ECLI:NL:RBAMS:2025:10448

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
24 december 2025
Publicatiedatum
23 december 2025
Zaaknummer
AMS 25/1835 en 25/2711
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:6 AwbArt. 8:41 AwbArt. 8:72 AwbArt. 8:106 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Herziening definitieve tegemoetkoming NOW 3.3 en NOW 4 wegens nieuwe feiten

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen besluiten van het UWV die haar verzoeken tot herziening van de definitieve tegemoetkomingen op grond van de NOW 3.3 en NOW 4 afwezen. Het UWV stelde dat er geen nieuwe feiten of omstandigheden waren die herziening rechtvaardigden, zoals bedoeld in artikel 4:6 Awb Pro.

De rechtbank oordeelt dat eiseres niet in staat was om de juiste gegevens over haar omzetverlies in het UWV-systeem in te voeren vanwege beperkingen van het systeem en de seizoensgebonden aard van haar bedrijf. Dit betekent dat de relevante gegevens over het omzetverlies kwalificeren als nieuwe feiten die niet eerder konden worden aangevoerd.

Daarom heeft het UWV de herzieningsverzoeken ten onrechte afgewezen. De rechtbank vernietigt de bestreden besluiten en draagt het UWV op binnen acht weken een nieuw besluit te nemen, waarbij de eerder niet overgelegde gegevens moeten worden betrokken. Tevens moet het UWV het griffierecht aan eiseres vergoeden.

Uitkomst: De rechtbank vernietigt de afwijzende besluiten van het UWV en draagt op tot hernieuwde beoordeling van de herzieningsverzoeken met inachtneming van nieuwe feiten.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummers: AMS 25/1835 en 25/2711

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 december 2025 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats] , eiseres

en
de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, namens deze de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het Uwv
(gemachtigde: [gemachtigde] ).

Procesverloop

1. Eiseres heeft beroepen ingesteld tegen de twee besluiten van het Uwv over definitieve tegemoetkomingen op grond van de Tijdelijke Noodmaatregel Overbrugging Werkgelegenheid (NOW). Het gaat om de besluiten van 6 februari 2025 over definitieve tegemoetkomingen voor NOW 3, vijfde tranche (NOW 3.3) (met kenmerk [kenmerk 1] ) en NOW 4 (met kenmerk [kenmerk 2] ) (de bestreden besluiten).
2. Het Uwv heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.
3. De rechtbank heeft de beroepen op 20 november 2025, gecombineerd met de beroepen in de zaken met zaaknummers AMS 25/1824, 25/1827, 25/1830 en 25/2710, op zitting behandeld. Namens eiseres hebben aan de zitting deelgenomen [bestuurder 1] (bestuurder) en [bestuurder 2] (bestuurder). Het Uwv heeft zich, via een telefoonverbinding, laten vertegenwoordigen door voornoemde gemachtigde.

