4.2.Vrijspraak van zaak A, feit 1 en feit 5
De rechtbank is van oordeel dat niet is bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het voorhanden hebben van een explosief (feit 1) en het tot ontploffing brengen daarvan voor de woning van aangeefster (feit 5). De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
Op beelden, gemaakt met de deurbelcamera’s van de woningen aan de [adres] (directe buurman van aangeefster) en 7 (de woning van aangeefster) te [plaats] , is te zien dat in de vroege ochtend van 4 april 2025 rond 3:26 uur een persoon richting de woning aan de [adres] loopt. Deze persoon is volledig in het zwart gekleed. Hij heeft een capuchon op en hij heeft zijn gezicht bedekt. De persoon plaatst , buiten het zicht van de camera’s, een voorwerp bij de voordeur en strekt zijn hand ernaar uit. Dan is kort een fel, flikkerend licht zichtbaar en is er rook te zien. Vervolgens rent de persoon hard weg.
Agenten ter plaatse constateren dat er een explosie heeft plaatsgevonden. Deze heeft grote schade aangericht aan de woningen aan de [adres] en [adres] en de omliggende woningen.
Ter plaatse verklaarde aangeefster dat zij bij het bekijken van de beelden direct zag dat het haar ex-vriend, verdachte, was. Zij herkende hem aan zijn magere postuur en opvallende loopje. In haar aangifte verklaarde zij te vermoeden dat het verdachte was omdat niemand anders dit bij haar zou doen en zij geen vijanden of ruzie met anderen heeft. Aangeefster voegt hier aan toe dat alhoewel zij denkt dat het verdachte is hij ook gek genoeg is om het iemand anders te laten doen. In haar aangifte van 10 april 2025 verklaart zij dat hij een bivakmuts droeg maar dat zij hem herkende aan de stand en de vorm van zijn ogen.
De buurman, bewoner van [adres] , is als getuige gehoord en heeft verklaard dat hij bij het zien van de beelden verdachte herkende. Hij herkende hem aan zijn dunne postuur, zijn lengte, aan de broek die hij altijd draagt, aan zijn loopje en (vaste) looproute: diagonaal langs de woning van getuige naar de woning van aangeefster.
Verdachte ontkent dat hij op het moment van de explosie bij de woning van aangeefster was en een ontploffing teweeg heeft gebracht.
De rechtbank is van oordeel dat op basis van het dossier niet buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat het verdachte is geweest die het explosief voor de woning van aangeefster tot ontploffing heeft gebracht
Niet kan worden vastgesteld dat verdachte bij de woning van aangeefster was op het moment van de ontploffing. Alleen de herkenningen van aangeefster en de buurman brengen verdachte naar die plaats. Met herkenningen en de bewijskracht daarvan moet behoedzaam worden omgegaan. Dit geldt vooral als deze herkenningen het enige bewijsmiddel zijn die de betrokkenheid van een verdachte bij de ten laste gelegde feiten kunnen aantonen. Bij het beantwoorden van de vraag of een herkenning betrouwbaar is, zijn onder meer van belang de kwaliteit en helderheid van de camerabeelden, de mate waarin de dader op de beelden duidelijk zichtbaar is en of en zo ja, in welke hoedanigheid en frequentie de waarnemer en de dader elkaar eerder hebben getroffen, en of de herkenning heeft plaatsgevonden op basis van specifieke, onderscheidende persoonskenmerken. Er bestaat bij de rechtbank geen aanleiding om te twijfelen aan de oprechtheid van aangeefster en de buurman die hebben verklaard verdachte te herkennen op de beelden. Ook zijn de beelden redelijk scherp en helder. Niettemin is de rechtbank van oordeel dat de door aangeefster en de buurman genoemde persoonskenmerken onvoldoende onderscheidend zijn. Gezichtsherkenning heeft de hoogste waarde, maar is in dit geval niet mogelijk door het dragen van gezichtsbedekking. Enkel de ogen zijn zichtbaar, gedurende een kort moment en niet volledig van voren gezien. Weliswaar geeft aangeefster aan dat zij hem herkent aan de vorm en stand van zijn ogen maar op de beelden is de stand van de ogen moeilijk te zien en aangeefster licht ook niet toe waarom die vorm en stand zo specifiek kenmerkend zijn voor verdachte. Dat verdachte mager is, een zwarte trainingsbroek draagt en dat de lengte van de dader overeenkomt met die van verdachte, is evenmin voldoende voor een betrouwbare herkenning. De broek heeft geen opvallende kenmerken die naar verdachte leiden. En voor wat betreft de lengte geldt dat, ook als op basis van de gemaakte vergelijking met eerdere beelden van verdachte kan worden vastgesteld dat die lengte inderdaad gelijk is, dit nog niet onderscheidend genoeg is om een herkenning op te kunnen baseren. Over de looproute waaraan de buurman verdachte herkent, heeft verdachte op zitting verklaard: “dat is nou eenmaal de snelste route naar de woning van aangeefster”. Deze verklaring komt overeen met wat de rechtbank op de beelden van de situatie ter plaatse waarneemt. Dit maakt ook de looproute onvoldoende specifiek voor een betrouwbare herkenning.
De rechtbank overweegt verder dat een herkenning waardevoller en betrouwbaarder is als deze is ontstaan en gevormd bij ontmoetingen in persoon. Daarvan is in deze zaak onmiskenbaar sprake. Echter verdachte is herkend door zijn ex, met wie hij ruzie had en uit het dossier blijkt dat ook de buurman geen goede relatie met verdachte had. De rechtbank kan niet uitsluiten dat deze omstandigheden van invloed zijn geweest op de herkenningen Tot slot maakt aangeefster een aantal voorbehouden bij haar herkenning en geeft zij aan dat zij niet uitsluit dat het ook een ander kan zijn geweest die het voor verdachte heeft gedaan. . Dit leidt ertoe dat de rechtbank alles overziend de herkenningen als onvoldoende betrouwbaar beoordeelt.
Dit houdt in dat de rechtbank het in zaak A onder 1 en 5 tenlastegelegde niet bewezen vindt. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.