ECLI:NL:RBAMS:2025:10443

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
23 december 2025
Publicatiedatum
23 december 2025
Zaaknummer
13/225849-23
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussenuitspraak inzake uitlevering van een persoon aan Turkije met betrekking tot meerdere strafbare feiten

Op 23 december 2025 heeft de Rechtbank Amsterdam een tussenuitspraak gedaan in een uitleveringszaak waarbij de opgeëiste persoon, geboren in Turkije, wordt verzocht om uitlevering aan de Turkse autoriteiten. De rechtbank heeft het onderzoek heropend om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen aanvullende vragen te stellen aan de Turkse autoriteiten. De zaak betreft een uitleveringsverzoek van 8 juni 2023, waarin de Turkse autoriteiten verzoeken om uitlevering voor de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf van 20 jaar, 23 maanden en 103 dagen, opgelegd voor meerdere strafbare feiten, waaronder diefstal en wederrechtelijke vrijheidsberoving. Tijdens de zittingen op 27 november 2024 en 9 december 2025 zijn de opgeëiste persoon en zijn raadsvrouw, mr. Y.A. Samseij, gehoord. De rechtbank heeft vastgesteld dat de opgeëiste persoon niet de Nederlandse, maar de Turkse nationaliteit heeft en dat er vragen zijn gerezen over de detentieomstandigheden in Turkije en de waarborgen voor een eerlijk proces. De rechtbank heeft de uitlevering voor bepaalde vonnissen ontoelaatbaar geacht op basis van verjaring en de vereisten van dubbele strafbaarheid. De rechtbank heeft echter ook vastgesteld dat voor andere feiten de uitlevering mogelijk is, mits de rechten van de verdediging zijn gewaarborgd. De rechtbank heeft besloten het onderzoek te heropenen om nadere informatie van de Turkse autoriteiten te verkrijgen over de rechtsgang en de verdediging van de opgeëiste persoon.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM,
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/225849-23
Datum uitspraak: 23 december 2025
TUSSENUITSPRAAK
op de vordering ex artikel 23 van de Uitleveringswet van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam van 25 oktober 2023, onder meer strekkende tot het in behandeling nemen van het door tussenkomst van de Minister van Justitie en Veiligheid ontvangen verzoek van de autoriteiten van de Republiek Turkije van 8 juni 2023 tot uitlevering van:
[opgeëiste persoon],
geboren op [geboortedag] 1980 in [geboorteplaats] (Turkije),
verblijvend op het [adres],
hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1.Procesverloop

Zitting van 27 november 2024
De rechtbank heeft op 27 november 2024 de opgeëiste persoon, zijn raadsvrouw, mr. Y.A. Samseij, advocaat in Amsterdam en waarnemend voor mr. E.G.S. Roethof, eveneens advocaat in Amsterdam, en de officier van justitie, mr. K. van der Schaft, ter openbare zitting gehoord. De opgeëiste persoon is bijgestaan door een tolk in de Turkse taal.
De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting voor onbepaalde tijd geschorst en de officier van justitie verzocht om, eventueel met tussenkomst van de Minister van Justitie en Veiligheid, aanvullende vragen aan de Turkse autoriteiten voor te leggen.
Zitting van 9 december 2025
De rechtbank heeft met instemming van partijen in gewijzigde samenstelling op 9 december 2025 de behandeling van het uitleveringsverzoek voortgezet in de stand waarin deze zich bevond op het tijdstip van de schorsing op 27 november 2024. De rechtbank heeft de opgeëiste persoon, zijn raadsvrouw, mr. Y.A. Samseij, advocaat in Amsterdam en waarnemend voor mr. E.G.S. Roethof, eveneens advocaat in Amsterdam, en de officier van justitie, mr. A. Keulers, ter openbare zitting gehoord. De opgeëiste persoon is bijgestaan door een tolk in de Turkse taal.
De rechtbank heeft voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing ervan.

2.Beoordeling

2.1
Identiteit van de opgeëiste persoon
De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat bovengenoemde personalia juist zijn en dat hij niet de Nederlandse, maar de Turkse nationaliteit heeft.
