ECLI:NL:RBAMS:2025:10415

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
19 december 2025
Publicatiedatum
22 december 2025
Zaaknummer
25/223
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 ToeslagenwetArt. 11a ToeslagenwetArt. 12 Toeslagenwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging terugvordering en boete toeslag WAO wegens onvoldoende onderzoek UWV

Eiseres ontving een toeslag op haar WAO-uitkering die het UWV vanaf 2015 met terugwerkende kracht verlaagde en terugvorderde, omdat zij volgens het UWV niet meer voldeed aan de voorwaarden. Eiseres voerde aan dat zij na haar scheiding nog samenwoonde met haar ex-partner en voor hem zorgde tot zijn overlijden in 2021, wat het recht op toeslag rechtvaardigde. Het UWV stelde dat eiseres haar inlichtingenplicht had geschonden en legde een boete op.

De rechtbank oordeelt dat het UWV onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de feitelijke situatie, ondanks de duidelijke aanwijzingen van eiseres. De bewijslast lag bij het UWV, dat niet aannemelijk heeft gemaakt dat de toeslag onterecht was toegekend. Ook is het UWV niet nagekomen in haar motiveringsplicht en is de terugvordering met terugwerkende kracht in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel.

Daarom vernietigt de rechtbank het bestreden besluit en herroept zij de primaire besluiten tot terugvordering, invordering, boete en brutering. Tevens moet het UWV het griffierecht en de proceskosten van eiseres vergoeden. De uitspraak benadrukt het belang van zorgvuldig onderzoek en correcte toepassing van de inlichtingenplicht door het bestuursorgaan.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot terugvordering en boete wordt vernietigd.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 25/223

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 december 2025 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres

(gemachtigden: mr. S. Aarsman en mr. T.N. Neve),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het Uwv
(gemachtigde: mr. E. Kok).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de verlaging en terugvordering van de toeslag op de WAO-uitkering [1] van eiseres op grond van de Toeslagenwet en aanverwante besluiten. Eiseres is het niet eens met de terugvordering. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het Uwv deze besluiten terecht heeft genomen.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het Uwv de toeslag op de WAO-uitkering niet met terugwerkende kracht mocht verlagen en terugvorderen. Ook de daarmee samenhangende boete, de invordering en de brutering kunnen niet in stand blijven. Eiseres krijgt dus gelijk en het beroep is gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
De belangrijkste wettelijke bepalingen voor deze zaak staan in de bijlage die onderdeel uitmaakt van deze uitspraak.

