank
Blijkens onderdeel d) van het EAB is de opgeëiste persoon in persoon verschenen op de zitting die tot het vonnis heeft geleid. Dat betekent dat artikel 12 OLW niet van toepassing is op dit vonnis. De vrijheidsstraf is bij deze beslissing aanvankelijk in voorwaardelijke vorm aan de opgeëiste persoon opgelegd.
Bij beslissing van
the Regional Court of Legnicavan 14 november 2016 is de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijke vrijheidsstraf bevolen.
De beslissing tot tenuitvoerlegging van 14 november 2016 zelf is geen beslissing waarbij de aard of de maat van de aanvankelijk opgelegde straf is gewijzigd. Deze beslissing valt daarom niet onder de reikwijdte van artikel 12 OLW. [4]
Uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ) van 23 maart 2023 volgt dat de procedure die heeft geleid tot de veroordeling voor een nieuw strafbaar feit dat ten grondslag ligt aan de beslissing tot tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde straf ook onderworpen dient te worden aan de toets van artikel 12 OLW.
Volgens de aanvullende informatie van 7 november 2025 van de uitvaardigende justitiële autoriteit zijn de Duitse veroordelingen van 17 december 2014 (case ref. 7Cs170Js42176/14) en 28 mei 2025 (case ref. 14Cs 170Js12077/15), mede aanleiding geweest voor de beslissing tot tenuitvoerlegging van 14 november 2016. Naar het oordeel van de rechtbank vallen deze Duitse veroordelingen dan ook onder de reikwijdte van artikel 12 OLW. De rechtbank beschikt echter niet over de voor deze toets benodigde informatie, zodat op dit moment niet kan worden beoordeeld of de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon in deze procedures in acht zijn genomen. De rechtbank volgt niet het standpunt van de officier van justitie dat deze informatie niet nodig is, omdat de opgeëiste persoon ook andere voorwaarden heeft overtreden waardoor de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf is bevolen. Vast staat immers dat ook de Duitse veroordelingen hebben geleid tot de tenuitvoerleggingsbeslissing, zodat ingevolge het arrest van het HvJ die veroordelingen getoetst moeten worden aan artikel 12 OLW. De door de officier van justitie opgeworpen vraag of zonder die Duitse veroordelingen eveneens tot tenuitvoerlegging zou zijn overgegaan acht de rechtbank dan ook niet relevant.
De rechtbank zal op grond van het vorenstaande het onderzoek heropenen en gelijk schorsen om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen het dossier aan te vullen met informatie over de vraag of de opgeëiste persoon ten aanzien van de Duitse veroordelingen zijn verdedigingsrechten heeft kunnen uitoefenen.

5.Strafbaarheid

Feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW

De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst het strafbare feit aan als een zogenoemd lijstfeit, dat in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staat vermeld, te weten:
racketeering en afpersing.
Uit het EAB volgt dat op dit feit naar het recht van de uitvaardigende lidstaat een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.

6.Beslissing

HEROPENT en SCHORSThet onderzoek ter zitting voor onbepaalde tijd, om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen het dossier aan te vullen met informatie over de vraag of de opgeëiste persoon ten aanzien van de Duitse veroordelingen zijn verdedigingsrechten heeft kunnen uitoefenen.
BEPAALTdat de zaak uiterlijk 3 januari 2026 en bij voorkeur op 31 december 2025 opnieuw op zitting moet worden aangebracht.
BEVEELTde oproeping van de opgeëiste persoon tegen de nader te bepalen datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving daarvan aan zijn raadsman.
BEVEELTde oproeping van een tolk in de Poolse taal tegen een nader te bepalen datum en tijdstip.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M.C.M. Hamer, voorzitter,
mrs. E. de Rooij en D.L.S. Ceulen, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. D. Kloos, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 17 december 2025.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 OLW.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.
4.5 HvJ EU 23 maart 2023, C-514/21 en C-515/21, ECLI:EU:C:2023 (