ECLI:NL:RBAMS:2025:10460

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
24 december 2025
Publicatiedatum
23 december 2025
Zaaknummer
13/107309-25 (A), 13/339836-24 (B)
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bewezenverklaring van mishandelingen en belaging van ex-partner met vrijspraak voor explosie

In deze zaak heeft de Rechtbank Amsterdam op 24 december 2025 uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die beschuldigd werd van meerdere mishandelingen en belaging van zijn ex-partner gedurende een periode van ruim acht maanden. De rechtbank heeft vastgesteld dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan belaging en mishandeling, maar sprak hem vrij van het teweegbrengen van een explosie voor de woning van de ex-partner, omdat er onvoldoende bewijs was. De rechtbank oordeelde dat de herkenningen van de camerabeelden door de aangeefster en haar buurman niet betrouwbaar genoeg waren om de verdachte te veroordelen voor dit feit. De verdachte werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van acht maanden, met een contact- en gebiedsverbod voor de duur van drie jaar, en moest € 1000,- aan immateriële schade vergoeden aan de benadeelde partij. De rechtbank heeft de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toegewezen, waarbij de benadeelde partij niet-ontvankelijk werd verklaard in het deel van de vordering dat betrekking had op de vrijgesproken feiten.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummers: 13/107309-25 (A), 13/339836-24 (B) (gevoegd op de zitting)
Datum uitspraak: 24 december 2025
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum 1] 1998 in [geboorteplaats] ,
verblijvend op het adres: [adres] ,
nu gedetineerd in [detentieadres] .

1.Het onderzoek op de zitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de zitting van
11 december 2025.
De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers waren aangebracht, gevoegd. Deze zaken worden hier als respectievelijk zaak A en zaak B aangeduid.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. M. Modder, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. N.C. Reehuis, naar voren hebben gebracht.
Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van wat namens de benadeelde partij, [benadeelde partij 1] , door haar raadsman, mr. R.A. Korver, en haar raadsvrouw, mr. T.A.E. Bossen, en namens de benadeelde partij [benadeelde partij 2] door zijn raadsman mr. R. Haak naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan:
Zaak A
feit 1: het voorhanden hebben van een explosief op 4 april 2025 te Diemen;
feit 2: het belagen van [benadeelde partij 1] in de periode van 1 september 2024 tot en met 1 juni 2025 te Diemen;
feit 3: het handelen in strijd met een gedragsaanwijzing in de periode van 20 december 2024 tot en met 24 januari 2025 te Diemen;
feit 4: mishandeling van [benadeelde partij 1] in de periode van 19 september 2024 tot en met 16 februari 2025 te Diemen;
feit 5: het opzettelijk teweegbrengen van een ontploffing op 4 april 2025 te Diemen.
Zaak B
mishandeling van [benadeelde partij 1] op 25 oktober 2024 te Diemen.
De gehele tekst van beide tenlasteleggingen is opgenomen in
bijlage Idie aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3.De standpunten van partijen ten aanzien van het bewijs

3.1.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de tenlastegelegde feiten, met uitzondering van het in zaak A, onder 3 tenlastegelegde, kunnen worden bewezen.
Ten aanzien van het in zaak A, onder 3 tenlastegelegde – het handelen in strijd met de gedragsaanwijzing – heeft zij gevorderd verdachte vrij te spreken omdat de gedragsaanwijzing niet meer van kracht was gedurende de tenlastegelegde periode.
Ten aanzien van het in zaak A, onder 1 en 5 tenlastegelegde – het bezitten van een explosief en het teweegbrengen van een explosie – komt zij tot een bewezenverklaring op basis van de herkenningen van verdachte op de beelden door zowel aangeefster als de buurman van aangeefster en omdat er geen contra-indicaties zijn. Zo zijn de camerabeelden van die nacht gelegd op eerdere beelden van verdachte waaruit blijkt dat de lengte van verdachte overeenkomt met de lengte van de persoon op de beelden.
3.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft bepleit dat verdachte voor alle tenlastegelegde feiten moet worden vrijgesproken.
Ten aanzien van het in zaak A, onder 2 tenlastegelegde – de belaging – heeft zij zich op het standpunt gesteld dat het contact tussen aangeefster en verdachte niet wederrechtelijk was en niet stelselmatig.
Ten aanzien van het in zaak A, onder 4 tenlastegelegde en het in zaak B tenlastegelegde – de mishandelingen – heeft zij zich op het standpunt gesteld dat er onvoldoende bewijs is dat de verklaringen van aangeefster ondersteunt. Daarbij heeft de raadsvrouw erop gewezen dat mishandeling vereist dat pijn of letsel als gevolg daarvan is komen vast te staan.

