ECLI:NL:RBAMS:2025:10332

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
12 december 2025
Publicatiedatum
19 december 2025
Zaaknummer
13/286588-21
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Handel in cocaïne en gewoontewitwassen in het kader van opsporingsonderzoek naar SkyECC

In deze zaak, die voortvloeit uit het opsporingsonderzoek ‘Werl’ naar SkyECC, werd de verdachte beschuldigd van handel in cocaïne en gewoontewitwassen. De verdachte, die de gebruiker was van het SkyECC-account CROFM7, heeft bekend betrokken te zijn geweest bij de handel in cocaïne. Bij een huiszoeking werd 8 kilo cocaïne aangetroffen. De rechtbank achtte bewezen dat de verdachte samen met anderen zich schuldig heeft gemaakt aan het handelen in en voorhanden hebben van in totaal 39 kilo cocaïne, alsook aan het witwassen van geldbedragen. De officier van justitie eiste een gevangenisstraf van 48 maanden, maar de rechtbank legde een gevangenisstraf op van 30 maanden, waarvan 24 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, en een taakstraf van 480 uur. De rechtbank hield rekening met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en de overschrijding van de redelijke termijn. De verdachte had zich sinds de schorsing van de voorlopige hechtenis positief ontwikkeld en de rechtbank vond het niet passend om een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen die langer was dan de tijd die de verdachte in voorarrest had doorgebracht.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Strafrecht
Parketnummer: 13/286588-21
Datum uitspraak: 12 december 2025
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 1989 in [geboorteplaats] ,
ingeschreven en wonende op het adres [adres] .

1.Samenvatting

Deze zaak is een van de vele zaken die is voortgevloeid uit opsporingsonderzoek ‘Werl’ naar SkyECC, een bedrijf dat een versleuteldeberichtendienst aanbood, en het onderzoek ‘Argus’ dat zich op de gebruikers van de encryptiesoftware van SkyECC richtte. [1]
Op basis van de inhoud van de berichten die door de gebruiker van het SKYECC-account [SkyECC-account 1] zijn verstuurd en ontvangen, is de verdenking ontstaan dat deze gebruiker zich samen met anderen heeft beziggehouden met handel in cocaïne, het verrichten van voorbereidingshandelingen voor de handel in cocaïne en het witwassen van geldbedragen. Er is bij de verdachte thuis 8 kilo cocaïne aangetroffen. De verdachte heeft bekend dat hij de gebruiker is geweest van het SkyECC-account [SkyECC-account 1] . Hij heeft verklaard dat hij berichten heeft verstuurd die gingen over de handel in cocaïne. Naar eigen zeggen was hij een tussenpersoon tussen aanbieders en kopers van cocaïne en verdiende hij daar geld mee.
De rechtbank acht bewezen dat de verdachte zich samen met anderen heeft schuldig gemaakt aan het handelen en voorhanden hebben van in totaal 39 blokken/kilo cocaïne, het verrichten van voorbereidingshandelingen voor de handel in cocaïne en geldbedragen heeft witgewassen.
De (voor de verdachte) belangrijkste vraag is welke straf de verdachte krijgt opgelegd. De officier van justitie heeft een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 48 maanden (4 jaar) met aftrek van voorarrest gevorderd. De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 30 maanden met aftrek van voorarrest waarvan 24 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. Zij legt de verdachte daarnaast een taakstraf van 480 uur op. Als de verdachte die straf niet goed uitvoert, moet hij 8 maanden vervangende hechtenis ondergaan. Naast het tijdsverloop en de overschrijding van de redelijke termijn, heeft de rechtbank hierbij de persoon van de verdachte, zijn persoonlijke omstandigheden en de positieve ontwikkeling die de verdachte heeft laten zien sinds de schorsing van de voorlopige hechtenis zwaar laten meewegen.
2.
Onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 28 november 2025.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. A.M. Lobregt, en van de wat de verdachte en zijn raadsman, mr. J-H.L.C.M Kuijpers, naar voren hebben gebracht.

3.Tenlastelegging

Aan de verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich in de periode van 7 juli 2020 tot en met 22 november 2021 heeft schuldig gemaakt aan het medeplegen van
het opzettelijk verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren althans voorhanden hebben van in totaal 39 blokken/kilo cocaïne;
voorbereidingshandelingen voor de handel van in totaal ruim 300 blokken/kilo cocaïne;
(gewoonte)witwassen van geldbedragen waaronder 9.100 euro, 303.250 euro en 34.500 euro.
De tenlastelegging staat in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

