ECLI:NL:RBAMS:2025:10142

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
17 december 2025
Publicatiedatum
17 december 2025
Zaaknummer
13-252388-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Overlevering op basis van Europees aanhoudingsbevel met betrekking tot criminele organisatie en detentieomstandigheden

Op 17 december 2025 heeft de Rechtbank Amsterdam uitspraak gedaan in een zaak betreffende de overlevering van een opgeëiste persoon aan België op basis van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Het EAB, uitgevaardigd door de rechtbank van Eerste Aanleg Antwerpen, betreft een verdachte die wordt beschuldigd van deelname aan een criminele organisatie. De rechtbank heeft de vordering van de officier van justitie tot overlevering behandeld, waarbij de opgeëiste persoon werd bijgestaan door zijn raadsman. Tijdens de zitting op 3 december 2025 heeft de rechtbank de termijn voor uitspraak verlengd en de gevangenhouding bevolen.

De verdediging voerde aan dat het EAB niet genoegzaam was en dat de overlevering in strijd was met het evenredigheidsbeginsel, gezien de persoonlijke omstandigheden van de opgeëiste persoon, die voor zijn zieke ouders zorgt. De rechtbank oordeelde echter dat het EAB voldeed aan de vereisten van de Overleveringswet (OLW) en dat de overlevering gerechtvaardigd was. De rechtbank verwierp de argumenten van de verdediging en concludeerde dat de detentieomstandigheden in België voldoende garanties boden om de opgeëiste persoon een humane behandeling te waarborgen.