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 12 december 2024 op het bezwaar van eiseres heeft het Uwv de bezwaren van eiseres ongegrond verklaard en de terugvordering, invordering, brutering en boete in stand gelaten.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het Uwv heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 12 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigden van eiseres en haar zoon [persoon 3] deelgenomen. De gemachtigde van het Uwv heeft zich afgemeld.
Totstandkoming van het bestreden besluit
3.
3.1.
Eiseres, geboren op 21 november 1963, was tot 19 februari 2014 gehuwd met [persoon 1] en heeft een kind dat op [geboortedatum] 2001 geboren is. Eiseres ontving vanaf 5 juli 2007 een toeslag naar de norm van een gehuwde op haar WAO-uitkering op grond van de Toeslagenwet.
3.2.
Per 27 oktober 2021 woont haar huidige partner, [persoon 2] , op het adres van eiseres. Eiseres is op 23 april 2023 met haar huidige partner gehuwd.
3.3.
Naar aanleiding van een interne melding heeft het Uwv met het besluit van 5 mei 2023 de toeslag per 1 mei 2023 beëindigd, omdat haar huidige partner geboren is na 31 december 1971 en eiseres niet zorgt voor een kind dat jonger dan 12 jaar is. Eiseres heeft tegen dit besluit geen bezwaar gemaakt.
3.4.
Op 19 juli 2023 heeft het Uwv eiseres geïnformeerd dat zij teveel toeslag heeft ontvangen en dat het Uwv het voornemen heeft het te veel ontvangen bedrag terug te vorderen en aan eiseres een boete op te leggen. Eiseres heeft met een brief van 27 juli 2023 op dit voornemen gereageerd.
3.5.
Met het besluit van 16 augustus 2023 (het primaire besluit 1) heeft het Uwv de toeslag op de WAO-uitkering op grond van de Toeslagenwet vanaf 1 januari 2015 verlaagd. Eiseres heeft per 11 juli 2013 recht op een toeslag naar de norm “alleenstaande ouder” en per 1 januari 2015 naar de norm “alleenstaande”. Van 27 oktober 2021 tot 1 mei 2023 heeft eiseres geen recht op toeslag, omdat zij (on)gehuwd samenwoont met haar huidige partner. Het Uwv heeft de toeslag over de periode van 11 juli 2013 tot 1 januari 2015 niet verlaagd. Het Uwv heeft de teveel betaalde toeslag tot een bedrag van € 58.987,51 teruggevorderd. Volgens het Uwv is per 11 juli 2013 de leefsituatie van eiseres gewijzigd omdat haar ex-partner vanaf die datum niet meer op haar adres woont.
3.6.
Met een separaat besluit van 16 augustus 2023 (het primaire besluit 2) heeft het Uwv aan eiseres een boete opgelegd van € 40,-, omdat zij niet heeft doorgegeven dat haar leefsituatie is veranderd. Daarmee heeft eiseres de inlichtingenplicht geschonden. De hoogte van de boete is gebaseerd op het teveel ontvangen bedrag in de periode van 1 september 2018 tot en met 30 september 2022. Het Uwv heeft vanwege de financiële situatie van eiseres de boete tot dit bedrag verlaagd.
3.7.
Met het besluit van 24 augustus 2023 (het primaire besluit 3) heeft het Uwv de te veel betaalde toeslag tot een bedrag van € 56.732,15 ingevorderd. Het Uwv heeft bij besluit van eveneens 24 augustus 2023 ook de boete ingevorderd (het primaire besluit 4).
3.8.
Met het besluit van 9 januari 2024 (het primaire besluit 5) heeft het Uwv de vordering verhoogd met een loonheffing van € 2.255,36. Het totaal terug te betalen bedrag is dan € 59.003,51.
3.9.
Op 11 december 2024 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep medisch advies uitgebracht naar aanleiding van het bezwaar. De verzekeringsarts bezwaar en beroep komt tot de conclusie dat er geen dringende medische redenen zijn om van terugvordering af te zien.
4. Met het bestreden besluit heeft het Uwv de bezwaren van eiseres ongegrond verklaard en de primaire besluiten in stand gelaten.
5. Eiseres voert – samengevat – aan dat het onderzoek van het Uwv onzorgvuldig was. Er is geen sprake van schending van de inlichtingenplicht, eiseres is nooit geïnformeerd over haar rechten en plichten. Het Uwv heeft geen onderzoek verricht naar de omstandigheden. Eiseres is weliswaar op 19 februari 2014 van haar ex-partner gescheiden, maar zij leefden nog wel samen omdat de ex-partner geen huis kon vinden. Op enig moment werd de ex-partner ziek. Eiseres heeft de zorg voor hem gedragen totdat hij overleed op 19 januari 2021. Tot die datum is wel degelijk te spreken van een situatie op basis waarvan recht bestond op toeslag naar de norm van een gehuwde. Eiseres betwist dat zij teveel toeslag ontving en voor zover daarvan sprake was kon eiseres dit redelijkerwijs niet weten. Verder heeft het Uwv geen belangenafweging gemaakt en is niet gekeken of van terugvordering moet worden afgezien omdat het Uwv zelf ook steken heeft laten vallen. Met de medische en financiële situatie van eiseres is geen rekening gehouden, terwijl dit dringende redenen zijn om van terugvordering af te zien..
Beoordeling door de rechtbank