4.Waardering van het bewijs

Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het medeplegen van
het verkopen en voorhanden hebben van 39 blokken/kilo cocaïne in de periode van 17 november 2020 tot en met 22 november 2021;
voorbereidingshandelingen voor de handel in ruim 300 blokken/kilo cocaïne in de periode van 7 juli 2020 tot en met 21 februari 2021;
witwassen van 9.100 euro op 14 december 2020 en 303.250 euro op 16 februari 2021.
De officier van justitie heeft gevorderd de verdachte van het ten laste gelegde witwassen van 34.500 euro vrij te spreken.
Standpunt van de verdediging
De raadsman van de verdachte heeft ten aanzien van het bewijs geen opmerkingen gemaakt.
Oordeel van de rechtbank
Handel in en bezit van kilo’s cocaïne en voorbereidingshandelingen handel cocaïne
De rechtbank heeft op grond van de SkyECC-berichten die de gebruiker van het SkyECC-account [SkyECC-account 1] heeft verstuurd, de (bekennende) verklaring van de verdachte dat hij de gebruiker van het desbetreffende SkyECC-account was en dat de berichten die hij verstuurd en ontvangen heeft over de handel in (blokken/kilo’s) cocaïne gaan, alsmede dat er op 22 november 2021 bij de verdachte thuis blokken cocaïne zijn aangetroffen en het laboratoriumrapport waaruit blijkt dat het om cocaïne ging, de overtuiging gekregen dat de verdachte de hem onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan.
Ten aanzien van de voorbereidingshandelingen voor de handel in 96 en 100 blokken cocaïne, overweegt de rechtbank in het bijzonder het volgende.
De verdachte heeft berichten verstuurd dat hij een ‘klant voor 100’ had en dat hij ‘96 collos’ had. De verdachte heeft ter zitting verklaard dat het zou kunnen dat hij die hoeveelheden heeft genoemd, maar dat hij nooit dergelijke hoeveelheden voorhanden heeft gehad en daar ook niet in heeft gehandeld of de intentie daartoe had. Hij deed zich bij het noemen van dergelijke hoeveelheden naar eigen zeggen groter voor dan hij kon waarmaken om voet aan de grond te krijgen in de drugshandel en interessant gevonden te worden.
‘Heb klant voor 100’
De gebruiker van het SkyECC-account [SkyECC-account 2] heeft op 7 juli 2020 in de chatgroep [chatgroep] , waarin ook [SkyECC-account 1] (de verdachte) en [persoon 1] zaten, laten weten: ‘Toevallig wordt het me wat aangeboden maar vind te hoog eerlijke’. De verdachte reageerde hierop met ‘Weke en prijs’ en ‘Kan altijd effe checken bro’. [SkyECC-account 2] antwoordde met ‘Duur broze vragen mijn 30.5’. De verdachte reageerde met ‘Willen ze niet wat zakken ?’en ‘Heb klant voor 100.’ [SkyECC-account 2] heeft hierop gereageerd met ‘kan vragen bro aan die vriend’ en dat hij het straks laat weten. De verdachte heeft vervolgens geïnformeerd naar welk stempel erop staat.
De rechtbank leidt uit deze en de daarop volgende berichten af dat de gebruiker van het SkyECC-account [SkyECC-account 2] een partij verdovende middelen heeft aangeboden. De verdachte heeft hierop gereageerd met de boodschap dat hij een klant heeft voor 100 (blokken). Nadat [SkyECC-account 2] heeft bericht dat de partij die hij aangeboden kreeg vermoedelijk 80 stuks betreft, en hij daar zelf 15 van wil, heeft de verdachte geantwoord dat het goed is: ‘Alles pakken als de klant akkoord gaat met handel en de prijs.’
De rechtbank is van oordeel dat de door de verdachte gevoerde chatgesprekken – gelet op de inhoud daarvan – zijn te kwalificeren als voorbereidingshandelingen in de zin van artikel 10a van de Opiumwet. Het is de deelnemers van de chatgroep kennelijk duidelijk wat gezegd en gevraagd wordt. Door zijn opmerking dat hij een klant voor 100 blokken/kilo had, heeft de verdachte, ook als het hier slechts om grootspraak zou gaan, in gang gezet dat een deal van 100 kilo cocaïne werd voorbereid. Immers, door bij derden in elk geval de indruk te wekken dat hij iemand weet die 100 kilo wil afnemen, heeft de verdachte (op zijn minst voorwaardelijk) opzet gehad op het bevorderen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10, vierde en vijfde lid van de Opiumwet.
‘96 collos’
De verdachte heeft op 3 december 2020 van 16.03 uur tot 16.11 uur de gebruiker van het SkyECC-account [SkyECC-account 3] achtereenvolgend bericht:
  • ‘Heb 96 collos’;
  • ‘32.25’;
  • ‘Is met davidster der op’;
  • ‘Wacht op goeie foto’
De rechtbank begrijpt dat de verdachte aangeeft dat hij 96 blokken/kilo’s cocaïne uit Colombia heeft met een stempel van een davidster erop en dat die blokken 32.250 euro per stuk kosten.
De rechtbank merkt op dat de gebruiker van het SkyECC-account [SkyECC-account 3] geen onbekende van de verdachte was. Op 18 november 2020 heeft de verdachte aan de gebruiker van dat account bericht dat hij ‘collos’ heeft en dat hij er ‘32.5’ voor moet hebben, ‘31.25 op aantallen’ en dat hij ‘bollis bij de hand heeft’, waarna hij heeft gevraagd of [SkyECC-account 3] er niks mee kan. Op 1 december 2020 heeft de verdachte aan [SkyECC-account 3] bericht: ‘Heb zelf nog 5 coalas liggen geef me momentje ga ik vragen wat er nog ligt’.
De rechtbank is – gelet op de inhoud van deze berichten – van oordeel dat de verklaring van de verdachte dat hij zich op 3 december 2020 groter heeft voorgedaan dan hij kon waarmaken om voet aan de grond te krijgen, niet geloofwaardig. Immers uit deze berichten volgt dat de verdachte voorafgaand hieraan al zaken met [SkyECC-account 3] deed. De rechtbank overweegt voorts dat zelfs als zou worden uitgegaan van de juistheid van deze verklaring van de verdachte, dat dan nog geldt – zoals hierboven is overwogen – dat op zijn minst sprake is van voorwaardelijk opzet op het bevorderen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10, vierde lid van de Opiumwet. De verdachte heeft in dat geval, door te berichten dat hij ‘96 collos’ met een ‘Davidster’ erop voor ‘32.25’ had, immers doelbewust bij derden de indruk gewekt dat hij daadwerkelijk beschikte over een dergelijke hoeveelheid cocaïne en heeft daarbij een (kilo)prijs genoemd. De verdachte heeft door het verschaffen van die informatie minst genomen bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat hierdoor werd bevorderd dat een ander of anderen met die informatie op zoek zouden gaan naar potentiële afnemers of de cocaïne zelf zouden willen kopen. Dat de verdachte mogelijk uiteindelijk niet zou kunnen leveren, neemt niet weg dat sprake is van voorbereidingshandelingen als bedoeld in artikel 10a van de Opiumwet aangezien het trachten te bewegen een geheel zelfstandig misdrijf is.
