Uitspraak
1.De prejudiciële procedure
2.Uitgangspunten en feiten
3.Beantwoording van de prejudiciële vragen
4.Beslissing
23 mei 2025.
Hoge Raad
De zaak betreft een prejudiciële beslissing van de Hoge Raad over de vraag of een proceskostenbeding in een huurovereenkomst tussen een verhuurder en consument oneerlijk is in de zin van Richtlijn 93/13/EEG. Het beding bepaalt dat de huurder alle gerechtelijke kosten moet betalen bij tekortkoming.
De kantonrechter had het beding voor buitengerechtelijke kosten oneerlijk verklaard en het proceskostenbeding voorlopig ook als oneerlijk aangemerkt, met het oordeel dat de huurder daardoor niet in proceskosten kan worden veroordeeld. De Hoge Raad bevestigt dat het beding in het algemeen oneerlijk is omdat het het wettelijke evenwicht van proceskostenveroordeling wegneemt en de consument daardoor onredelijk benadeelt.
De Hoge Raad overweegt dat het verbod op oneerlijke bedingen inhoudt dat de rechter niet mag terugvallen op aanvullend nationaal recht om het beding te vervangen. Echter bestaat twijfel of dit ook geldt voor de proceskostenveroordeling op grond van nationaal procesrecht na vernietiging van het beding. Daarom stelt de Hoge Raad een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie van de Europese Unie over de verenigbaarheid hiervan met Richtlijn 93/13.
De Hoge Raad beantwoordt de eerste vraag bevestigend en houdt de tweede vraag aan, waarbij partijen gelegenheid krijgen zich uit te laten. De beslissing is genomen door vijf raadsheren en in het openbaar uitgesproken door een raadsheer op 23 mei 2025.
Uitkomst: Het proceskostenbeding is in het algemeen oneerlijk en wordt vernietigd; de vraag over proceskostenveroordeling na vernietiging wordt voorgelegd aan het HvJEU.