2.2
Grondslag van het uitleveringsverzoek
De uitlevering van de opgeëiste persoon wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van 20 jaar, 23 maanden en 103 dagen, die is opgelegd bij een
justified decisionvan 8 juni 2023 van de
1st Office of Judge of Execution of Denizli,waarin de vrijheidsstraffen, die werden opgelegd bij vier vonnissen en die onderliggend zijn aan het uitleveringsverzoek, werden samengevoegd. De voornoemde vrijheidsstraf werd opgelegd voor de feiten zoals omschreven in de volgende authentieke en gewaarmerkte documenten:
het uitleveringsverzoek van 8 juni 2023 van de
Chief Public Prosecutor’s Office of Denizli, Turkije en de uiteenzetting van de vonnissen en feiten onder de kopjes “
information regarding the judgment constituting the merits for the arrest warrant” en “
facts regarding the commission of the offence”;
het nationale arrestatiebevel van 8 juni 2023, uitgevaardigd door de
Chief Prosecutor’s Office of Denizli – Notification Bureau for Judgments of High Criminal Courtonder het kopje “
information pertaining to the penalties included in the consolidation”;
De volgende vier vonnissen, die onderliggend zijn aan het uitleveringsverzoek:
1. Een (gevoegd) vonnis van de
2nd Assize Court of Denizlivan 24 november 2010 met documentnummer 2010/347 en beslissingsnummer 2010/445, onherroepelijk geworden op 5 juni 2012 en betreffende feit 1, 2 en 3;
2. Een (gevoegd) vonnis van de
Criminal Court of First Instance of Acipayamvan 29 september 2015 met documentnummer 2014/156 en beslissingsnummer 2015/498, onherroepelijk geworden op 20 februari 2018 en betreffende feit 4 en 5;
3. Een (gevoegd) vonnis van de
Criminal Court of First Instance of Acipayamvan 28 oktober 2008 met documentnummer 2006/152 en beslissingsnummer 2008/322, onherroepelijk geworden op 2 april 2014 en betreffende feit 6 en 7;
4. Een vonnis van de
Criminal Court of First Instance No. 2 of Denizlivan 2 december 2008 met documentnummer 2007/255 en beslissingsnummer 2008/767, onherroepelijk geworden op 24 november 2015 en betreffende feit 8.
2.3
Genoegzaamheid
Onder de overgelegde stukken bevinden zich authentieke en gewaarmerkte afschriften van de vonnissen die ten grondslag liggen aan het arrestatiebevel. Daarnaast is een afschrift van de toepasselijke wetsbepalingen overgelegd en bevat het uitleveringsverzoek een overzicht van de feiten waarvoor uitlevering wordt gevraagd. De stukken voldoen aan de eisen van artikel 12, tweede lid, van het Europees Verdrag betreffende uitlevering [1] (EUV).
2.4
Verjaring naar het recht van de verzoekende staat
Ten aanzien van het vonnis met documentnummer 2006/152 en beslissingsnummer 2008/322 betreffende feit 6 en 7 en het vonnis met documentnummer 2007/255 en beslissingsnummer 2008/767 betreffende feit 8 hebben de Turkse autoriteiten in de aanvullende informatie van 24 juni 2024 het volgende vermeld:
“The finalization date of the penalty of imprisonment for 2 years rendered by the decision docketed 2006/152 of the 1st Criminal Court of First Instance of Acipayam was detected as 02/04/2014. By adding up the period of 10 years which was set out in the law, it was detected that the period of statute of limitations will be completed as of 02/04/2024 in respect of the finalization date.
(…)
The finalization date of the penalty of imprisonment for 4 years rendered by the decision docketed 2007/255 of the 2nd Criminal Court of First Instance of Denizli was detected as 24/11/2015. By adding up the period of 10 years which was set out in the law, it was detected that the period of statute of limitations will be completed as of 24/11/2025 in respect of the finalization date.”
Op grond van het voorgaande constateert de rechtbank dat de termijn voor tenuitvoerlegging is verjaard naar Turks recht voor de feiten in het vonnis met documentnummer 2006/152 en beslissingsnummer 2008/322 en voor het feit in het vonnis met documentnummer 2007/255 en beslissingsnummer 2008/767.
Gelet op artikel 10 van het Europees verdrag betreffende uitlevering is de rechtbank voornemens de uitlevering voor bovengenoemde vonnissen ontoelaatbaar te verklaren.