6. Het Uwv heeft de gehuwdentoeslag met een besluit van 5 mei 2023 per 1 mei 2023 beëindigd. Eiseres heeft de gronden tegen dit besluit op de zitting laten vallen. Het beroep is daarom niet langer gericht tegen het besluit van 5 mei 2023. Verder is de uitkering over de periode van 11 juli 2013 tot 1 januari 2015 niet verlaagd en teruggevorderd, zodat de gronden die daartegen zijn gericht buiten beschouwing kunnen blijven. De periode waar deze zaak over gaat, van januari 2015 tot mei 2023, valt in twee perioden uiteen, die de rechtbank afzonderlijk zal bespreken.
7. Bij besluiten tot herziening, intrekking en terugvordering van sociale zekerheidsuitkeringen, zoals hier aan de orde, gaat het om belastende besluiten, waarbij het aan het bestuursorgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten en omstandigheden te vergaren. [2]
De periode van 1 januari 2015 tot 27 oktober 2021
8. Op 19 juli 2023 heeft het Uwv eiseres geïnformeerd dat zij volgens informatie van het Uwv te veel toeslag heeft ontvangen, dat zij het te veel ontvangen bedrag moet terugbetalen als de informatie juist is en dat zij een boete kan krijgen. Volgens het Uwv is de ex-partner van eiseres op 11 juli 2013 verhuisd en is eiseres vanaf die datum alleenstaand. Vanaf 27 oktober 2021 is zij weer samenwonend, maar heeft zij volgens het Uwv geen recht op toeslag. Hierdoor heeft zij van 1 januari 2015 tot en met 30 april 2023 teveel toeslag ontvangen.
9. Eiseres heeft op het voornemen gereageerd met een brief van 4 augustus 2023. Eiseres heeft in die brief aangeven dat de informatie onjuist is. Zij heeft geschreven dat zij op 19 februari 2014 op papier gescheiden is, maar dat haar ex-partner wel bij haar woonde.
10. Het Uwv heeft hier geen onderzoek naar verricht, maar heeft de toeslag vanaf 1 januari 2015 teruggevorderd en eiseres een boete opgelegd. Naar het oordeel van de rechtbank had de brief van eiseres echter aanleiding moeten zijn voor nader onderzoek naar de feitelijke situatie en of er op basis daarvan geen recht op gehuwdentoeslag meer bestond. Dat onderzoek is nooit uitgevoerd. Het Uwv heeft enkel op basis van de melding en de constatering dat de ex-partner uitgeschreven was van het adres van eiseres besloten over een forse periode in een ver verleden de gehele uitkering terug te vorderen. Dit terwijl eiseres daar met haar brief een nuancering op aan heeft gebracht, die zeer relevant was voor de vraag of zij wel of niet recht had op de toeslag naar de norm van een gehuwde.
11. Ook in de bezwaarfase heeft het Uwv geen nader onderzoek verricht. Het Uwv stelt zich op het standpunt dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt met bewijsstukken dat zij na haar scheiding samenwoonde en zorg droeg voor haar ex-partner. Naar het oordeel van de rechtbank ligt de bewijslast echter bij het Uwv, omdat sprake is van een belastend besluit. Het Uwv hecht veel waarde aan de wisselende verklaringen in bezwaar van eiseres op dit punt. De gemachtigde van eiseres heeft op de zitting uitgelegd dat zij aanvankelijk eiseres verkeerd had begrepen, waardoor in bezwaar één keer de onjuiste stelling is ingenomen dat zij niet samenwoonde met haar ex-echtgenoot. De rechtbank stelt vast dat eiseres op die ene keer na consequent heeft verklaard dat zij nog samenwoonde met haar ex-echtgenoot en dat zij tijdens zijn ziekte voor hem heeft gezorgd tot zijn overlijden in 2021. Eiseres heeft ook verklaard dat haar ex-partner zich later weer op haar adres heeft ingeschreven. Daar is geen onderzoek naar gedaan en ook in de beroepsfase is hier niet door het Uwv op gereageerd. De rechtbank vindt gelet op het voorgaande de enkele afwijkende verklaring onvoldoende om daar zonder nader onderzoek naar de feiten op te baseren dat eiseres niet meer samenwoonde met haar ex-partner.
12. De rechtbank is daarom van oordeel dat het Uwv onvoldoende onderzoek heeft verricht om vast te kunnen stellen dat eiseres over de periode van 1 januari 2015 tot 27 oktober 2021 geen recht had op een toeslag naar de norm voor een gehuwde. Dit deel van de terugvordering kan dan ook niet in stand blijven.
De periode van 27 oktober 2021 tot 1 mei 2023
13. Vast staat dat eiseres over deze periode geen recht had op toeslag, dat heeft de gemachtigde van eiseres op de zitting erkend. De vraag die ter discussie staat is of het Uwv de betaalde toeslag over de periode met terugwerkende kracht mocht intrekken en terugvorderen. Volgens vaste rechtspraak, zoals de uitspraak van de Centrale Raad van beroep van 19 juni 2025 [3] , is intrekking of herziening van een arbeidsongeschiktheidsuitkering of toeslag op een arbeidsongeschiktheidsuitkering met terugwerkende kracht in het algemeen in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. In uitzonderingsgevallen is van strijd met dit beginsel geen sprake. Hierbij kan worden gedacht aan gevallen waarin de betrokkene wist, althans redelijkerwijs behoorde te weten dat hij ernstig rekening moest te houden met de mogelijkheid van intrekking of herziening. Daarvan is onder andere sprake als het de betrokkene redelijkerwijs duidelijk moet zijn geweest dat hij teveel of ten onrechte uitkering ontving.