Witwassen
De rechtbank oordeelt dat bewezen is dat de verdachte in de ten laste gelede periode samen met een ander of anderen een gewoonte van witwassen van geldbedragen heeft gemaakt. Zij acht niet bewezen dat het geldbedrag (34.500 euro) dat bij de verdachte thuis is aangetroffen van misdrijf afkomstig is.
Vrijspraak witwassen 34.500
Bij de verdachte thuis is op 22 november 2021 34.500 euro aangetroffen, onder meer in coupures van 200 euro. Het geld zat in een plastic Albert Heijn-tas die in een bureau in de woonkamer lag en was niet ergens veilig opgeborgen in bijvoorbeeld een kluis. In Nederland kunnen geen 200 eurobiljetten worden gepind. In de woning van de verdachte is diezelfde dag ook 8 kilo cocaïne gevonden. Een en ander rechtvaardigt het vermoeden dat het geld van misdrijf afkomstig is en dat sprake is van witwassen.
De verdachte heeft een verklaring gegeven dat het geld niet van misdrijf afkomstig is. Hij heeft verklaard dat hij geld heeft geleend van zijn zus en schoonzus voor de aanschaf van een vrachtwagen en hij heeft de gegevens van zijn zus en schoonzus verstrekt. De verdachte heeft voor de aanwezigheid van de biljetten van 200 euro als verklaring gegeven dat hij af en toe met een deel van het geleende geld (in een Turks café) gokte en hij die biljetten bij het gokken in zijn bezit heeft gekregen. De rechtbank is van oordeel dat verdachte hiermee een concrete, verifieerbare en op voorhand niet hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft gegeven dat het geld niet van misdrijf afkomstig is.
Naar aanleiding van deze verklaring heeft nader onderzoek plaatsgevonden. De zus en schoonzus van verdachte zijn op verzoek van de verdediging door de rechter-commissaris als getuigen gehoord. De zus van de verdachte heeft toen verklaard dat zij rond oktober 2021 de verdachte 15.200 euro (contant) heeft geleend omdat hij zei dat hij een opleiding voor vrachtwagenchauffeur aan het volgen was, voor zichzelf wilde beginnen en een vrachtwagen wilde kopen. De schoonzus van de verdachte heeft toen verklaard dat zij begin november 2021 de verdachte 19.200 euro heeft geleend omdat hij een vrachtwagen wilde kopen. Het ging om 50 en 20 eurobiljetten. De politie heeft naar aanleiding van de verklaringen van de zus en de schoonzus van de verdachte onderzoek gedaan naar hun financiële situatie. Hieruit is naar voren gekomen dat beiden rond oktober/november 2021 over de door hen genoemde geldbedragen contant zouden kunnen hebben beschikt. Gelet op de uitkomsten van dit (nadere) onderzoek kan niet worden geoordeeld dat het niet anders kan zijn dan het geldbedrag uit enig misdrijf afkomstig is.
De verdachte wordt dan ook van dit onderdeel van de tenlastelegging vrijgesproken.
Witwassen 9100 en 305.250 euro
De verdachte heeft op 13 december 2020 aan de gebruiker van SkyECC-account [SkyECC-account 4] een foto gestuurd waarop 11 blokken te zien zijn. Hij berichtte vervolgens ‘plus je hebt al 1 is 12’. Hij heeft daarna laten weten ‘zeg me als je der bent ga daar niet stil staan bro’. [SkyECC-account 4] heeft vervolgens een bericht gestuurd dat hij eraan komt. De volgende ochtend heeft de verdachte bericht dat ‘der (…) 900 tekort [is] bij de pAp van 11’. Hij heeft vervolgens een foto van een display gestuurd waarop € 9.100 staat en daarna een foto met bundels geld en het bericht ‘1 bundel van 10 k zat 9100 in’. Uit het vervolg van de berichten blijkt dat de verdachte vraagt om 900 euro.
De rechtbank leidt hieruit af dat de verdachte op 13 en 14 december 2020 bundels geldbiljetten voorhanden heeft gehad en dat in elke bundel 10.000 euro zat of zou moeten zitten en dat dit het geld is betaald voor een partij van 11 blokken cocaïne. In een van de bundels zat geen 10.000 euro maar 9.100 euro.
De verdachte heeft op 15 februari 2021 met de gebruiker van het SkyECC-account [Sky-ECC-account 5] gechat over een levering van ‘11 stuks’ in Diemen. Uit de berichten volgt dat de levering de volgende dag heeft plaatsgevonden en dat er direct is betaald. De gebruiker van het account [Sky-ECC-account 5] heeft immers bericht ‘Pap is ook meteen dus als kan kan hij wachten’. De verdachte heeft hierop te kennen gegeven dat dat ‘geen probleem’ is. Hij heeft later door middel van een screenshot van een bericht van ene ‘ [naam] ’ laten weten dat er ‘305.250’ was gegeven en dat dit 4400 teveel was.
De rechtbank is van oordeel dat uit de berichten die zijn verstuurd blijkt dat de verdachte samen met een ander de genoemde geldbedragen voorhanden heeft gehad en dat het hier om geld gaat dat uit de handel in cocaïne en dus uit misdrijf afkomstig is.
Uit de berichten die de verdachte heeft gestuurd en ontvangen, blijkt dat hij de in de tenlastelegging genoemde bedragen voorhanden heeft gehad. De verdachte heeft verklaard dat hij aanbieders van cocaïne in contact bracht met (potentiële) afnemers en dat hij daar als tussenpersoon tussen zat en bij een deal telkens 250 euro per kilo rekende. Het geld dat hij ontving was dus niet voor hemzelf maar voor de verkoper van de cocaïne aan wie de verdachte het geld moest afdragen. Hij pakte daarvan het deel dat voor hem was. De verdachte heeft verder verklaard dat hij van zijn verdiensten heeft geleefd.
De rechtbank concludeert dat de geldbedragen die de verdachte heeft verworven of voorhanden heeft gehad onmiddellijk afkomstig waren uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf en dat niet alleen sprake was van het verwerven of voorhanden hebben, maar ook van het overdragen van het geld en/of ervan gebruikmaken en er dus sprake is van witwassen.
Gelet op de aard en het aantal gedragingen, de lange periode waarbinnen verdachte deze heeft verricht en de nauwe en bewuste samenwerking van de verdachte met anderen, kan ook worden bewezen dat de verdachte van het medeplegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt.