4.Het oordeel van de rechtbank ten aanzien van het bewijs

4.1.
Vrijspraak van zaak A, feit 3
De rechtbank acht het handelen in strijd met de gedragsaanwijzing niet bewezen. Uit het dossier volgt dat de gedragsaanwijzing per 5 december 2024 is opgeheven en daarmee niet meer van kracht was gedurende de tenlastegelegde periode. Verdachte zal hiervan dan ook worden vrijgesproken.
4.2.
Vrijspraak van zaak A, feit 1 en feit 5
De rechtbank is van oordeel dat niet is bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het voorhanden hebben van een explosief (feit 1) en het tot ontploffing brengen daarvan voor de woning van aangeefster (feit 5). De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
Op beelden, gemaakt met de deurbelcamera’s van de woningen aan de [adres] (directe buurman van aangeefster) en 7 (de woning van aangeefster) te [plaats] , is te zien dat in de vroege ochtend van 4 april 2025 rond 3:26 uur een persoon richting de woning aan de [adres] loopt. Deze persoon is volledig in het zwart gekleed. Hij heeft een capuchon op en hij heeft zijn gezicht bedekt. De persoon plaatst , buiten het zicht van de camera’s, een voorwerp bij de voordeur en strekt zijn hand ernaar uit. Dan is kort een fel, flikkerend licht zichtbaar en is er rook te zien. Vervolgens rent de persoon hard weg.
Agenten ter plaatse constateren dat er een explosie heeft plaatsgevonden. Deze heeft grote schade aangericht aan de woningen aan de [adres] en [adres] en de omliggende woningen.
Ter plaatse verklaarde aangeefster dat zij bij het bekijken van de beelden direct zag dat het haar ex-vriend, verdachte, was. Zij herkende hem aan zijn magere postuur en opvallende loopje. In haar aangifte verklaarde zij te vermoeden dat het verdachte was omdat niemand anders dit bij haar zou doen en zij geen vijanden of ruzie met anderen heeft. Aangeefster voegt hier aan toe dat alhoewel zij denkt dat het verdachte is hij ook gek genoeg is om het iemand anders te laten doen. In haar aangifte van 10 april 2025 verklaart zij dat hij een bivakmuts droeg maar dat zij hem herkende aan de stand en de vorm van zijn ogen.
De buurman, bewoner van [adres] , is als getuige gehoord en heeft verklaard dat hij bij het zien van de beelden verdachte herkende. Hij herkende hem aan zijn dunne postuur, zijn lengte, aan de broek die hij altijd draagt, aan zijn loopje en (vaste) looproute: diagonaal langs de woning van getuige naar de woning van aangeefster.
Verdachte ontkent dat hij op het moment van de explosie bij de woning van aangeefster was en een ontploffing teweeg heeft gebracht.
De rechtbank is van oordeel dat op basis van het dossier niet buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat het verdachte is geweest die het explosief voor de woning van aangeefster tot ontploffing heeft gebracht
Niet kan worden vastgesteld dat verdachte bij de woning van aangeefster was op het moment van de ontploffing. Alleen de herkenningen van aangeefster en de buurman brengen verdachte naar die plaats. Met herkenningen en de bewijskracht daarvan moet behoedzaam worden omgegaan. Dit geldt vooral als deze herkenningen het enige bewijsmiddel zijn die de betrokkenheid van een verdachte bij de ten laste gelegde feiten kunnen aantonen. Bij het beantwoorden van de vraag of een herkenning betrouwbaar is, zijn onder meer van belang de kwaliteit en helderheid van de camerabeelden, de mate waarin de dader op de beelden duidelijk zichtbaar is en of en zo ja, in