Uiteindelijk heeft de rechtbank de overlevering toegestaan, omdat er geen weigeringsgronden waren en het EAB voldeed aan de eisen van de OLW. De uitspraak is openbaar gedaan en er staat geen gewoon rechtsmiddel open tegen deze beslissing.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-252388-25
Datum uitspraak: 17 december 2025
UITSPRAAK
op de vordering van 3 oktober 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 24 september 2025 door de rechtbank van Eerste Aanleg Antwerpen, Afdeling Antwerpen, België (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon],
geboren op [geboortedag] 1998 te [geboorteplaats] (België),
zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande,
nu gedetineerd in de [detentieplaats],
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 3 december 2025, in aanwezigheid van mr. A. Keulers, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. G.A.J. Purperhart, advocaat in Rotterdam.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met dertig dagen verlengd. [2]
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Belgische nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB, gelezen in samenhang met het A-formulier, vermeldt een aanhoudingsbevel bij verstek van 24 september 2025, uitgevaardigd door de onderzoeksrechter bij de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen, afdeling Antwerpen, referentie dossier nr: 2024/182 OR A. Gieselink; not.nr.:AN10.F1.525678/2024.
De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een naar Belgisch recht strafbaar feit. Dit feit is omschreven in het EAB. [3]
3.1
Genoegzaamheid
Standpunt van de raadsman
De raadsman stelt zich op het standpunt dat het EAB niet genoegzaam is en dat de overlevering om die reden dient te worden geweigerd. De rol van de opgeëiste persoon bij de betreffende gedragingen is in het EAB onvoldoende gespecificeerd. De aanwijzing voor zijn betrokkenheid is gelegen in de omstandigheid dat hij door de medeverdachten zou worden aangeduid als “[bijnaam]”. De opgeëiste persoon herkent zichzelf niet als de “[bijnaam]” waarover wordt gesproken in de getapte gesprekken. De opgeëiste persoon heeft een duidelijk spraakprobleem. In de feitomschrijving in het EAB staat niets over opgevangen gesprekken waarbij te horen is dat er door de “[bijnaam]” dan wel de leidinggevende van een criminele organisatie gestotterd wordt, of dat hij moeite heeft zich verbaal te uiten, iets wat kenmerkend en opvallend is voor de opgeëiste persoon.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de overlevering kan worden toegestaan, nu het EAB genoegzaam is. Het EAB vermeldt een datum, een pleegplaats en de omschrijving van de rol van de opgeëiste persoon, namelijk leider. Het specialiteitsbeginsel kan worden gewaarborgd. De OLW vereist niet dat de gronden van de verdenking en de precieze rol van de opgeëiste persoon worden vermeld in het EAB. Dat de opgeëiste persoon zich niet herkent in de omschrijving van de “[bijnaam]” in de getapte telefoongesprekken maakt dit niet anders. Na de wijziging van de OLW is het niet meer mogelijk om met vrucht een onschuldverweer te voeren. Daarbij komt dat sprake is van een vervolgings-EAB, waarbij de overlevering is gevraagd ten behoeve van een nog lopend strafrechtelijk onderzoek. De precieze gang van zaken met betrekking tot het feit waarvan de opgeëiste persoon in België wordt verdacht, zal later in België moeten blijken.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank overweegt dat het EAB gegevens moet bevatten op basis waarvan het voor de opgeëiste persoon duidelijk is waarvoor zijn overlevering wordt verzocht. Verder moet het voor de rechtbank duidelijk zijn of het verzoek voldoet aan de in de OLW genoemde vereisten. Zo moet het EAB een beschrijving bevatten van de omstandigheden waaronder de strafbare feiten zijn gepleegd, met vermelding van, in ieder geval, het tijdstip, de plaats en de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij de strafbare feiten. Die beschrijving moet ook de naleving van het specialiteitsbeginsel kunnen waarborgen. De rechtbank is van oordeel dat sprake is van een genoegzaam EAB. Uit de feitomschrijving in onderdeel e), de aanvullende informatie van 18 november 2025 en het A-formulier volgen de pleegplaats, pleegdatum, de rol van de opgeëiste persoon en de omschrijving van de feiten. Hieruit blijkt dat de opgeëiste persoon ervan wordt verdacht dat hij in de periode vanaf april 2024 tot heden in de provincie van Antwerpen een aansturende en leidinggevende rol lijkt te hebben gehad over een criminele organisatie die zich onder meer heeft ingelaten met meerdere ontvoeringen, meerdere (druggerelateerde) aanslagen op meerdere panden in Antwerpen en met druggerelateerde handelingen.
Daarbij komt dat sprake is van een vervolgings-EAB, waarbij de overlevering is gevraagd ten behoeve van een nog lopend strafrechtelijk onderzoek. De precieze gang van zaken met betrekking tot het feit waarvan de opgeëiste persoon in België wordt verdacht, zal later in België moeten blijken. Naar het oordeel van de rechtbank is het specialiteitsbeginsel dan ook voldoende gewaarborgd. Voor zover door de verdediging is betoogd dat onvoldoende duidelijk is waarop de uitvaardigende justitiële autoriteit de verdenking tegen de opgeëiste persoon baseert, overweegt de rechtbank dat artikel 2 OLW niet de eis stelt dat het EAB de verdenking onderbouwt. Het is ook vaste rechtspraak dat de overleveringsrechter niet in de beoordeling van de gronden van de verdenking treedt. De rechtbank verwerpt daarom het verweer van de raadsman.