14. Niet in geschil is dat eiseres de verandering in haar leefsituatie door het samenwonen en het huwelijk met haar huidige partner niet heeft doorgegeven aan het Uwv. Eiseres voert echter aan dat zij niet wist dat zij iets moest doorgeven aan het Uwv.
14. Het Uwv stelt zich op het standpunt dat eiseres wist of behoorde te weten dat zij veranderingen in haar leefsituatie moest doorgeven. Dat stond in de toekenningsbeslissing van 10 augustus 2009 en op de betaalspecificaties van de toeslag. Daarnaast behoorde eiseres op grond van de wet zelf een wijziging in haar leefsituatie door te geven.
14. De rechtbank stelt vast dat de toekenningsbeslissing en de betaalspecificaties niet in het dossier zitten, ondanks dat de gemachtigde van eiseres daar al in de bezwaarfase om heeft gevraagd. Daarom kan de rechtbank niet nagegaan naar welk adres de toekenningsbeslissing is gestuurd en of eiseres daarin daadwerkelijk is gewezen op de inlichtingenplicht. Uitgangspunt is inderdaad dat iemand die toeslag ontvangt op de hoogte behoort te zijn van de inlichtingenplicht. Maar eiseres zegt dat de uitkering destijds door haar werkgever is aangevraagd en dat zij door haar ziekte en ziekenhuisopname zich er niet bewust was van wat voor uitkering zij ontving. Zij dacht dat zij gewoon een WAO-uitkering ontving, waarvoor de inlichtingenplicht voor wijzigingen in de leefomstandigheden niet geldt. Het Uwv heeft ook nooit contact met haar opgenomen. De rechtbank stelt vast dat uit het rapport ‘Motivering objectief verwijtbaar’ van 12 juli 2023 blijkt dat het Uwv er bij een telefonisch contact op 18 oktober 2022 ook ten onrechte vanuit ging dat eiseres geen toeslagen ontving. Dit bevestigt de stelling van eiseres dat zij door het Uwv nooit is gewezen op het feit dat zij een toeslag ontving en dat daarvoor een inlichtingenplicht geldt.
14. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv daarom in dit geval niet aannemelijk gemaakt dat eiseres op de hoogte was van haar inlichtingenplicht en ook niet dat er sprake is van een situatie dat eiseres redelijkerwijs behoorde te weten dat zij teveel toeslag ontving en rekening had moeten houden met een eventuele terugvordering. De terugvordering met terugwerkende kracht over deze periode is daarom in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel.
Boete, invordering en brutering
14. Gelet op het voorgaande kunnen ook de boete, de invordering en de brutering niet in stand blijven.
Conclusie en gevolgen
19. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met de zorgvuldigheid en met de motiveringsplicht. Dit betekent dat het bestreden besluit geen stand kan houden. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank acht het gelet op het tijdverloop niet denkbaar dat het Uwv de geconstateerde gebreken nog kan herstellen. Daarbij overweegt de rechtbank dat de mogelijkheden voor nader onderzoek in de loop van de procedure meerdere malen zijn genoemd en het Uwv ervoor heeft gekozen om daar niets mee te doen. Verder is er niemand namens het Uwv verschenen tijdens de zitting, zodat de mogelijkheid van nader onderzoek niet met het Uwv kon worden besproken. Onder deze omstandigheden gaat de rechtbank ervan uit dat het Uwv geen mogelijkheden ziet voor nader onderzoek dat tot een andere uitkomst zou kunnen leiden. Daarom herroept de rechtbank de primaire besluiten 1 en 2 van 16 augustus 2023, de primaire besluiten 3 en 4 van 24 augustus 2023 en het primaire besluit 5 van 9 januari 2024. Dat betekent dat de intrekking en terugvordering van de toeslag op de WAO-uitkering niet in stand blijft en de invordering, de boete en de brutering van de baan zijn.
19.1.
Omdat het beroep gegrond is moet het Uwv het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding van haar proceskosten.
19.2.
Het Uwv moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiseres een vast bedrag per proceshandeling. In bezwaar heeft elke proceshandeling een waarde van € 647,-. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 907,-. Eiseres heeft in bezwaar gevraagd om vergoeding van de proceskosten. De gemachtigde heeft vier maal een bezwaarschrift ingediend, de hoorzitting bijgewoond, een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 5.049,-.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 12 december 2024;
- herroept de besluiten van 16 augustus 2023;
- herroept de besluiten van 24 augustus 2023;
- herroept het besluit van 9 januari 2024;
- bepaalt dat het Uwv het griffierecht van € 53,- aan eiseres moet vergoeden;
- veroordeelt het Uwv tot betaling van € 5.049,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. de Vos, rechter, in aanwezigheid van
mr.E.H. Kalse-Spoon, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 18 december 2025.
de griffier
rechter
is verhinderd deze uitspraak
te ondertekenen
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Toeslagenwet