welke hoedanigheid en frequentie de waarnemer en de dader elkaar eerder hebben getroffen, en of de herkenning heeft plaatsgevonden op basis van specifieke, onderscheidende persoonskenmerken. Er bestaat bij de rechtbank geen aanleiding om te twijfelen aan de oprechtheid van aangeefster en de buurman die hebben verklaard verdachte te herkennen op de beelden. Ook zijn de beelden redelijk scherp en helder. Niettemin is de rechtbank van oordeel dat de door aangeefster en de buurman genoemde persoonskenmerken onvoldoende onderscheidend zijn. Gezichtsherkenning heeft de hoogste waarde, maar is in dit geval niet mogelijk door het dragen van gezichtsbedekking. Enkel de ogen zijn zichtbaar, gedurende een kort moment en niet volledig van voren gezien. Weliswaar geeft aangeefster aan dat zij hem herkent aan de vorm en stand van zijn ogen maar op de beelden is de stand van de ogen moeilijk te zien en aangeefster licht ook niet toe waarom die vorm en stand zo specifiek kenmerkend zijn voor verdachte. Dat verdachte mager is, een zwarte trainingsbroek draagt en dat de lengte van de dader overeenkomt met die van verdachte, is evenmin voldoende voor een betrouwbare herkenning. De broek heeft geen opvallende kenmerken die naar verdachte leiden. En voor wat betreft de lengte geldt dat, ook als op basis van de gemaakte vergelijking met eerdere beelden van verdachte kan worden vastgesteld dat die lengte inderdaad gelijk is, dit nog niet onderscheidend genoeg is om een herkenning op te kunnen baseren. Over de looproute waaraan de buurman verdachte herkent, heeft verdachte op zitting verklaard: “dat is nou eenmaal de snelste route naar de woning van aangeefster”. Deze verklaring komt overeen met wat de rechtbank op de beelden van de situatie ter plaatse waarneemt. Dit maakt ook de looproute onvoldoende specifiek voor een betrouwbare herkenning.
De rechtbank overweegt verder dat een herkenning waardevoller en betrouwbaarder is als deze is ontstaan en gevormd bij ontmoetingen in persoon. Daarvan is in deze zaak onmiskenbaar sprake. Echter verdachte is herkend door zijn ex, met wie hij ruzie had en uit het dossier blijkt dat ook de buurman geen goede relatie met verdachte had. De rechtbank kan niet uitsluiten dat deze omstandigheden van invloed zijn geweest op de herkenningen Tot slot maakt aangeefster een aantal voorbehouden bij haar herkenning en geeft zij aan dat zij niet uitsluit dat het ook een ander kan zijn geweest die het voor verdachte heeft gedaan. . Dit leidt ertoe dat de rechtbank alles overziend de herkenningen als onvoldoende betrouwbaar beoordeelt.
Dit houdt in dat de rechtbank het in zaak A onder 1 en 5 tenlastegelegde niet bewezen vindt. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
4.3.
Bewezenverklaring van zaak A, feit 2 en feit 4 en zaak B
4.3.1.
Zaak A, feit 2
De rechtbank vindt, op grond van de bewijsmiddelen die zijn opgenomen in
bijlage II, bewezen dat verdachte zich in de periode van 27 september 2024 tot en met 1 juni 2025 schuldig heeft gemaakt aan belaging van [benadeelde partij 1] . De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
Wederrechtelijkheid
In haar aangifte heeft [benadeelde partij 1] verklaard dat zij het sinds september 2024 onprettig vindt om bij verdachte in de buurt te zijn. Zij heeft verdachte al heel vaak gezegd dat zij wil dat hij haar met rust laat maar hij blijft bellen. Zij neemt soms op om te zeggen dat hij moet ophouden met bellen. Ook vraagt zij verdachte, als hij bij haar woning komt, te vertrekken. Uit het dossier volgt niet dat [benadeelde partij 1] contact heeft gezocht met verdachte. Daarbij heeft zij een klacht ter zake van belaging ingediend. De rechtbank is van oordeel dat de wederrechtelijkheid daarmee vaststaat.