4.Strafbaarheid

De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst blijkens de aanvullende informatie van 18 november 2025 het strafbare feit aan als een zogenoemd lijstfeit, dat in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staat vermeld, te weten:
deelneming aan een criminele organisatie.
Uit het EAB volgt dat op dit feit naar het recht van België een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.
5. Evenredigheid en artikel 7 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (family life)
Standpunt van de raadsman
De raadsman stelt zich op het standpunt dat de overlevering van de opgeëiste persoon aan België dient te worden geweigerd. De overlevering is in strijd met het evenredigheidsbeginsel en levert, gelet op zijn persoonlijke omstandigheden, een ongerechtvaardigde inbreuk op het recht op
family lifezoals bedoeld in artikel 7 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: Handvest) op. De opgeëiste persoon zorgt namelijk voor zijn zieke vader en moeder.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt dat het vaste jurisprudentie is dat een overlevering een gerechtvaardigde inbreuk op het recht op
family lifeex artikel 7 Handvest oplevert. Slechts zeer uitzonderlijke omstandigheden maken dit anders. Deze omstandigheden doen zich in deze zaak niet voor.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat overlevering, gelet op artikel 52, eerste lid, Handvest, een toegestane beperking is van de uitoefening van het hiervoor genoemde recht. Vanwege de tijdelijke aard van de beperking is de verhouding tussen de belangen die overlevering beoogt te dienen en de beperking in de uitoefening van het recht op familie- en gezinsleven van de opgeëiste persoon, niet onevenredig. Alleen in uitzonderlijke omstandigheden zal het familie- en gezinsleven van een opgeëiste persoon zwaarder wegen dan het legitieme doel dat met de overlevering wordt nagestreefd. De aangevoerde omstandigheid dat de opgeëiste persoon voor zijn zieke ouders zorgt, kan alleen al vanwege het feit dat deze omstandigheid op geen enkele wijze is onderbouwd met stukken, niet aangemerkt worden als een uitzonderlijke omstandigheid. De beperking in de uitoefening van het recht op family life levert daarom geen beletsel op voor overlevering.

6.Artikel 11 OLW: Belgische detentieomstandigheden

Inleiding
Bij uitspraak van 14 december 2022 heeft de rechtbank geoordeeld dat op dit moment een algemeen gevaar bestaat dat gedetineerden in alle detentie-instellingen in België worden onderworpen aan een onmenselijke behandeling gelet op de detentieomstandigheden in die instellingen. [4]
De rechtbank stelt vast dat bij bericht van 6 november 2025, afkomstig van het Diensthoofd bij Directoraat-generaal Wetgeving Fundamentele rechten en Vrijheden, Dienst internationale samenwerking in strafzaken, Centrale autoriteit van de Federale Overheidsdienst Justitie te Brussel de volgende de opgeëiste persoon betreffende detentiegarantie is gegeven:
1. In welke detentie-instelling zal de opgeëiste persoon gedetineerd worden?
[de opgeëiste persoon] zal worden opgesloten in de gevangenis van Antwerpen indien na overlevering door de bevoegde gerechtelijke autoriteit wordt beslist dat de persoon in voorlopige hechtenis dient te blijven.
2. Welke waarborgen worden gegarandeerd inzake de detentieomstandigheden in de detentie-instelling?
België garandeert dat de opgeëiste persoon na overlevering zal worden opgesloten in een instelling en op een wijze die in overeenstemming is met de fundamentele rechten en in het bijzonder relevante internationale standaarden (o.a. CPT standaarden) met in begrip van voldoende individuele leefruimte, afgescheiden sanitair en dagactiviteiten buiten de cel.
In deze zaak garandeert België de volgende waarborgen inzake de detentieomstandigheden waar [de opgeëiste persoon] aan zal worden onderworpen na overlevering:
- De opgeëiste persoon zal niet worden opgesloten in een cel met minder dan 3 m2 individuele levensruimte. Dit geldt zowel indien de opgeëiste persoon in een eenpersoons- als in een meerpersoonscel zou worden opgesloten.
- De gemiddelde minimum leefruimte van elke cel is 9 m2 inclusief vast meubilair.
o De sanitair blokken omvatten een wasbak en een toilet dat is afgescheiden van de rest van de cel door een muur of schermo Het vast meubilair omvat onder andere een tafel, kast, bed en bureau.
o Het vast meubilair omvat onder andere een tafel, kast, bed en bureau.
- De opgeëiste persoon zal een bed ter beschikking hebben en zal bijgevolg niet op grond hoeven te slapen.
- Er worden verschillende dagactiviteiten buiten de cel voorzien. Deze activiteiten omvatten in ieder geval regelmatige wandelingen in een open koer en familiebezoeken alsook toegang tot gemeenschappelijke ruimtes. Aanvullende activiteiten zoals sport en arbeid zijn onderhevig aan aanzienlijke wachtlijsten.