Beoordeling door de rechtbank

Wat ging er aan deze procedure vooraf?
4. Eiseres heeft in 2021 (tijdige) aanvragen gedaan voor een voorschot voor de tegemoetkoming op grond van de NOW 3.3 en NOW 4. Hierop heeft het Uwv eiseres bij besluit van 18 mei 2021 een voorschot voor de tegemoetkoming op grond van de NOW 3.3 toegekend van € 1.599,- en bij besluit van 13 september 2021 een voorschot voor de tegemoetkoming op grond van de NOW 4 van € 264,-.
5. Eiseres heeft vervolgens twee aanvragen gedaan voor de definitieve berekening van de tegemoetkomingen op grond van de NOW 3.3 en NOW 4.
6. Bij besluit van 6 april 2022 heeft het Uwv de aanvraag voor de definitieve berekening van de tegemoetkoming op grond van de NOW 3.3 afgewezen. Op basis van dit besluit moest eiseres ook het voorschot van € 1.599,- terugbetalen omdat haar omzetverlies lager was dan 20%.
7. Bij besluit van 12 juni 2023 heeft het Uwv de aanvraag voor de definitieve berekening van de tegemoetkoming op grond van de NOW 4 toegewezen. In dit besluit is, op basis van het werkelijke omzetverlies over de relevante periode, de definitieve tegemoetkoming berekend. Op basis daarvan had eiseres nog een bedrag van € 31,- van het Uwv tegoed.
8. Eiseres heeft nadien twee verzoeken ingediend om voornoemde besluiten van het Uwv van 6 april 2022 en 12 juni 2023 over de definitieve tegemoetkoming op grond van respectievelijk de NOW 3.3 en de NOW 4 te herzien.
9. Het Uwv heeft deze herzieningsverzoeken van eiseres met de besluiten van 22 november 2024 afgewezen. De reden hiervoor was dat eiseres geen nieuwe informatie of omstandigheden heeft genoemd. Met de bestreden besluiten op de bezwaren van eiseres is het Uwv, om dezelfde reden, bij de afwijzing van de verzoeken gebleven.
10. De rechtbank begrijpt dat eiseres in beroep gaat tegen de bestreden besluiten waarin het Uwv de besluiten van 6 april 2022 en 12 juni 2023 ongewijzigd heeft gelaten. Zij beoogt daarmee alsnog een (hogere) tegemoetkoming te krijgen op grond van de NOW 3.3 en de NOW 4.
Overwegingen
11. Beide zaken gaan over verzoeken van eiseres om de eerder vastgestelde definitieve tegemoetkoming op grond van respectievelijk NOW 3.3 en NOW 4 te herzien.
12. Het Uwv heeft de herzieningsverzoeken afgewezen op grond van artikel 4:6, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), omdat er volgens het Uwv geen sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden.
13. Omdat het Uwv in deze zaak toepassing heeft gegeven aan artikel 4:6 van Pro de Awb, toetst de bestuursrechter aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden of het Uwv zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Als de bestuursrechter tot het oordeel komt dat het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn, dan kan dat de afwijzing van het verzoek om herziening van het eerdere besluit in beginsel dragen. De bestuursrechter kan niettemin aan de hand van de beroepsgronden tot het oordeel komen dat het bestreden besluit evident onredelijk is.
14. De eerste vraag is dus of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van Pro de Awb. Daaronder wordt volgens vaste rechtspraak verstaan: feiten of omstandigheden die niet eerder bekend waren of niet eerder konden worden aangevoerd. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden niet is gebleken. Hierna wordt uitgelegd waarom.
15. Eiseres heeft onder meer aangevoerd dat haar werkelijke omzet in de relevante periodes voor NOW 3.3 en NOW 4 aanleiding geeft voor een (hogere) tegemoetkoming. Hoewel zij bij de eerste aanvragen wel beschikte over de relevante gegevens over haar omzetverlies (zoals de jaarrekening 2019 en de saldibalans 2021), kon zij deze gegevens niet op een juiste en volledige wijze invoeren. Het aanvraagsysteem van het Uwv liet dat volgens eiseres niet toe. Dit is door het Uwv niet betwist. Door de beperkte invoermogelijkheden, die niet aansloten bij de bedrijfsvoering van eiseres (een seizoensgebonden bedrijf), zou zij alleen door het onjuist beantwoorden van de vragen (en daarmee door te liegen) over haar omzet(verlies) tot een juiste en hogere berekening van de tegemoetkoming zijn gekomen. De (telefonische) hulp van Uwv-medewerkers kon eiseres hierbij destijds niet verder helpen. Deze gang van zaken is door het Uwv niet weersproken. Uit het dossier blijkt dat pas bij de beoordeling van de aanvragen voor de definitieve berekening van de tegemoetkoming op grond van de NOW 7 is gebleken dat de berekeningen in het kader van de eerdere NOW-aanvragen van eiseres onjuist waren. De gemachtigde van het Uwv heeft hierover ter zitting opgemerkt dat de gegevens van eiseres nu mogelijk anders zouden worden beoordeeld, maar dat geen inhoudelijke beoordeling heeft plaatsgevonden omdat eiseres al met deze gegevens bekend was en deze in die zin niet nieuw waren.
16. Onder deze omstandigheden moet worden geoordeeld dat de relevante gegevens over het omzetverlies niet vóór het eerdere besluit konden worden aangevoerd en daarmee ook niet behoorden te worden aangevoerd. Relevant in dit verband is met name dat het Uwv niet heeft weersproken dat het voor eiseres feitelijk niet mogelijk was om de juiste gegevens in te dienen in het systeem, zonder antwoorden in te vullen in strijd met de werkelijkheid. Daar komt bij dat uit het overgelegde aanvraagformulier niet volgt dat een optie bestond om nadere (relevante) stukken (over het omzetverlies) bij de eerste aanvraag te voegen, ter verduidelijking van de situatie. De rechtbank begrijpt aldus dat het aanvraagsysteem zo was ingericht dat niet in alle situaties de relevante gegevens
kondenworden ingevoerd en/of geüpload. Het Uwv heeft eiseres gelet hierop onvoldoende in staat gesteld om de voor het besluit benodigde gegevens over de relevante feiten te delen. In een dergelijk geval ligt het in de risicosfeer van het Uwv dat eiseres bij de aanvragen mogelijk incomplete of onjuiste gegevens heeft ingevoerd. Dat eiseres eerder al wel bekend was met deze gegevens, doet hieraan dan niet af.
17. Het voorgaande betekent dat de gegevens van eiseres over haar omzet(verlies) kwalificeren als nieuw gebleken feiten in de zin van artikel 4:6 van Pro de Awb. De beroepsgrond van eiseres slaagt daarom.