Stelselmatigheid
Bij de beoordeling of er sprake is van belaging als bedoeld in artikel 285b, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, zijn diverse factoren van belang: de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de gedragingen van verdachte, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijke leven en de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer.
De rechtbank stelt vast dat verdachte [benadeelde partij 1] op 26 mei 2025 zeven keer heeft gebeld , op 31 mei 2025 (met een ander telefoonnummer) 34 keer en op 1 juni 2025 twee keer. . Met weer een ander telefoonnummer belde hij haar tussen 24 mei 2025 en 1 juni 2025 zestien keer. Dit heeft verdachte bekend.
Op 29 maart 2025 heeft verdachte [benadeelde partij 1] meerdere Whatsapp-berichten gestuurd. Hij schrijft daarin – onder meer – dat hij een GPS-tracker onder de auto van [benadeelde partij 1] had geplaatst. Dat deze berichten afkomstig waren van verdachte, leidt de rechtbank af uit het feit dat [benadeelde partij 1] hem aanspreekt bij zijn voornaam, ‘ [voornaam verdachte] ’, bezien in samenhang met de context.
Op 27 september 2024, 1 februari 2025, 16 februari 2025 en 12 maart 2025 was verdachte in of bij de woning van [benadeelde partij 1] . Hij wilde niet vertrekken en zij heeft twee keer de politie gebeld. Ook dit heeft verdachte bekend.
Uit de aangifte en uit het nader verhoor met aangeefster volgt dat het gedrag van verdachte veel invloed heeft gehad op aangeefster. Zij verklaart dat hij haar in zijn berichten pusht en uitscheldt en dat zij zich niet prettig bij hem voelt. Ook blijkt uit haar aangifte dat zij bang is iedere keer als hij bij haar woning verschijnt. Verder heeft zij tijdens haar spreekrecht duidelijk gemaakt dat het gedrag van verdachte haar angstig en onzeker heeft gemaakt. Zij is altijd bang dat hij ineens voor haar opduikt. Voor verdachte moet het daarnaast op verschillende momenten duidelijk zijn geweest dat aangeefster niet van zijn gedrag was gediend en dat zij geen contact wenste. Zo verklaart zij dat zij de nummers waarmee hij belt blokkeert, maar dat hij dan gewoon een nieuw nummer neemt waarmee hij haar belt. Ook neemt zij soms op om te zeggen dat hij moet ophouden met bellen en heeft zij hem gezegd dat zij wil dat hij haar met rust laat. Hiervan heeft hij zich niets aangetrokken. Als hij bij haar woning komt vraagt ze hem om te vertrekken. Ter zitting heeft verdachte hierover verklaard dat hij antwoorden van [benadeelde partij 1] wilde en dat hij daar recht op had. De gedragingen van verdachte kunnen naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet anders worden begrepen dan dat zij gericht zijn geweest op het dwingen van aangeefster om contact met hem te hebben, alsmede om zijn toenaderingspogingen te dulden.
De rechtbank komt gelet op de aard, duur, frequentie en intensiteit van de vastgestelde gedragingen van verdachte en de invloed daarvan op het persoonlijke leven en de persoonlijke vrijheid van aangeefster tot de conclusie dat van 27 september 2024 tot en met 1 juni 2025 sprake is geweest van een stelselmatige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van aangeefster en acht voor die periode het ten laste gelegde feit 2 dan ook wettig en overtuigend bewezen.