2.5
Gekwalificeerde dubbele strafbaarheid van de feiten
De feiten waarvoor de uitlevering wordt verzocht (en ten aanzien waarvan het recht tot tenuitvoerlegging niet is verjaard naar het recht van Turkije) zijn naar het recht van Turkije strafbaar en daarvoor kan telkens een vrijheidsstraf met een maximum van tenminste één jaar worden opgelegd, terwijl die feiten naar Nederlands recht als eenzelfde inbreuk op de Nederlandse rechtsorde strafbaar zijn en daarvoor telkens een vrijheidsstraf van tenminste één jaar kan worden opgelegd. De feiten leveren naar Nederlands recht op:
diefstal, vergezeld van geweld, tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd in een woning en terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;
medeplegen van het opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven of beroofd houden, meermalen gepleegd;
diefstal door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd.
De rechtbank stelt hiermee vast dat aan de eis van de gekwalificeerde dubbele strafbaarheid als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van het EUV is voldaan.
2.6
Onschuldverweer
De opgeëiste persoon ontkent de feiten waarvoor zijn uitlevering wordt verzocht. Hij heeft echter niet onverwijld aangetoond dat er ten aanzien van hem geen sprake kan zijn van een vermoeden van schuld aan die feiten. Zijn onschuld is dus niet evident. Het verweer van de opgeëiste persoon maakt de uitlevering dus niet ontoelaatbaar.
2.6
Strafbare feiten van politieke aard
De rechtbank is van oordeel dat niet is gebleken dat de feiten waarvoor de uitlevering van de opgeëiste persoon wordt gevraagd van politieke aard zijn. De Turkse autoriteiten hebben in het verzoek ook vermeld dat geen sprake is van zodanige strafbare feiten. Dat de opgeëiste persoon een tatoeage heeft waaruit zijn banden met de Turkse oppositie blijken, maakt dat niet anders.
2.7
Detentieomstandigheden in Turkije en artikel 3 Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM)
2.7.1
Standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw voert aan dat Nederland op geen enkele wijze dient mee te werken aan een uitlevering aan een staat waar mensenrechtenschendingen plaatsvinden, in dit geval Turkije. Dit laatste blijkt volgens de raadsvrouw uit onafhankelijk opgestelde rapporten. Turkije heeft volgens officiële en onafhankelijke organisaties een gevangenispopulatie van 420.904 gedetineerden, terwijl de totale capaciteit is geschat op 304.964 plaatsen. Er is dus sprake van overbevolking. Daarbij komt dat het aantal gedetineerden in de afgelopen jaren sterk is toegenomen. De problemen in de Turkse detentie-instellingen zijn van systematische aard. Volgens een recente
torture indexvan 2025 is Turkije geclassificeerd als een hoog risico-land ten aanzien van foltering en onmenselijke detentieomstandigheden. In 2024 werden er 26.632 afzonderlijke meldingen van mensenrechtenschendingen geregistreerd in Turkse detentie-instellingen. In de afgelopen jaren is dit aantal telkens toegenomen. In 2016 hebben zowel Amnesty International als de
UN Special Rapporteur on Torturezorgen geuit over de situatie in Turkse detentie-instellingen.
Human Rights Watchheeft hierover in 2022 nog gerapporteerd, aldus de raadsvrouw. Zij wijst eveneens op het feit dat de opgeëiste persoon aantoonbare banden heeft met Erdogan, wat zichtbaar is middels een tatoeage van Atatürk, desondanks is er geen detentiegarantie verstrekt.
De raadsvrouw verwijst onder meer naar een arrest van het Gerechtshof Den Haag, waarbij de uitlevering ontoelaatbaar werd verklaard in verband met het ontbreken van een detentiegarantie voor een aan de PKK gelieerde opgeëiste persoon. [2] Voor de opgeëiste persoon, die aantoonbare banden heeft met de oppositie van de Turkse president, is geen detentiegarantie gegeven. Bovendien is opgeëiste persoon in het verleden in detentie in Turkije meerdere malen heftig mishandeld, waaraan hij zichtbare littekens heeft overgehouden. Er is sprake van een voltooide inbreuk op artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM). De uitlevering dient ontoelaatbaar te worden verklaard.