3.Sanitaire en hygiëne omstandigheden

Als algemene regel, voorziet de Basiswet van 12 januari 2005 betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden in algemene rechten en plichten voor gedetineerden, o.a. het recht op dagelijkse persoonlijke hygiëne, het recht op toegang tot gezondheidszorg en -bescherming evenredig aan dewelke wordt voorzien buiten de gevangenismuren. In dit verband, is een penitentiaire gezondheidsraad opgericht bij wet die adviseert bij het verbeteren van de kwaliteit de gezondheidszorg binnen de gevangenismuren. De medische zorg binnen de gevangenismuren is van gelijke kwaliteit als de medische zorg die wordt verstrekt buiten de gevangenismuren.”

Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de verstrekte individuele detentiegarantie het algemene gevaar niet wegneemt. De garantie is een momentopname en er wordt niet verzekerd dat dit de gehele periode van de detentie het geval zal zijn. De raadsman heeft van andere cliënten begrepen dat de toezeggingen niet altijd worden nageleefd. Hij verwijst in dat verband tevens naar de vele recente krantenartikelen waarin in negatieve zin wordt gesproken over de situatie in de Belgische gevangenissen en in het bijzonder over de overbevolking, die bovendien blijft toenemen. Subsidiair verzoekt de raadsman de behandeling van de zaak aan te houden om aan de Belgische autoriteiten nadere vragen te stellen over de verstrekte detentiegarantie. Indien de rechtbank dit subsidiaire verzoek toewijst, verzoekt de raadsman de rechtbank de overleveringsdetentie van de opgeëiste persoon te schorsen.
Standpunt van de officier van justitie
De door de Belgische autoriteiten gegeven detentiegarantie is voldoende. De officier van justitie verzet zich tegen aanhouding van de behandeling van het EAB om de Belgische autoriteiten nadere vragen over de verstrekte detentiegarantie te stellen, omdat daartoe geen aanleiding bestaat.
Oordeel van de rechtbank
Zoals deze rechtbank eerder heeft geoordeeld [5] gaat de rechtbank aan de hand van een globale beoordeling van alle gegevens waarover zij beschikt uit van de geboden zekerheid in voorgaande garantie. [6]
De rechtbank is, gelet op deze individuele garantie van de Belgische autoriteiten, van oordeel dat het vastgestelde algemene reële gevaar van onmenselijke of vernederende detentieomstandigheden voor de opgeëiste persoon is weggenomen. Het algemene gevaar dat de rechtbank heeft aangenomen, wordt door de individuele garantie namelijk uitgesloten ten aanzien van de opgeëiste persoon, nu hij zal worden geplaatst in een instelling op een wijze die in overeenstemming is met de fundamentele rechten en in het bijzonder met relevante internationale standaarden (o.a. CPT standaarden). Anders dan de raadsman is de rechtbank van oordeel dat de verstrekte detentiegarantie zich uitstrekt over de gehele periode dat de opgeëiste persoon in het kader van dit EAB in België gedetineerd zal zijn.
De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om de behandeling van de zaak aan te houden om nadere vragen te stellen en wijst het daartoe strekkende verzoek van de raadsman af. Nu de rechtbank het subsidiair door de raadsman geformuleerde verzoek afwijst, komt zij niet toe aan de bespreking van het schorsingsverzoek.

7.Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.

8.Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen 2, 5 en 7 OLW.

9.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[de opgeëiste persoon]aan de rechtbank van Eerste Aanleg Antwerpen, Afdeling Antwerpen, België, voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M.C.M. Hamer, voorzitter,
mrs. E. de Rooij en D.L.S. Ceulen, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. D. Kloos, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 17 december 2025.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 OLW.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.
5.zie bijvoorbeeld de uitspraak van 28 december 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:7937
6.Hof van Justitie van de Europese Unie, 25 juli 2018, ML, ECLI:EU:C:2018:589.