Conclusie en gevolgen

18. De beroepen zijn gegrond, omdat de bestreden besluiten zijn genomen in strijd met artikel 4:6 van Pro de Awb. Dit betekent dat het Uwv de bezwaren van eiseres onterecht verkort heeft afgedaan. Het Uwv had de bezwaren van eiseres in plaats daarvan inhoudelijk moeten beoordelen en haar besluit moeten motiveren. De rechtbank vernietigt daarom de bestreden besluiten. De rechtbank ziet geen aanleiding om de rechtsgevolgen van de besluiten in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien.
19. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat het Uwv nieuwe besluiten op de bezwaren van eiseres moet nemen, met inachtneming van deze uitspraak. Dat betekent dat het Uwv in ieder geval de eerder door eiseres aan het Uwv toegestuurde – maar niet in deze procedure overgelegde – gegevens over haar omzet(verlies) alsnog bij de beoordeling van de herzieningsaanvragen moet betrekken. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van acht weken. Deze termijn gaat op grond van artikel 8:106 van Pro de Awb pas lopen als de termijn om hoger beroep in te stellen is verstreken of, als hoger beroep wordt ingesteld, daarop is beslist.
20. Voor het griffierecht zijn onderhavige zaken aangemerkt als samenhangend met de vier zaken met zaaknummers AMS 25/1824, 25/1827, 25/1830 en 25/2710. Er is daarom op grond van artikel 8:41, derde lid, van de Awb eenmaal griffierecht geheven. In de andere vier zaken is een separate uitspraak gedaan. De latere beslissing van de rechtbank om in twee afzonderlijke uitspraken te beslissen, leidt niet tot een nadere verschuldigdheid van griffierecht. In dit geval zal, omdat de beroepen in onderhavige zaken (wel) gegrond zijn, het Uwv het eenmaal geheven griffierecht aan eiseres moeten vergoeden. Eiseres heeft geen proceskosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart de beroepen gegrond;
- vernietigt de bestreden besluiten van 6 februari 2025 (met kenmerken [kenmerk 1] en [kenmerk 2] );
- draagt het Uwv op binnen acht weken na de dag nadat de termijn om hoger beroep in te stellen ongebruikt is verstreken, of als hoger beroep wordt ingesteld, na de dag nadat daarop is beslist, een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat het Uwv het griffierecht van € 385,- aan eiseres moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.A.L. Wiersinga, rechter, in aanwezigheid van mr. M.W. van de Kar, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 24 december 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.