2.7. 2
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat wat de raadsvrouw heeft aangevoerd geen aanleiding geeft om aan te nemen dat sprake is van een dreigende of voltooide schending van artikel 3 EVRM. Het is voor autoriteiten niet mogelijk om vechtpartijen in detentie altijd te voorkomen. In lijn met het vertrouwensbeginsel moet als uitgangspunt worden genomen dat de verzoekende staat mensenrechten waarborgt.
Ten aanzien van de beoordeling van detentieomstandigheden bij een uitleveringsverzoek heeft de officier van justitie de taakverdeling tussen de rechtbank en de Minister benadrukt. De Minister kan zich uitlaten over een dreigende inbreuk op artikel 3 EVRM en de uitleveringsrechter kan de Minister in dit kader adviseren. Over een dergelijk advies heeft de raadsvrouw geen standpunt ingenomen. Recentelijk hebben zowel de rechtbank Amsterdam als de rechtbank Den Haag uitlevering naar Turkije toelaatbaar geacht en hierbij geen advies gegeven aan de Minister. [3] De uitlevering moet toelaatbaar worden verklaard.
2.7. 3
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank is niet bevoegd een beslissing te nemen op een verweer inzake dreigende schending van artikel 3 EVRM omdat uitsluitend de Minister hiertoe bevoegd is, maar mag dit wel in zijn advies aan de Minister betrekken. De rechtbank overweegt dat de raadsvrouw het verweer ten aanzien van de detentieomstandigheden in Turkije en een verzoek tot het adviseren van de Minister op dit punt niet met stukken heeft onderbouwd. De rechtbank beschikt ook niet ambtshalve over zodanige informatie die zou leiden tot het adviseren van de Minister.
De raadsvrouw heeft ook de gestelde schendingen van de mensenrechten in het verleden niet onderbouwd, zodat de rechtbank daarin geen gronden ziet om de uitlevering ontoelaatbaar te verklaren.
2.8
Recht op een eerlijk proces, artikel 3 Aanvullende Protocol en artikel 5 UW - heropening van het onderzoek
2.8.1
Inleiding
Vonnis met documentnummer 2010/347 en beslissingsnummer 2010/445
Het uitleveringsverzoek van de Turkse autoriteiten van 8 juni 2023 vermeldt ten aanzien van het vonnis met documentnummer 2010/347 en beslissingsnummer 2010/445 het volgende:
“The decision dated 20/12/2005, docketed 2010/347 and numbered 2010/445 of the 2nd High Criminal Court of Denizli regarding the person whose extradition has been requested was read in presence of the convict.”
In de aanvullende informatie van de Turkse autoriteiten van 14 april 2025 is ten aanzien van bovengenoemd vonnis het volgende opgenomen:
“(…) the accused, [opgeëiste persoon], personally attended the sentencing hearing on 30/12/2010 and other hearings since he was in detention. (…) since the accused, [opgeëiste persoon], did not have his own defense attorney, a mandatory defense attorney (Att. Kiymet Sema Mendilcioglu) was appointed to him by the Bar Association in accordance with the Criminal Procedure Code. He presented his defense jointly with this defense attorney in the same hearing, and there is no information regarding any waiver within the scope of the file. (…) the judgement rendered by our court was read out and explained to the accused, [opgeëiste persoon], and his defense attorney in person, and it was stated that the accused had the right to legal remedy to appeal the judgement to the Court of Cassation within 7 days.”
Vonnis met documentnummer 2014/156 en beslissingsnummer 2015/498
Ten aanzien van het vonnis met documentnummer 2014/156 en beslissingsnummer 2015/498 vermeldt het uitleveringsverzoek het volgende:

The decision docketed 2014/156 and numbered 2015/498 of the Criminal Court of First Instance of Acipayam regarding the person whose extradition has been requested was read in absence of the convict and in presence of his attorney, Esin KARKCKAY.”