4.3.1.1. Partiële vrijspraak ten aanzien van de periode 1 september tot 27 september 2024
De rechtbank vindt dat de belaging in de periode van 27 september 2024 tot en met 1 juni 2025 is bewezen. Voor zover de tenlastelegging een langere periode bestrijkt, is de rechtbank van oordeel dat dit niet kan worden bewezen. Verdachte zal daarvan partieel worden vrijgesproken.
4.3.2.
Zaak A, feit 4
De rechtbank vindt, op grond van de bewijsmiddelen die zijn opgenomen in
bijlage II, bewezen dat verdachte zich in de periode van 27 september 2024 tot en met 1 februari 2025 schuldig heeft gemaakt aan mishandeling van [benadeelde partij 1] . De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
27 september 2024
Verdachte heeft op zitting verklaard dat hij en [benadeelde partij 1] ruzie hadden en dat hij [benadeelde partij 1] heeft geduwd en haar bij haar polsen heeft vastgepakt. [benadeelde partij 1] heeft aangifte gedaan van mishandeling. Agenten ter plaatse troffen haar overstuur aan. Zij zagen dat zij blauwe plekken had op haar onderarm.
1 februari 2025
Verdachte heeft tijdens zijn verhoor verklaard dat hij die dag bij [benadeelde partij 1] was en op zitting heeft hij verklaard dat hij [benadeelde partij 1] toen heeft geduwd en vastgehouden. Agenten ter plaatse troffen [benadeelde partij 1] huilend aan. Zij verklaarde dat [verdachte] haar beet had gepakt en in haar gezicht had geslagen. De agenten zagen dat de linker kant van haar gezicht opgezet was en dat zij aan het klappertanden was van de pijn.
De rechtbank vindt dat de mishandelingen op bovenvermelde data zijn bewezen. De verklaringen van [benadeelde partij 1] vinden steeds steun in andere bewijsmiddelen. Bovendien is in alle gevallen pijn en/of letsel komen vast te staan.
4.3.2.1. Partiële vrijspraak ten aanzien van de periode 1 februari tot en met 16 februari 2025
Voor de overige momenten die binnen de tenlastegelegde periode vallen, is de rechtbank van oordeel dat deze niet kunnen worden bewezen. Ofwel omdat de verklaringen van [benadeelde partij 1] geen steun vinden in andere bewijsmiddelen. Ofwel omdat niet is komen vast te staan dat er sprake was van pijn en/of letsel. Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
4.3.2.2. Partiële vrijspraak ten aanzien van een handeling
De rechtbank stelt vast dat het dossier, anders dan de aangifte van [benadeelde partij 1] , geen andere bewijsmiddelen bevat die ondersteunen dat verdachte haar een of meerdere keren bij haar keel zou hebben gegrepen. Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
4.3.3.
Zaak B
De rechtbank vindt, op grond van de bewijsmiddelen die zijn opgenomen in
bijlage II, bewezen dat verdachte zich op 24 oktober 2024 schuldig heeft gemaakt aan mishandeling van [benadeelde partij 1] door te duwen en trekken en een kopstoot te geven. Verdachte heeft op zitting verklaard dat hij en [benadeelde partij 1] ruzie hadden en dat hij haar heeft geduwd en aan haar heeft getrokken. Agenten ter plaatse troffen [benadeelde partij 1] aan. Zij riep: “Wordt mijn hoofd al blauw? Hij heeft mij een kopstoot gegeven.” De agenten zagen haar heftig trillen en huilen. Eén van de agenten vroeg of zij haar hoofd mocht voelen en voelde een hele lichte zwelling. De verklaring van [benadeelde partij 1] vindt dus steun in andere bewijsmiddelen waarmee ook is komen vast te staan dat sprake was van letsel.