Artikel 3

Vanaf 1990 heeft een gehuwde wiens echtgenoot is geboren na 31 december 1971 geen recht op toeslag, tenzij tot zijn huishouden een eigen kind, aangehuwd kind of pleegkind behoort dat jonger is dan 12 jaar.

Artikel 11a

1. Onverminderd het elders in deze wet bepaalde terzake van herziening of intrekking van een besluit tot toekenning van toeslag en terzake van weigering van toeslag, herziet het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een dergelijk besluit of trekt zij dat in:
a. indien het niet of niet behoorlijk nakomen van een verplichting op grond van artikel 12, 12a, eerste lid, aanhef en onderdeel b, of 13 heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van toeslag;
b. indien anderszins de toeslag ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend;
c.indien het niet of niet behoorlijk nakomen van een verplichting op grond van artikel 12, 12a, eerste lid, aanhef en onderdeel b, of 13 ertoe leidt dat niet kan worden vastgesteld of nog recht op toeslag bestaat.
2. Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen besluiten geheel of gedeeltelijk van herziening of intrekking af te zien.

Artikel 12

1. Degene die aanspraak maakt op toeslag, zijn echtgenoot, of zijn wettelijke vertegenwoordiger, alsmede de instelling aan welke ingevolge artikel 22 toeslag Pro wordt uitbetaald, zijn verplicht aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen op zijn verzoek of onverwijld uit eigen beweging alle feiten en omstandigheden mee te delen waarvan hem of haar redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op toeslag, de hoogte van de toeslag, het geldend maken van het recht op toeslag of op het bedrag van de toeslag dat wordt betaald. Deze verplichting geldt niet indien die feiten en omstandigheden door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kunnen worden vastgesteld op grond van bij wettelijk voorschrift als authentiek aangemerkte gegevens of kunnen worden verkregen uit bij ministeriële regeling aan te wijzen administraties. Bij ministeriële regeling wordt bepaald voor welke gegevens de tweede zin van toepassing is.
2Op verzoek van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen legt de meerderjarige persoon die in dezelfde woning als de toeslaggerechtigde zijn hoofdverblijf heeft, als bedoeld in artikel 2, zevende lid, desgevraagd alle gegevens en inlichtingen over die voor de beoordeling van de aanspraak op toeslag van belang kunnen zijn.

Voetnoten

1.Uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 19 juni 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:953.