ECLI:NL:RBAMS:2025:10266

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
11 december 2025
Publicatiedatum
18 december 2025
Zaaknummer
777768
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing van vorderingen tot verbod op executieveiling en opheffing beslag in kort geding

In deze zaak heeft de voorzieningenrechter van de Rechtbank Amsterdam op 11 december 2025 uitspraak gedaan in een kort geding tussen NPB BEWIND B.V. als eisende partij en LLOYDS BANK GMBH als gedaagde partij. De eisende partij vorderde een tijdelijk verbod op de executieveiling van een woning en de opheffing van een beslag dat door de bank was gelegd. De procedure begon met een mondelinge behandeling op 27 november 2025, waar beide partijen hun standpunten toelichtten en bewijsstukken presenteerden. De voorzieningenrechter heeft vastgesteld dat de eisende partij een restschuld heeft van circa € 130.000,00 na de executieverkoop van de woning in 2013. De bank heeft daarop executoriaal beslag gelegd op de uitkering van de eisende partij en heeft aangekondigd de woning te willen verkopen. De voorzieningenrechter heeft geoordeeld dat de bank het recht heeft om tot executieverkoop over te gaan, en dat er geen sprake is van misbruik van recht. De vorderingen van de eisende partij zijn afgewezen, en zij is veroordeeld in de proceskosten van de bank, die in totaal € 1.999,00 bedragen. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht, voorzieningenrechter
Zaaknummer: C/13/777768 / KG ZA 25-878 LV/KH
Vonnis in kort geding van 11 december 2025
in de zaak van
NPB BEWIND B.V.in haar hoedanigheid van bewindvoerder van
[eiseres],
te Amsterdam,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
advocaat: mr. P. Salim,
tegen
LLOYDS BANK GMBH,
te Amsterdam,
gedaagde partij,
hierna te noemen: de bank,
advocaat: mr. M.W.G. Koopmans.

1.De procedure

Voor de aanvang daarvan op 13 november 2025 is de mondelinge behandeling van deze zaak op verzoek van [eiseres] verplaatst naar 27 november 2025. Tijdens de mondelinge behandeling op 27 november 2025 heeft [eiseres] de dagvaarding toegelicht. De bank heeft verweer gevoerd. Beide partijen hebben producties en pleitaantekeningen in het geding gebracht. Vonnis is bepaald op vandaag. Ter zitting waren aanwezig:
  • aan de zijde van [eiseres] : [naam 1] (NPB Bewind B.V.) en [eiseres] met mr. Salim,
  • aan de zijde van de bank: mr. Koopmans.