5.De bewezenverklaring

De rechtbank acht, op grond van de in
bijlage IIopgenomen bewijsmiddelen waarin de redengevende feiten en omstandigheden zijn vervat, bewezen dat verdachte
Zaak A
feit 2
in de periode van 27 september 2024 tot en met 1 juni 2025 in Nederland wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [benadeelde partij 1] , door
 die [benadeelde partij 1] meerdere malen te bellen en
 die [benadeelde partij 1] via WhatsApp berichten te sturen en
 meerdere malen zich op te houden in of rondom de woning van die [benadeelde partij 1]
met het oogmerk die [benadeelde partij 1] , te dwingen iets te doen en te dulden;
feit 4
in de periode van 27 september 2024 tot en met 1 februari 2025 te Diemen [benadeelde partij 1] heeft mishandeld, door die [benadeelde partij 1]
 te duwen en
 vast te pakken bij de polsen en
 te slaan in het gezicht.
Zaak B
op 25 oktober 2024 te Diemen [benadeelde partij 1] heeft mishandeld door die [benadeelde partij 1]
 te duwen en te trekken en
 een kopstoot te geven.

6.De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7.De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.
De raadslieden van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] hebben de rechtbank verzocht om opdracht te geven om onderzoek te doen naar de persoon van de verdachte. De rechtbank ziet geen aanleiding om van haar ambtshalve bevoegdheid in deze gebruik te maken. Het verzoek wordt dus afgewezen. Er is om deze reden ook geen aanleiding om de zaak te heropenen.

8.De straf

8.1.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaar, met aftrek van het voorarrest, wordt opgelegd. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat aan verdachte een maatregel als bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht (hierna: 38v-maatregel) wordt opgelegd in de vorm van een contact- en locatieverbod voor de duur van maximaal 5 jaar. De 38v-maatregel dient dadelijk uitvoerbaar te worden verklaard.
8.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft verzocht om integrale vrijspraak en heeft geen opmerkingen ten aanzien van een eventueel op te leggen straf naar voren gebracht.
8.3.
Het oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van de bewezen verklaarde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon en draagkracht van verdachte, zoals daarvan op de zitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze voor het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan belaging en mishandelingen van het slachtoffer [benadeelde partij 1] . Hij heeft haar uitdrukkelijke wens om door hem met rust gelaten te worden niet gerespecteerd. Deze feiten, en ook de samenloop van deze feiten, hebben een grote inbreuk gemaakt op haar lichamelijke integriteit en persoonlijke levenssfeer. Zij heeft in haar spreekrecht aangegeven dat dit grote invloed heeft op haar dagelijks leven: het heeft haar angstig en onzeker gemaakt en het heeft haar gevoel van veiligheid vernietigd. Dat verdachte als verklaring voor zijn gedragingen aangeeft dat hij recht heeft op antwoorden, bevestigt dat hij de door [benadeelde partij 1] aangegeven grenzen niet respecteert. De rechtbank vindt dit ernstig en dit baart haar ook zorgen.
Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank gekeken naar de oriëntatiepunten voor straftoemeting. Ook heeft de rechtbank gekeken naar straffen die in vergelijkbare zaken worden opgelegd.
De rechtbank heeft gelet op het strafblad van verdachte. Daaruit blijkt dat verdachte niet eerder voor vergelijkbare feiten is veroordeeld.
Alles afwegende vindt de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden, met aftrek van het voorarrest, passend en geboden. De rechtbank wijkt daarbij af van de eis van de officier van justitie, omdat zij verdachte vrijspreekt van het teweegbrengen van de explosie.
De rechtbank ziet aanleiding om, naast eerdergenoemde straf, een vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht op te leggen in de vorm van een contact- en gebiedsverbod voor de duur van 3 jaar. Dit houdt in dat verdachte, gedurende 3 jaar, op geen enkele wijze – direct of indirect – contact mag zoeken, opnemen of hebben met [benadeelde partij 1] en dat verdachte zich niet in de [plaats] mag begeven en ook niet op de adressen waar [benadeelde partij 1] werkt, te weten: de [adres] en de [adres] . Omdat er gelet op de bewezen gedragingen van verdachte ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen en/of zich belastend zal gedragen jegens een bepaalde persoon beveelt de rechtbank, gelet op artikel 38v, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, dat de opgelegde maatregel, dadelijk uitvoerbaar is.