De Turkse autoriteiten hebben vervolgens in de aanvullende informatie van 11 april 2025 het volgende vermeld:
In the examination of the file of our Court docket numbered 2014/156 in line with your
letter mentioned in the reference, it has been understood that the accused [opgeëiste persoon] did not attend the hearings after the reversal decision; an arrest warrant was issued against him due to the return without execution of the instruction written to his last known address; and the arrest warrant issued in the 3rd hearing was cancelled due to the reversal judgment in favour of the accused persons; the accused was not present at the final hearing; a defence counsel was appointed ex officio pursuant to Article 150/3 of the Criminal Procedure Code; the accused was aware of the appointment of a defence counsel; the accused did not request to be excluded from the hearings; and the judgement was pronounced to the face of defence counsel, and it was stated that the appeal of the judgement was possible.
De Turkse autoriteiten hebben vervolgens in de aanvullende informatie van 14 april 2025 het volgende vermeld:
“(…) the accused, [opgeëiste persoon], did not attend the hearings following the decision
of reversal. Due to the failure to deliver the instruction sent to his last known address, an arrest warrant was issued against him. However, since the decision of reversal was in favor of the accused, the arrest warrant issued at the third hearing was revoked. The accused was not present at the sentencing hearing. A defense attorney was appointed ex officio for the accused pursuant to Article 150/3 of the Criminal Procedure Code, and the accused was aware of the appointment of the defense attorney. The accused did not request to be exempted from the hearings. The judgement was announced to the accused’s defense attorney. The right to appeal was indicated as the legal remedy.”
2.8.2
Standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw voert aan ten aanzien van het vonnis met documentnummer 2014/156 en beslissingsnummer 2015/498 dat de opgeëiste persoon geen dagvaarding heeft ontvangen en niet op de hoogte was van de zitting. Ook wist hij niet dat aan hem een raadsman was toegewezen. Uit de reactie van de Turkse autoriteiten is niet gebleken wie deze toegewezen raadsman is geweest. De opgeëiste persoon heeft geen contact gehad met de raadsman en is door hem niet op de hoogte gesteld van de uitkomst van de procedure en over een mogelijkheid van hoger beroep. Het recht op een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM en het aanwezigheidsrecht zijn voor de opgeëiste persoon niet gewaarborgd. De uitlevering moet ten aanzien van dit vonnis ontoelaatbaar worden verklaard.
2.8.3
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie verwijst ten aanzien van het vonnis met documentnummer 2010/347 en beslissingsnummer 2010/445 naar het uitleveringsverzoek en de aanvullende informatie van 14 april 2025, waarin wordt vermeld dat de opgeëiste persoon aanwezig is geweest bij de zittingen en het uitspreken van het vonnis omdat hij op dat moment gedetineerd was. De opgeëiste persoon heeft een raadsman toegewezen gekregen en is hiermee in de gelegenheid gesteld om zijn verdediging te voeren. De uitlevering moet ten aanzien van dit vonnis toelaatbaar worden verklaard.
Ten aanzien van het vonnis met documentnummer 2014/156 en beslissingsnummer 2015/498 stelt de officier van justitie zich op het standpunt dat de overlevering toelaatbaar kan worden verklaard. Uit de aanvullende informatie van 14 april 2025 blijkt dat de opgeëiste persoon weliswaar niet aanwezig is geweest bij de zitting die tot de herzieningsbeslissing heeft geleid, maar dat wel een raadsman aanwezig is geweest die de verdediging heeft gevoerd. Uit de aanvullende informatie volgt daarbij dat de opgeëiste persoon op de hoogte is geweest van de aanstelling van deze raadsman, die ook cassatie heeft ingesteld. De opgeëiste persoon heeft hiermee gebruik kunnen maken van zijn verdedigingsrechten. In verband met het vertrouwensbeginsel dient men ervan uit te gaan dat Turkije de mensenrechten en artikel 6 EVRM waarborgt. De officier van justitie heeft hierbij verwezen naar een arrest van de Hoge Raad, waarbij de uitlevering toelaatbaar werd verklaard, omdat de opgeëiste persoon werd bijgestaan door een raadsman, die aanwezig was bij de uitspraak en daarna cassatie heeft ingesteld. [4] Deze elementen zijn ook in de onderhavige zaak van toepassing. De uitlevering kan voor het bovengenoemde vonnis toelaatbaar worden verklaard.