5.Bewezenverklaring

De rechtbank verklaart op grond van de bewijsmiddelen bewezen dat de verdachte de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan met dien verstande dat
1. hij op tijdstippen gelegen in de periode van 17 november 2020 tot en met 22 november 2021 te Amsterdam en/of Diemen, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), telkens opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of vervoerd
  • 4 blokken cocaïne en
  • 11 blokken cocaïne en
  • 1 blok cocaïne en
  • 4 blokken cocaïne en
  • 11 blokken cocaïne;
en
op 22 november 2021 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk aanwezig heeft gehad:
  • 4 blokken cocaïne (aangetroffen in een grijze JD-tas) en
  • 2 blokken cocaïne (aangetroffen in een gele Jumbo-tas) en
  • 2 blokken cocaïne (aangetroffen in een blauwe Action-tas);
2. hij op tijdstippen gelegen in de periode van 7 juli 2020 tot en met 21 februari 2021 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren, van hoeveelheden van een materiaal bevattende cocaïne, waaronder
  • 100 blokken cocaïne en
  • 10 blokken cocaïne en
  • 5 blokken cocaïne en
  • 96 blokken cocaïne en
  • 1 blok en 18 blokken en 30 blokken cocaïne en
  • 1 blok en 17 blokken cocaïne en
  • 4 blokken en 12 blokken en 15 blokken cocaïne,
voor te bereiden en/of te bevorderen,
  • telkens een of meer anderen heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen en
  • telkens zich of een of meer anderen gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen en
  • telkens een of meer voorwerpen en/of (een) vervoermiddel(en) en/of een stof en gelden voorhanden heeft gehad, waarvan hij en/of zijn mededader(s) wist(en), dat die bestemd waren tot het plegen van dat feit,
immers heeft/hebben hij, verdachte en/of een of meer van zijn mededaders, telkens opzettelijk daartoe
  • een (crypto)telefoon met IMEI nummer [IMEI-nummer] voorhanden gehad en
  • op die telefoon een Sky-chatapplicatie geïnstalleerd en gebruikt en
  • als gebruiker van de Sky-ID [SkyECC-account 1] op de Sky-applicatie een groepschat(s) aangemaakt en/of aan (een) groepschat(s) deelgenomen die vrijwel uitsluitend betrekking heeft/hebben op de (internationale) handel in verdovende middelen en
  • als gebruiker van de Sky-ID [SkyECC-account 1] op de Sky-applicatie gesprekken en besprekingen gevoerd met een of meer ander(en) over verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren van handelshoeveelheden verdovende middelen en
  • als gebruiker van de Sky-ID [SkyECC-account 1] op de Sky-applicatie gesprekken en besprekingen gevoerd met betrekking tot de prijs van de verdovende middelen en/of de levering en/of het ophalen van de hiervoor te betalen geldbedragen en
  • als gebruiker van de Sky-ID [SkyECC-account 1] op de Sky-applicatie een of meer foto’s van een of meer hoeveelheden verdovende middelen gemaakt en/of laten maken en/of ontvangen en
  • vervolgens die foto’s van die hoeveelheden verdovende middelen verzonden en/of doorgestuurd naar een of meer anderen en
  • als gebruiker van de Sky-ID [SkyECC-account 1] op de Sky-applicatie een of meer gesprekken en/of besprekingen gevoerd met een of meer anderen over verschillende stempels op een of meer blokken verdovende middelen en/of over de kwaliteit van die blokken verdovende middelen;
3. hij op tijdstippen gelegen in de periode van 7 juli 2020 tot en met 22 november 2021 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), telkens een voorwerp, te weten geldbedragen, waaronder onder meer:
  • 9.100,- euro en
  • 305.250,- euro en
heeft verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet en/of van een of meer van die voorwerpen heeft gebruikgemaakt, terwijl hij, verdachte, telkens wist, dat die voorwerpen – onmiddellijk of middellijk – afkomstig waren uit enig misdrijf, en verdachte, tezamen en in vereniging met zijn mededader(s), van het plegen van dit feit een gewoonte heeft gemaakt.