9.Het beslag

De rechtbank beslist dat de telefoon, op de beslaglijst aangegeven met nummer 1, die aan verdachte toebehoort, wordt verbeurd verklaard omdat is komen vast te staan dat verdachte de bewezenverklaarde belaging hiermee heeft begaan.
De rechtbank beslist dat de telefoon, op de beslaglijst aangegeven met nummer 2, wordt teruggegeven aan verdachte.
De beslaglijst is als
bijlage IIIaan dit vonnis gehecht en geldt als hier ingevoegd.

10.De benadeelde partijen

10.1.
De vordering van benadeelde partij [benadeelde partij 1]
De benadeelde partij heeft € 76.066,16 gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente. Deze vordering bestaat uit € 66.066,16 aan vergoeding van materiële schade en € 10.000,- aan vergoeding van immateriële schade. De benadeelde partij heeft opgemerkt dat de post ‘toekomstige kosten’ is ingediend met het oog op eventueel hoger beroep. Zij heeft gevraagd om haar ten aanzien van deze post niet-ontvankelijk te verklaren. Daarnaast heeft zij verzocht om de schadevergoedingsmaatregel op te leggen. Voorts heeft de benadeelde partij gevraagd om de proceskosten ter hoogte van € 10.977,44 te vergoeden.
10.1.1.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij ten aanzien van de post ‘toekomstige schade’ niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Voor het overige kan de vordering worden toegewezen, inclusief wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
10.1.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft primair verzocht om de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren, en subsidiair om de vordering aanzienlijk te matigen. Ten aanzien van de proceskosten heeft de raadsvrouw gevraagd om bij het liquidatietarief aan te sluiten.
10.1.3.
Het oordeel van de rechtbank
Materiële schade
De rechtbank stelt vast dat de gevorderde materiële kosten betrekking hebben op het in zaak A, onder 1 en 5 tenlastegelegde, waarvan verdachte zal worden vrijgesproken. Om die reden is de benadeelde partij niet-ontvankelijk in dit deel van haar vordering.
Ook voor wat betreft de post ‘toekomstige kosten’, voor zover deze geen betrekking heeft op het in zaak A, onder 1 en 5 tenlastegelegde, wordt de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard.
Immateriële schade
Op grond van artikel 6:106, eerste lid van het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen immateriële schadevergoeding omdat zij ten gevolge van het in zaak A, onder 2 en 4, en het in zaak B bewezenverklaarde lichamelijk en geestelijk letsel heeft opgelopen.
De benadeelde partij heeft toegelicht dat zij leeft in angst, onzekerheid en verwarring. Ze huilt dagelijks en heeft last van paniekaanvallen. Uit het rapport van Veilig Thuis volgt dat er bij haar, door toedoen van verdachte, sprake is van aanzienlijke angst- en traumaklachten. Daarnaast heeft de benadeelde partij letsel opgelopen als gevolg van de mishandelingen. Ook dit rechtvaardigt immateriële schadevergoeding. Op grond van deze omstandigheden en rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, begroot de rechtbank de immateriële schadevergoeding naar billijkheid op € 1.000,-.
De rechtbank zal de vordering tot immateriële schadevergoeding gedeeltelijk toewijzen tot een bedrag van € 1.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente. Voor de aanvangsdatum van de wettelijke rente gaat de rechtbank uit van 28 januari 2025, wat is gelegen in het midden van de bewezenverklaarde periode, .
Als extra waarborg voor betaling aan de benadeelde partij zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen.
Voor het meerdere wordt de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard.
Proceskosten
Kosten van rechtsbijstand komen in aanmerking voor vergoeding op grond van artikel 532 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv). Een redelijke uitleg van artikel 532 Sv brengt mee dat bij de begroting van deze kosten dezelfde maatstaf wordt gehanteerd als in civiele procedures. Dit betekent dat het liquidatietarief dient te worden gehanteerd. Het is echter mogelijk om hiervan af te wijken indien er sprake is van bijzondere omstandigheden waardoor het tarief van de betreffende advocaat gehanteerd dient te worden. Een dergelijke bijzondere omstandigheid is naar het oordeel van de rechtbank niet aan de orde. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om af te wijken van het uitgangspunt om het liquidatietarief te hanteren.
De rechtbank zal de proceskosten aan de hand van het liquidatietarief, gelet op de omvang van de verrichte werkzaamheden, bepalen op € 1.042,- (2 punten à € 521,- per punt). Daarbij is uitgegaan van de vordering voor zover die ziet op de bewezenverklaarde feiten.
10.2.
De vordering van benadeelde partij [benadeelde partij 2]
De benadeelde partij heeft € 5.302,39 gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente. Deze vordering bestaat uit € 3.902,39 aan vergoeding van materiële schade en € 1.400,- aan vergoeding van immateriële schade. Daarnaast heeft hij verzocht om de schadevergoedingsmaatregel op te leggen. Voorts heeft de benadeelde partij gevraagd om de proceskosten ter hoogte van € 542,- te vergoeden.
10.2.1.
Het oordeel van de rechtbank
Omdat de rechtbank verdachte voor het in zaak A, onder 1 en 5 tenlastegelegde vrijspreekt, is de benadeelde partij niet-ontvankelijk in zijn vordering.

