ECLI:NL:RBAMS:2025:10305

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
18 december 2025
Publicatiedatum
18 december 2025
Zaaknummer
11851466 \ CV EXPL 25-11535
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Tussenuitspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:230l BWArt. 6:230m lid 1 BWRichtlijn 93/13/EG
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ambtshalve toetsing consumentenrecht bij onbetaalde uitvaartfactuur en oneerlijke bedingen

Eisende partij, een uitvaartonderneming, vordert betaling van €3.000,- plus rente, buitengerechtelijke en proceskosten van gedaagde, die de factuur niet heeft voldaan. Gedaagde erkent de vordering, maar de rechtbank toetst ambtshalve het consumentenrecht vanwege de consumentstatus van gedaagde.

De rechtbank vraagt nadere toelichting over de plaats van het sluiten van de overeenkomst, omdat digitale ondertekening van de voorlopige kostenopgave niet past bij een overeenkomst gesloten in de verkoopruimte. Dit is relevant voor de toepasselijkheid van informatieplichten uit het consumentenrecht.

De algemene voorwaarden bevatten bedingen over rente, buitengerechtelijke kosten en proceskosten. De rente- en buitengerechtelijke kostenbedingen zijn niet oneerlijk, maar het proceskostenbeding wordt als oneerlijk aangemerkt omdat het alle gerechtelijke kosten op de consument afwentelt, wat volgens vaste jurisprudentie niet is toegestaan.

De rechtbank wijst de proceskosten af en verwijst de zaak naar de rol voor nadere uitlatingen van eisende partij over de plaats van sluiten van de overeenkomst en de informatieplichten. Gedaagde mag hierop reageren. De verdere beslissing wordt aangehouden.

Uitkomst: Proceskostenbeding wordt als oneerlijk aangemerkt en proceskosten worden afgewezen; verdere beslissing wordt aangehouden voor nadere toelichting.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 11851466 \ CV EXPL 25-11535
Vonnis van 18 december 2025
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
FC ENAME B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
eisende partij,
gemachtigde: GGN Mastering Credit Rotterdam,
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 11 augustus 2025, met producties.
1.2.
Gedaagde partij heeft de vordering erkend.
1.3.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De beoordeling