6.Bewijs

De bewijsmiddelen staan in bijlage II. De rechtbank stelt vast dat sprake is van een verdachte die duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste volzin, van het Wetboek van Strafvordering. De verdediging heeft geen vrijspraak bepleit. Op grond van artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering wordt daarom volstaan met een opgave van de gebruikte bewijsmiddelen.

7.De strafbaarheid van de feiten

De bewezen verklaarde feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 47 en 420ter van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 10, 10a van de Opiumwet. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
Het bewezenverklaarde levert volgens de wet respectievelijk de volgende strafbare feiten op:
1. medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd
en
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;
2. medeplegen van om een feit als bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, een ander trachten te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen of uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn of om daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen te verschaffen, en zich of een ander gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen, en voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen en gelden voorhanden hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit, meermalen gepleegd;
3. medeplegen van het plegen van witwassen een gewoonte maken.

8.De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dan ook strafbaar.

9.Motivering van de straffen

Eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 48 maanden met aftrek van voorarrest. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat de schorsing van de voorlopige hechtenis van de verdachte bij vonnis wordt opgeheven.
De officier van justitie heeft haar eis als volgt (samengevat) onderbouwd. De verdachte heeft zich samen met anderen gedurende een periode van meer dan een jaar intensief met de handel in verdovende middelen beziggehouden. De verdachte en zijn medeverdachten maakten gebruik van dure cryptotelefoons van SkyECC. Algemeen bekend is dat deze telefoons hoofdzakelijk voor criminele communicatie werden gebruikt. De verdachte heeft met zijn handelen een substantiële en wezenlijke bijdrage aan de georganiseerde drugshandel geleverd. Door drugshandel komt de volksgezondheid in het geding en wordt de samenleving op kosten gejaagd, zowel vanwege de zorg voor gebruikers en verslaafden als vanwege de criminaliteit die drugshandel meebrengt. Er gaan grote geldbedragen om in deze handel en de belangen van individuen zijn daardoor groot, wat gepaard gaat met vuurwapen- en explosiegeweld, waaronder schietpartijen in drukke gebieden en explosies bij woningen. Er is rekening gehouden met de ernst van de feiten, de persoonlijk omstandigheden van de verdachte, straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd en de richtlijnen van het Openbaar Ministerie. De redelijke termijn is overschreden waardoor de eis 6 maanden lager uitvalt.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht de verdachte geen gevangenisstraf op te leggen die langer is dan de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. De raadsman heeft erop gewezen dat de verdachte om clementie vraagt. De verdachte heeft bekend, heeft spijt en heeft een positieve wending aan zijn leven gegeven. De samenleving zal het begrijpen als de verdachte niet terug hoeft naar de gevangenis. Een gevangenisstraf zou niet alleen de verdachte maar ook veel mensen in zijn omgeving, zoals zijn partner en hun kinderen, schaden en zou geen recht doen aan de zaak en de persoon van de verdachte.
Oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van de straffen, waaronder een vrijheidsbenemende straf, en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft gedurende ruim een jaar in (kilo’s) cocaïne gehandeld. Hij bracht aanbieders van cocaïne in contact met (potentiële) kopers en omgekeerd. De handel en het gebruik van cocaïne brengt allerlei vormen van criminaliteit en overlast mee. Zoals de officier van justitie terecht heeft opgemerkt, wordt het geweld dat onlosmakelijk met de drugshandel lijkt te zijn verbonden steeds extremer; explosies bij woningen zijn aan de orde van de dag en de liquidaties die de laatste jaren hebben plaatsgevonden hebben niet zelden een verband met de drugshandel. Er zijn overigens geen aanwijzingen dat de verdachte zich zelf schuldig heeft gemaakt aan dergelijk geweld.
LOVS-oriëntatiepunten
De rechtbank heeft als uitgangspunt voor een straf gekeken naar de oriëntatiepunten voor straftoemeting die strafrechters met elkaar hebben afgesproken, de zogenoemde LOVS-oriëntatiepunten. [2] Ten aanzien van de handel in harddrugs (het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod) hebben de oriëntatiepunten als vertrekpunt bij een hoeveelheid van meer dan 20 kilo een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 50 maanden of meer.
Voorlopige hechtenis