11.De toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen en maatregelen zijn gegrond op de artikelen 33, 33a, 36f, 38v, 38w, 57, 63, 285b en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

12.De beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart het in zaak A, onder 1, 3 en 5 tenlastegelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart bewezen dat verdachte het in zaak A onder 2 en 4 en het in zaak B tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 vermeld.
Verklaart niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezenverklaarde levert op:
Zaak A
feit 2:belaging;
feit 4:mishandeling, meermalen gepleegd.
Zaak B
mishandeling.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar.
Verklaart verdachte,
[verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
8 (acht) maanden.
Beveelt dat de tijd die door verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering zal worden gebracht.
Legt op de
maatregeldat verdachte voor de duur van
3 (drie) jaar:
1. op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zoekt, opneemt of heeft met [benadeelde partij 1] , geboren [geboortedatum 2] ;
2. zich niet bevindt in de [plaats] ;
3. zich niet bevindt op de volgende adressen: [adres] en [adres] .
Beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt
1 (één) weekvoor
iedere keerdat niet aan de maatregel wordt voldaan. De totale duur van de tenuitvoergelegde vervangende hechtenis bedraagt ten hoogte zes maanden.
Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op.
Beveelt dat de maatregel
dadelijk uitvoerbaaris.
Verklaart
verbeurdhet goed met nummer 1 op de beslaglijst (bijlage III).
Beslist tot
teruggave aan verdachtevan het goed met nummer 2 op de beslaglijst (bijlage III).
Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 1.000,- (duizend euro), bestaande uit vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 28 januari 2025, tot aan de dag van de voldoening.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij 1] .
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op € 1.042,- (duizend vierentwintig euro).
Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering is.
Legt aan verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij 1] aan de Staat € 1.000 (duizend euro) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 28 januari 2025, tot aan de dag van de voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van maximaal 20 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Bepaalt dat de
benadeelde partij [benadeelde partij 2] niet-ontvankelijkin zijn vordering is.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. G.M. Beunk, voorzitter,
mr. D. Bode en mr. D.M.S. Gribling, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M.C.A. Olsen, griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank van 24 december 2025.