Uitspraak
bRv. te voldoen aan de Griffier.
26 juni 1992.
Hoge Raad
In deze zaak stond centraal of de grosse van een authentieke hypotheekakte een executoriale titel oplevert zoals bedoeld in art. 436 (oud) Rv. De coöperatieve Rabobank had op basis van een hypotheekakte executoriaal beslag gelegd op een erfpachtsrecht van de wederpartij. Deze vorderde in kort geding opheffing van het beslag, hetgeen door de President van de Rechtbank en het Gerechtshof werd toegewezen en bekrachtigd.
De Hoge Raad overwoog dat de hypotheekakte weliswaar geldig was, maar dat de grosse van de akte alleen executoriale kracht kan hebben voor vorderingen die reeds bij het verlijden van de akte bestonden en daarin omschreven zijn. In deze zaak was de schuldvordering niet geconstateerd noch geconstitueerd in de akte, en het bestaan van de schuld bleek niet direct uit de akte. Hoewel de akte een bepaling bevatte dat de administratie van de bank als bewijs geldt voor de schuld, voldeed dit niet aan de vereisten voor executoriale titel.
De Hoge Raad bevestigde dat executoriale titel aan de grosse alleen toekomt indien de te executeren verbintenis in de akte zelf is aangeduid en omschreven. Omdat dat hier niet het geval was, leidde de grosse niet tot executoriale titel en kon het beslag niet worden gehandhaafd. Het beroep van de bank werd verworpen en zij werd veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De grosse van de authentieke hypotheekakte levert geen executoriale titel op, waardoor het executoriale beslag wordt opgeheven.