2.De feiten

2.1.
Bij notariële akte van 8 januari 2007 (hierna: de hypotheekakte) zijn [eiseres] en haar voormalig partner [naam 2] (hierna: [naam 2] ) voor hun woning in [woonplaats 1] bij de bank een hypothecaire lening aangegaan. In de hypotheekakte staat, voor zover hier relevant:
“(…)
GELDLENING
De schuldenaar verklaarde wegens van de schuldeiser ter leen ontvangen gelden hoofdelijk schuldig te zijn aan de schuldeiser een bedrag van(…)
€ 296.500,00(…).
Tot zekerheid voor de terugbetaling van de hoofdsom en de betaling van het verder verschuldigde zullen ten behoeve van de schuldeiser rechten van hypotheek en pand worden gevestigd zoals hierna wordt omschreven. (…)
HYPOTHEEKSTELLING EN VERPANDING
Tot meerdere zekerheid voor:
de betaling van al hetgeen de schuldenaar aan de schuldeiser schuldig is of zal worden uit hoofde van voormelde lening en voor al hetgeen de schuldenaar aan de schuldeiser verschuldigd is en zal zijn uit hoofde van eventueel in deze akte genoemde eerder verleden akte(n) van geldlening met hypotheekstelling aangaande het onderpand, dan wel uit hoofde van nog te verstrekken geldleningen, kredieten in rekening-courant dan wel uit welke hoofde ook, zulks tot een maximumbedrag van(…)
€ 296.500,00(…);
1. voldoening van de bedongen rente alsmede de eventueel later overeen te komen verhoging daarvan;
2. voldoening van alle boeten, kosten en rechten, schadevergoedingen en al hetgeen de schuldeiser verder uit hoofde van de lening van de schuldenaar te vorderen mocht hebben;
welke onder 1 en 2 bedoelde bedragen worden begroot op een totaalbedrag ad(…)
€ 118.600,00(…);
derhalve tot een totaalbedrag ad(…)
€ 415.100,00(…);
verleent de schuldenaar bij deze aan de schuldeiser,
die van de schuldenaar aanvaardt het recht van eerste hypotheek op het navolgende onderpand:(…)
het appartementsrecht plaatselijk bekend [adres 1] ,(…).”
2.2.
Vanwege betalingsachterstanden heeft de bank de hypothecaire geldlening opgeëist en de woning in [woonplaats 1] op 21 juni 2013 verkocht via een executieverkoop. Daarna bleef er een restschuld van circa € 130.000,00 over.
2.3.
Vanwege het uitblijven van volledige betaling van de restschuld heeft de bank op 26 november 2014 en op 20 augustus 2018 executoriaal derdenbeslag gelegd op de uitkering van [eiseres] .
2.4.
Bij vonnis van 13 maart 2019 is aan [naam 2] een schone lei verleend in het kader van de Wet schuldsanering natuurlijke personen (Wsnp).
2.5.
Omdat [eiseres] niet vrijwillig overging tot volledige afbetaling van de restschuld heeft de bank op 25 november 2020 executoriaal beslag gelegd op de woning van [eiseres] aan de [adres 2] (hierna: de woning).
2.6.
Tussen partijen is op verschillende momenten gecorrespondeerd over de mogelijkheid om een betalingsregeling te treffen. Daarnaast heeft de bank [eiseres] in de gelegenheid gesteld om haar woning zelf te verkopen dan wel om haar hypotheeklening bij haar huidige hypotheekhouder op te hogen om de restschuld te kunnen voldoen. Daarvan heeft [eiseres] geen gebruik gemaakt, reden waarom de bank heeft gezegd over te willen gaan tot executieverkoop.
2.7.
Omdat Quion 20 B.V. (hierna: Quion) het eerste recht van hypotheek heeft op de woning van [eiseres] , heeft zij op 9 mei 2025 de bank laten weten dat zij de executieverkoop wenst over te nemen. Deze executieverkoop is nog niet aangezegd.