De verdachte is op 22 november 2021 in verzekering gesteld en op 24 november 2021 is zijn voorlopige hechtenis bevolen. De raadsman van de verdachte heeft op de pro-formazitting van 24 mei 2022 verzocht de voorlopige hechtenis van de verdachte te schorsen. Hij heeft daarbij gewezen op de houding van de verdachte en opgemerkt dat de verdachte spijt heeft van wat hij heeft gedaan. De raadsman heeft toen verder aangevoerd dat de verdachte in elk geval nooit meer met strafbare feiten in aanraking wil komen en dat hij met zijn oom via een stichting jongeren wil proberen uit te leggen dat ze niet het criminele pad op moeten gaan en hoe ze dat moeten voorkomen. De raadsman heeft voorts aangevoerd dat de verdachte kan gaan werken als vrachtwagenchauffeur en dat hij ook voor zijn gezin wil gaan zorgen en dat zijn gehandicapte dochter sterk aan haar vader hangt en dat zijn andere dochter het ook zwaar heeft met het feit dat ze haar vader vanwege zijn detentie moet missen. De rechtbank heeft vervolgens de voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van 25 mei 2022 geschorst. Zij heeft daarbij de hoop en verwachting uitgesproken dat de verdachte zijn voornemens (werken als vrachtwagen chauffeur, werken voor de stichting, het zorgen voor zijn gezin/kinderen) in de praktijk zal brengen en dat hij zich niet opnieuw met strafbare feiten zal inlaten. De verdachte heeft dus ruim een half jaar (van 22 november 2021 tot 25 mei 2022) in voorarrest gezeten. Daarna heeft hij zo’n drieënhalf jaar moeten wachten voordat de zaak inhoudelijk is behandeld.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft gehoord wat de verdachte bij zijn laatste woord heeft verteld over zijn twee jonge dochters die te kampen hebben met psychische klachten en hun vader nodig hebben. De verdachte heeft gezegd dat hij zich schaamt dat hij zijn vrouw en kinderen dit alles heeft aangedaan en dat hij het verleden niet kan veranderen, maar de toekomst wel, en dat hij hoopt dat hij een kans krijgt om die toekomst waar te maken. De rechtbank heeft verder kennisgenomen van de brief van de verdachte met bijlagen waarin hij heeft beschreven wat er sinds 21 november 2021 met hem en zijn gezin is gebeurd en hoe hem dit ertoe heeft bewogen om zijn leven te beteren. Uit die brief en bijlagen blijkt onder meer het volgende.
De verdachte heeft zichzelf, op aanraden van de psycholoog van zijn kinderen, aangemeld voor behandeling bij De Waag. De poliklinische behandeling is gestart op 28 november 2022. De verdachte heeft de forensische behandeling met goed gevolg afgerond. Het recidiverisico wordt als laag ingeschat.
De verdachte heeft van 14 mei 2023 tot 1 november 2024 meegewerkt als ondersteuning binnen het weekendonderwijs van [stichting 1] . [3] [persoon 2] heeft namens de directie Voorbereidend Volwassenen Onderwijs (puberonderwijs) verklaard dat de verdachte zich positief, serieus en verantwoord heeft ontwikkeld en dat zijn houding en gedrag duidelijk aantonen dat hij zijn leven in goede banen heeft weten te leiden. [directeur/bestuurder] , directeur/bestuurder van de [stichting 2] [4] heeft geschreven dat de verdachte daar in 2023 als ervaringsdeskundige is begonnen. De verdachte zal daar vanaf 3 januari 2026 in het kader van zijn opleiding tot sociaal werker 4 dagen per week als stagiair aan de slag zal gaan en een actieve rol vervullen in outreachend werk, groepsbijeenkomsten leiden en workshops geven, waarin hij zijn persoonlijke verhaal deelt en jongeren motiveert om positieve stappen te zetten in hun eigen leven. De verdachte is naar aanleiding van zijn werk bij [stichting 2] in contact gekomen met [directeur] , directeur van de Universiteit van de Straat. [5] Laatstgenoemde heeft in zijn referentieverklaring van 8 november 2025 geschreven dat de verdachte heeft opgetreden als vaste gastspreker binnen verschillende jongerenprogramma’s die als doel hebben jongeren inzicht te geven in de aanzuigende werking van criminaliteit en aan hen perspectief te bieden op het vergroten van hun kansen op een positieve maatschappelijke carrière, juist vanuit een achterstandspositie. [bestuurder] , bestuurder van [stichting 3] (benutten van onbenutte kansen) [6] bij welke stichting de verdachte via de Universiteit van de Straat en haar programma in samenwerking met de gemeente Amsterdam is binnengekomen, heeft laten weten dat de verdachte daar vrijwilligerswerk heeft verricht. Hij omschrijft de verdachte als een zeer betrokken en oprechte ervaringsdeskundige die heeft laten zien verantwoordelijkheid te nemen, naar zichzelf te kijken en actief met zijn toekomst bezig te zijn.
Naast dit alles heeft verdachte betaald werk gevonden als zzp’er (vloerenlegger) waarmee hij inkomen genereert om in de kosten van levensonderhoud van zijn gezin te voorzien en heeft hij vakinhoudelijke cursussen gevolgd. Hij heeft, kortom, gewerkt aan het krijgen van een zinvolle dagbesteding.
Overschrijding redelijke termijn
