ECLI:NL:CRVB:2025:953
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Herziening en terugvordering toeslag wegens gewijzigde leefsituatie en verjaring
Appellante ontving sinds 2010 een toeslag op haar WAO-uitkering, die in 2012 werd beëindigd vanwege samenwoning. In 2014 vroeg zij opnieuw toeslag aan na het wegvallen van haar partner's Ziektewet-uitkering. Het UWV kende toeslag toe maar verlaagde deze in 2022, omdat appellante volgens hen niet had doorgegeven dat zij alleenstaand was sinds 2014. Appellante stelde echter telefonisch contact te hebben gehad met het UWV op 23 oktober 2014 om dit door te geven.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, stellende dat zij de wijziging niet had doorgegeven en dat de terugvordering niet verjaard was. Appellante ging in hoger beroep en stelde dat het UWV onjuiste mededelingen deed over telefoonnotities en dat zij wel degelijk de wijziging had doorgegeven. Het UWV beperkte later de terugvordering tot de periode vanaf 1 augustus 2017 en matigde het bedrag vanwege eigen aandeel in de situatie.
De Raad oordeelt dat appellante de wijziging in 2014 heeft doorgegeven en daarmee de inlichtingenplicht niet heeft geschonden. De verjaringstermijn loopt vanaf 24 oktober 2014, waardoor terugvordering vóór 14 juli 2017 verjaard is. Het UWV heeft de belangenafweging onvoldoende gemaakt, met name heeft het onvoldoende rekening gehouden met het eigen aandeel, de kwetsbare psychische gezondheid van appellante en haar aflossingscapaciteit. Het besluit van 10 maart 2025 is daarom niet zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd. De Raad draagt het UWV op het besluit binnen zes weken te herstellen met inachtneming van deze overwegingen.
Uitkomst: Het UWV wordt opgedragen het besluit tot terugvordering toeslag te herstellen met volledige belangenafweging en rekening houdend met verjaring en gezondheid appellante.