3.Het geschil

3.1.
[eiseres] vordert om bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis:
I. primair, de bank te verbieden om de executieveiling van de woning in [woonplaats 2] voort te zetten of aan te vangen, totdat in een bodemprocedure onherroepelijk is beslist over de rechtsgeldigheid daarvan,
II. subsidiair, het door de bank gelegde executoriale beslag te schorsen dan wel op te heffen, totdat in een bodemprocedure een eindbeslissing is genomen,
III. meer subsidiair, te bepalen dat de aangekondigde executieveiling voor zes maanden wordt verboden, om [eiseres] in de gelegenheid te stellen de woning onderhands te verkopen ter beperking van schade en ter voorkoming van het ontstaan van een nieuwe restschuld,
IV. met veroordeling van de bank in de proceskosten, vermeerderd met de wettelijke rente.
3.2.
De bank voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Vaststaat dat [eiseres] een restschuld heeft uit hoofde van de door haar (en [naam 2] ) aangegane lening bij de bank. Die restschuld is tot op heden niet volledig afbetaald en om die reden heeft de bank executoriaal beslag op de woning gelegd en heeft zij laten weten dat zij de woning van [eiseres] wil verkopen. De bank heeft in beginsel het recht om tot executieverkoop over te gaan. De uitwinning van rechten kan worden verboden of geschorst indien de executant – mede gelet op de belangen aan de zijde van de geëxecuteerde die door de executie zullen worden geschaad – misbruik van recht maakt door daartoe over te gaan. Dat is de toets die in deze zaak voorligt en de voorzieningenrechter komt tot de conclusie dat daarvan geen sprake is. Zij zal de vorderingen van [eiseres] mede daarom afwijzen en licht dat hieronder toe.
4.2.
[eiseres] meent allereerst dat de grosse van de hypotheekakte uit 2007 geen executoriale titel oplevert voor een vordering tot betaling van de restschuld die niet meer door het in de hypotheekakte verstrekte hypotheekrecht wordt gedekt. Dat standpunt is onjuist. Een notariële akte kan onder voorwaarden ook een executoriale titel opleveren voor de na uitwinning van het hypotheekrecht ontstane restschuld. Daarvoor geldt dat het moet gaan om een vordering die op het tijdstip van het verlijden van de akte al bestond en in de akte is omschreven. Dat is hier het geval nu de restschuld waar het om gaat zijn grondslag vindt in de vordering die in de hypotheekakte staat en die gekoppeld is aan concrete bedragen (2.1) (vgl. ECLI:NL:HR:1992:ZC0646 en ECLI:NL:HR:2013:BY4889).
4.3.
Verder voert [eiseres] aan dat de aan [naam 2] verleende schone lei, waarmee de bank volgens haar heeft ingestemd, geldt als voldoening van zijn deel van de restschuld. Zij meent dat sprake is van een deelbare verbintenis als bedoeld in artikel 6:6 lid 1 BW en dat daarom zijn deel (50%) van de restschuld niet meer op [eiseres] verhaald kan worden. Ook hierin wordt [eiseres] niet gevolgd. In de hypotheekakte is expliciet opgenomen dat [eiseres] en [naam 2] hoofdelijk aansprakelijk zijn voor het door hen geleende bedrag. De schone lei ten behoeve van [naam 2] heeft slechts tot gevolg dat de bank niet meer bij hem terechtkan voor de restschuld. De schone lei heeft geen gevolgen voor [eiseres] en dat betekent dat de bank nog steeds bij haar terechtkan voor het volledige bedrag van de restschuld.
4.4.
Daarnaast stelt [eiseres] dat sprake is van overcreditering door de bank bij het verstrekken van de lening, gelet op onder andere het toenmalige inkomen van [eiseres] en [naam 2] , zijn studieschuld en het feit dat [eiseres] al over de woning in [woonplaats 2] beschikte bij het aangaan van de lening. Volgens haar had de bank de lening überhaupt niet mogen verstrekken. Ook hierin wordt [eiseres] niet gevolgd. De bank heeft toegelicht dat de studieschuld en de woning in [woonplaats 2] niet zijn opgegeven bij het aangaan van de lening, terwijl de bank wel naar die informatie heeft gevraagd. Van overcreditering is, gelet op de toen bekende gegevens van [eiseres] en [naam 2] , geen sprake. Dat [eiseres] en [naam 2] destijds bepaalde opgevraagde gegevens niet hebben gedeeld, kan niet voor rekening van de bank komen.
4.5.
Verder noemt [eiseres] nog dat zij de restschuld op termijn kan aflossen omdat zij compensatie verwacht in het kader van de toeslagenaffaire. Zij heeft echter niet voldoende onderbouwd dat die compensatie ook daadwerkelijk in het verschiet ligt en om welk bedrag het zou gaan. Het bedrag van € 30.000,00 dat in het kader van de eerste toets door gedupeerden is ontvangen, is niet aan haar toegekend. Daarmee is onvoldoende zeker of er een uitkering zal plaatsvinden en of de restschuld hiermee kan worden afgelost. Ook dit kan [eiseres] daarom niet baten.
4.6.
Gelet op voorgaande komt de voorzieningenrechter tot de conclusie dat geen sprake is van misbruik van recht. Daarbij geldt overigens ook dat niet de bank, maar Quion de executieveiling heeft overgenomen en om die reden vordering I en III al niet kunnen slagen. Ook is van belang dat [eiseres] door de bank al op verschillende momenten in de gelegenheid is gesteld om zelf tot onderhandse verkoop over te gaan of haar hypotheeklening op te hogen om de restschuld te kunnen voldoen. Daarvan heeft zij tot op heden geen gebruik gemaakt. Verder is van belang dat de executieverkoop door Quion nog niet is aangezegd en dat nog geen datum van verkoop is gepland. [eiseres] kan tot het moment dat de executie plaatsvindt de woning alsnog onderhands verkopen.
4.7.
Tot slot maakt een belangenafweging het bovenstaande niet anders. De bank heeft al voldoende rekening gehouden met de belangen van [eiseres] door haar de tijd te gunnen om zelf tot verkoop over te gaan of de restschuld op andere wijze te voldoen. Het beslag ligt immers al vijf jaar op de woning, zonder dat tot executie is overgegaan. De voorzieningenrechter wijst de gevraagde voorzieningen dan ook af.
4.8.
[eiseres] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de bank worden begroot op:
- griffierecht
714,00
- salaris advocaat
1.107,00
- nakosten
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.999,00

5.De beslissing

De voorzieningenrechter
5.1.
weigert de gevraagde voorzieningen,
5.2.
veroordeelt [eiseres] in de proceskosten van € 1.999,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [eiseres] niet tijdig aan de aanschrijving voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. L. Voetelink, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. K. Hogeman, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 11 december 2025. [1]

Voetnoten

1.Type: KH