De rechtbank stelt vast dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden met twee jaar is overschreden. In deze zaak geldt als uitgangspunt dat de behandeling ter terechtzitting had moeten zijn afgerond met een vonnis binnen twee jaar nadat de redelijke termijn is aangevangen. De verdachte is op 22 november 2021 in verzekering gesteld. Hij mocht er op dat moment van uitgaan dat hij zou worden vervolgd. De zaak had dus uiterlijk 22 november 2023 moeten zijn afgedaan. De rechtbank wijst vandaag 12 december 2025 – ruim vier jaar later – vonnis. Er is geen sprake van bijzondere omstandigheden die kunnen verklaren waarom de zaak zolang heeft geduurd. Deze forse overschrijding compenseert de rechtbank in de strafmodaliteit en -soort, in die zin dat de rechtbank heeft gekozen voor straffen die er niet toe leiden dat de verdachte zonder meer terug moet naar de gevangenis.
Afweging belangen
De rechtbank is van oordeel dat in het algemeen geldt dat een gevangenisstraf van 48 maanden bij een bewezenverklaring van de hoeveelheden verdovende middelen zoals in deze zaak, gelet op de LOVS-oriëntatiepunten vanuit het oogpunt van normbevestiging en ter preventie passend en geboden kan zijn. Degene die wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 48 maanden komt na 32 maanden voor het eerst in aanmerking voor voorwaardelijke invrijheidsstelling. De verdachte heeft iets meer dan 6 maanden in voorarrest gezeten. In zijn geval zou een gevangenisstraf van 48 maanden betekenen dat hij effectief nog ruim 2 jaar gevangenisstraf zou moeten uitzitten.
De rechtbank zal geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf opleggen die meebrengt dat de verdachte terug moet naar de gevangenis, omdat de verdachte aantoonbaar de kans die hem met de schorsing van de voorlopige hechtenis werd geboden met beide handen heeft aangegrepen. Niet alleen heeft hij zelf afstand genomen van de criminaliteit, hij gebruikt zijn eigen ervaringen nu om (veelal) jongeren ervan te weerhouden om te kiezen voor een crimineel leven. De verdachte heeft het door de rechtbank in hem gestelde vertrouwen niet beschaamd en is actief met zichzelf en zijn omgeving aan de slag gegaan om een positieve bijdrage te leveren aan de samenleving. De persoon van de verdachte en zijn positieve ontwikkeling leggen bij de bepaling van de straf een groot gewicht in de schaal.
De rechtbank komt alles afwegend tot het zeer uitzonderlijke oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf die langer is dan de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht niet (langer) passend en evenmin geboden is. De rechtbank wijkt dan ook in grote mate af van de eis van de officier van justitie omdat zij meer dan de officier van justitie rekening houdt met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, en met de overschrijding van de redelijke termijn.
Dit alles neemt niet weg dat er weldegelijk nog een straf moet volgen en dat de verdachte, ondanks het feit dat hij zijn leven heeft gebeterd, nog de consequenties van zijn handelen moet ondervinden. De feiten zijn simpelweg te ernstig om te volstaan met een straf gelijk aan de duur van het voorarrest.
De rechtbank brengt dit alles tot uitdrukking met oplegging van de volgende straf.
De rechtbank legt aan de verdachte een gevangenisstraf op van 6 maanden met aftrek van de tijd die de verdachte in eind 2021 tot en met medio 2022 in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Zij legt daarnaast de maximale voorwaardelijke gevangenisstraf (24 maanden) met een proeftijd van 2 jaar op. Deze voorwaardelijke straf dient als ‘stok achter de deur’ om te voorkomen dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen, mocht hij om wat voor reden dan ook opnieuw in de verleiding komen of worden gebracht. De verdachte weet nu dat daaraan dan direct consequenties verbonden kunnen worden en dat hij dan alsnog deze gevangenisstraf zal moeten uitzitten waarmee hij dan alles wat hij de afgelopen jaren heeft opgebouwd weer op het spel zet.
De verdachte hoeft dus nu niet terug naar de gevangenis. Hij moet ter compensatie daarvan wel onbetaalde arbeid voor de samenleving gaan verrichten. De maximale taakstraf bij een veroordeling voor een strafbaar feit is 240 uur. Aangezien de verdachte meer strafbare feiten heeft gepleegd, kan er een hogere taakstraf worden opgelegd. Aan de verdachte wordt een taakstraf van 480 uur opgelegd. Deze taakstraf moet ingevolge artikel 6.3.1 van het Wetboek van Strafvordering binnen 18 maanden zijn verricht. Bij de bepaling van de hoogte van de taakstraf heeft de rechtbank rekening gehouden met het feit dat de verdachte nog tijd over moet houden voor zijn betaalde werk, zijn vrijwilligerswerk en de zorg voor zijn gezin.
Conclusie
De rechtbank veroordeelt de verdachte kortom tot een gevangenisstraf van 30 maanden met aftrek van voorarrest waarvan 24 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. Zij veroordeelt de verdachte verder tot een taakstraf van 480 uur. Als de verdachte die straf niet (goed) verricht dan moet hij acht maanden hechtenis ondergaan.
Opheffen – geschorst – bevel voorlopige hechtenis
Aangezien de verdachte niet terug hoeft naar de gevangenis omdat de tijd die hij in voorarrest heeft gezeten wordt afgetrokken van het onvoorwaardelijk op te leggen deel van de gevangenisstraf, wordt het – geschorste – bevel tot voorlopige hechtenis opgeheven.