2.8.4
Oordeel van de rechtbank
Vonnis met documentnummer 2010/347 en beslissingsnummer 2010/445
Ten aanzien van het vonnis met documentnummer 2010/347 en beslissingsnummer 2010/445 oordeelt de rechtbank dat uit het uitleveringsverzoek en de aanvullende informatie van de Turkse autoriteiten van 14 april 2025 volgt dat de opgeëiste persoon gebruik heeft kunnen maken van zijn verdedigingsrechten. Er is dus geen sprake van een “bij verstek (...) gewezen vonnis” waarvan gezegd kan worden dat “bij het strafproces de rechten van de verdediging niet in acht zijn genomen die tenminste aan een ieder, tegen wie een strafvervolging wordt ingesteld, behoren toe te komen” . De rechtbank is voornemens de uitlevering ten aanzien van dit vonnis toelaatbaar te verklaren.
Vonnis met documentnummer 2014/156 en beslissingsnummer 2015/498
De rechtbank moet op grond van artikel 3 van het Tweede Aanvullende protocol bij het EUV en artikel 5, derde lid, UW toetsen of bij het strafproces dat tot het bij verstek gewezen vonnis heeft geleid de rechten van de verdediging niet in acht zijn genomen die tenminste aan een ieder, tegen wie een strafvervolging wordt ingesteld, behoren toe te komen. Ten aanzien van het vonnis met documentnummer 2014/156 en beslissingsnummer 2015/498 begrijpt de rechtbank de aanvullende informatie van 11 en 14 april 2025 zo dat deze betrekking heeft op de vraag in hoeverre de opgeëiste persoon na de terugverwijzing in de gelegenheid is geweest om zijn verdediging te voeren. Echter begrijpt de rechtbank ook dat in de procedure na de terugverwijzing niet meer is gesproken over de inhoud van de zaak met betrekking tot de schuldvraag en het beoordelen van de straf, maar alleen in civielrechtelijke zin over de toewijzing van de schadevergoedingsvordering van de benadeelde partij. Uit de aanvullende informatie blijkt niet of de opgeëiste persoon in de procedure vóór de terugverwijzing (toen wel is gesproken over de schuldvraag en de straf) ook in de gelegenheid is geweest om zijn verdedigingsrechten uit te oefenen.
De rechtbank ziet zich daarom genoodzaakt het onderzoek te heropenen om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de volgende nadere vragen te doen voorleggen aan de Turkse autoriteiten:
Welke instantie heeft als laatste geoordeeld over de schuldvraag en de hoogte van de straf ten aanzien van het vonnis met documentnummer 2014/156 en beslissingsnummer 2015/498?
In hoeverre is de opgeëiste persoon in de procedure voor die instantie in de gelegenheid geweest om gebruik te maken van zijn verdedigingsrechten? Dat wil zeggen: is hij aanwezig geweest bij de inhoudelijke behandeling, werd hij vertegenwoordigd door een raadsman die daartoe gemachtigd was, of kan in ieder geval op andere wijze worden vastgesteld dat de opgeëiste persoon op de hoogte is gesteld van de procedure en vervolgens de keuze heeft gemaakt om geen gebruik te maken van zijn verdedigingsrechten?

4.Beslissing

HEROPENT EN SCHORSThet onderzoek
voor onbepaalde tijdom de officier van justitie, door tussenkomst van het Ministerie van Justitie en Veiligheid, in de gelegenheid te stellen de hiervoor genoemde vragen aan de autoriteiten van Turkije voor te leggen.
BEVEELTde oproeping van de opgeëiste persoon tegen een nog vast te stellen datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving aan zijn raadsvrouw.
BEVEELTde oproeping van een tolk voor de Turkse taal tegen de nog vast te stellen datum en het nog vast te stellen tijdstip.
Deze tussenuitspraak is gedaan door
mr. M. Westerman, voorzitter,
mrs. M. Scheeper en J.T.H. Zimmerman, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. G.S. Haas, griffier.
en uitgesproken ter openbare zitting van 23 december 2025.

Voetnoten

1.Trb.1965,9.
2.Hof Den Haag 2 februari 2016, ECLI:NL:GHDHA:2016:143.
3.Rb. Amsterdam 26 maart 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:1985 en Rb. Den Haag, ECLI:NL:RBDHA:2024:9226.
4.HR 21 oktober 2022, ECLI:NL:HR:2022:1495.