2.1.
Eisende partij vordert veroordeling van gedaagde partij tot betaling van € 3.000,00 aan hoofdsom, vermeerderd met rente, buitengerechtelijke kosten en proceskosten. Eisende partij stelt diensten te hebben verleend, bestaande uit het verzorgen van een uitvaart. De daarvoor verstuurde factuur heeft gedaagde partij niet betaald.
2.2.
Eisende partij is een handelaar. Gedaagde partij is een consument. In dat geval moet ambtshalve worden getoetst aan het consumentenrecht, ook als de vordering is erkend, zoals hier. Getoetst moet onder meer worden of eisende partij heeft voldaan aan de informatieplichten. Daarnaast moet de overeenkomst worden getoetst aan Richtlijn 93/13 EG (richtlijn oneerlijke bedingen).
2.3.
In het kader van de informatieplichten stelt eisende partij in de dagvaarding dat de overeenkomst is gesloten in de verkoopruimte en dat de informatie als bedoeld in artikel 6:230l BW mondeling is verstrekt. Deze (summiere) stelling dient eisende partij nader toe te lichten en te concretiseren.
2.4.
Eén van de redenen daarvoor is dat de kantonrechter ambtshalve ermee bekend is dat de meeste overeenkomsten als de onderhavige worden gesloten bij (de nabestaanden van) de overledene thuis. Los daarvan vermeldt de onderhavige overeenkomst meerdere locaties: Cremaere in Almere, Uitvaartcentrum Zuid in Amsterdam en Ename Uitvaartzorg in Mijdrecht, zodat moet worden toegelicht op welke locatie deze overeenkomst is gesloten. Verder wordt geconstateerd dat de voorlopige kostenopgave, daterend van dezelfde datum als de overeenkomst, digitaal is ondertekend door zowel Uitvaartcentrum Zuid als door gedaagde partij. Digitale ondertekening zou niet nodig zijn als de overeenkomst in de verkoopruimte van eisende partij was gesloten, zoals eisende partij stelt. Gelet op één en ander kan niet worden uitgesloten dat de informatieplichten van artikel 6:230m lid 1 BW van toepassing zijn. Eisende partij dient, in het licht van de hiervoor genoemde constateringen, dan ook gemotiveerd toe te lichten en te onderbouwen waar de overeenkomst is gesloten en waarom de voorlopige kostenopgave digitaal is ondertekend. Mocht blijken dat sprake is van een overeenkomst buiten de verkoopruimte of op afstand, dan dient eisende partij gemotiveerd te stellen op welke wijze zij heeft voldaan aan de daarvoor geldende informatieplichten.
2.5.
Nu de prijs op duidelijke en begrijpelijke wijze in de overeenkomst staat, is verdere toetsing van het prijsbeding aan de richtlijn niet aan de orde.
2.6.
Op de overeenkomst zijn algemene voorwaarden van toepassing verklaard. Hierin staan bedingen die aan bepaalde onderdelen van de vordering ten grondslag zijn of kunnen worden gelegd. Op grond van de arresten van het Europese Hof van Justitie van 27 januari 2021, C-229/19, ECLI:EU:C:2021:68 (Dexia) en 8 december 2022, C-625/21, ECLI:EU:C:2022:971 (Gupfinger) moet de kantonrechter ook als eisende partij zich in de procedure niet beroept op het toepasselijke beding, maar op de wet, ambtshalve onderzoeken of het beding in de voorwaarden waarop zij zich had kunnen beroepen niet oneerlijk is in de zin van de richtlijn. Indien een beding als oneerlijk wordt aangemerkt, kan ingevolge deze arresten geen aanspraak meer worden gemaakt op de wettelijke regeling die zonder dat beding van toepassing zou zijn geweest en moet haar vordering op dit punt worden afgewezen.
2.7.
In de algemene voorwaarden staan bedingen over rente, buitengerechtelijke kosten en gerechtelijke kosten (proceskosten).
2.8.
De bedingen over rente (artikel 10 onder Pro c) en over buitengerechtelijke kosten (artikel 10 onder Pro d) zijn getoetst en niet oneerlijk bevonden, omdat ze voor consumenten verwijzen naar en aansluiten bij de wettelijke regelingen te dien aangaande.
2.9.
Het beding over gerechtelijke kosten (artikel 10 onder Pro e) luidt:
“Blijft betaling ook na voornoemde buitengerechtelijke incassohandelingen uit, zodat Ename genoopt is een gerechtelijke procedure te starten, dan komen alle gerechtelijke kosten voor rekening van de opdrachtgever, waaronder de kosten in rekening gebracht door externe deskundigen, gemachtigden en/of advocaten.”
2.10.
Dit beding wordt als oneerlijk aangemerkt. Het beding over gerechtelijke kosten geeft eisende partij de mogelijkheid om alle door haar gemaakte kosten in rechte bij de consument in rekening te brengen. Dus ook de volledige kosten van bijvoorbeeld een advocatenkantoor. Dat is normaal gesproken slechts voorbehouden aan zeer bijzondere omstandigheden, zoals misbruik van recht. Een beding op grond waarvan alle gerechtelijke kosten bij de consument in rekening kunnen worden gebracht is als oneerlijk aan te merken. Dat is door de Hoge Raad bevestigd (ECLI:NL:HR:2025:820).
2.11.
Ondanks dat de Hoge Raad in het aangehaalde arrest de vraag over de gevolgen van een oneerlijk proceskostenbeding op zijn beurt heeft gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie, is de kantonrechter voornemens de proceskosten af te wijzen, gelet op artikel 6 lid 1 van Pro Richtlijn 93/13/EG en de vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie over de ‘terugvalleer’ (o.a. ECLI:EU:C:2021:68 en ECLI:EU:C:2022:971).
2.12.
Eisende partij mag zich hierover uitlaten.
2.13.
De zaak wordt voor akte uitlating door eisende partij over het bepaalde in overwegingen 2.3, 2.4 en 2.12 verwezen naar de rol.
2.14.
Gedaagde partij mag daarna op de akte van eisende partij reageren. Eisende partij wordt opgedragen de door haar te nemen akte gelijktijdig aan gedaagde partij te sturen.
2.15.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

3.De beslissing

De kantonrechter
3.1.
verwijst de zaak naar de rol van
donderdag 15 januari 2026 om 10.00 uurvoor het nemen van een akte door eisende partij,
3.2.
bepaalt dat gedaagde partij op de rol van vier weken daarna op de akte van eisende partij mag reageren,
3.3.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. E. Pennink en in het openbaar uitgesproken op 18 december 2025.
991