10.In beslag genomen voorwerpen

Onder verdachte zijn op grond van artikel 94 van het Wetboek van Strafvordering de volgende voorwerpen in beslag genomen:
een horloge van het merk Cartier, serienummer [serienummer] ;
€ 34.500,-;
een – inmiddels vervreemde – Volvo V60 met kenteken [kenteken] ;
,6 kilo verdovende middelen;
2,4 kilo verdovende middelen;
een blauwe Action-tas;
een gele Jumbo-tas;
4 kilo verdovende middelen;
een grijze JD-Sports-rugzak;
2 kilo verdovende middelen.
2 wikkels cocaïne.
De officier van justitie heeft ter zitting meegedeeld dat op het horloge, het geldbedrag en de opbrengst van de verkoop van de auto van de verdachte, in verband met een nog in te dienen vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, op de voet van artikel 94a van het Wetboek van Strafvordering beslag is gelegd.
Teruggave aan de verdachte
De rechtbank oordeelt dat het beslag op grond van artikel 94 van het Wetboek van Strafvordering kan worden opgeheven op de onder 1 tot en 3 genoemde voorwerpen (horloge, geldbedrag en auto) en beslist dat de voorwerpen formeel aan de verdachte moeten worden teruggegeven. Aangezien op het horloge, het geldbedrag en de (waarde-opbrengst van de) auto in verband met een vordering tot het ontnemen van wederrechtelijk verkregen voordeel (artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht) ook conservatoir beslag is gelegd, zullen deze voorwerpen feitelijk niet aan de verdachte worden teruggegeven.
Onttrekking aan het verkeer
De rechtbank is van oordeel dat de onder 4 tot en met 10 genoemde verdovende middelen moeten worden onttrokken aan het verkeer aangezien met betrekking tot deze middelen het onder 1 bewezenverklaarde is begaan en zij van zodanige aard zijn, dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en het algemeen belang. De onder 11 genoemde wikkels met cocaïne moeten ook worden onttrokken aan het verkeer aangezien die tot het begaan van het onder 1 bewezenverklaarde zijn bestemd en zij van zodanige aard zijn, dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en het algemeen belang. Bovendien is de onttrekking aan het verkeer van verdovende middelen in dit geval – gelet op artikel 13a van de Opiumwet –verplicht. De tassen waarin de middelen zaten, worden – gelet op het bepaalde in met artikel 36b lid 2 in verbinding met artikel 33b van het Wetboek van Strafrecht – ook aan het verkeer onttrokken.

11.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen en maatregel zijn gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36b, 36c, 47, 57 en 420ter van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 (oud), 10, 10a en 13a (oud) van de Opiumwet.

12.Beslissing

De rechtbank
Bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat de verdachte de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;
- verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
kwalificatie
- stelt vast dat het bewezenverklaarde respectievelijke de volgende strafbare feiten oplevert:
1. medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd
en
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;
2. medeplegen van om een feit als bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, een ander trachten te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen of uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn of om daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen te verschaffen, en zich of een ander gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen, en voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen en gelden voorhanden hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit, meermalen gepleegd;
3. van het plegen van witwassen een gewoonte maken.
Strafbaarheid
- verklaart het bewezene strafbaar;
- verklaart de verdachte, [verdachte] , daarvoor strafbaar;

straffen

- veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van
30 (dertig) maanden;
- beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van deze gevangenisstraf in mindering gebracht wordt;
- bepaalt dat een gedeelte –
groot 24 (vierentwintig) maanden– van deze gevangenisstraf niet ten uitvoer gelegd wordt, tenzij later anders wordt bevolen;
- stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaar vast;
- bepaalt dat de tenuitvoerlegging kan worden bevolen als de verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt;
- legt op een
taakstrafvan
480 (vierhonderdtachtig) uren, met bevel dat als deze straf niet (naar behoren) wordt verricht vervangende hechtenis wordt toegepast voor de duur van 8 (acht) maanden.
- beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering wordt gebracht naar de maatstaf van twee uren voor elke dag die in voorarrest is doorgebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
beslag
- beveelt de teruggave aan de verdachte van:
een horloge van het merk Cartier, serienummer [serienummer] (G6124638);
€ 34.500,- (G6123943);
(de opbrengst van de verkoop van) de Volvo V60 met kenteken [kenteken] (G6082612);
- verklaart onttrokken aan het verkeer:
4. 4,6 4,6 kilo verdovende middelen (G6124420);
4. 4,6 2,4 kilo verdovende middelen (G6124059);
4. 4,6 1 blauwe Action-tas (G6124063);
4. 4,6 1 gele Jumbo-tas (G6124343);
4. 4,6 4 kilo verdovende middelen in een tas (G6124420);
4. 4,6 een grijze rugzak JD-Sports (G6124428);
4. 4,6 2 kilo verdovende middelen (G6124316).
4. 4,6 2 wikkels cocaïne (6124798).
voorlopige hechtenis
- heft op het – geschorste – bevel tot voorlopige hechtenis.
Dit vonnis is gewezen door
mr. M. Smit, voorzitter,
mrs. B. van Galen en G.J.M. Kruizinga, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M. Cordia, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 12 december 2025.
[...]
  • [...]
  • [...]
  • [...]
  • [...]
  • [...]
  • [...]
  • [...]
  • [...]
  • [...]
  • [...]
  • [...]
  • [...]
  • [...]
  • [...]
  • [...]
  • [...]
  • [...]
  • [...]
  • [...]
  • [...]
  • [...]
  • [...]
  • [...]
  • [...]
  • [...]
  • [...]
  • [...]
  • [...]
  • [...]
  • [...]

Voetnoten

1.Zie Hoge Raad 13 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:913.
2.https://www.rechtspraak.nl/sitecollectiondocuments/orientatiepunten-en-afspraken-lovs.pdf
3.www.alhimmah.nl
4.www.stichting-imd.nl
5.www.universiteitvandestraat.nl
6.www.stichtingbeok.nl