Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2025:10503

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
23 december 2025
Publicatiedatum
24 december 2025
Zaaknummer
25 / 1554
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 15 AVGArt. 4 AVGArt. 82 AVG
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond tegen besluit inzake inzageverzoek persoonsgegevens op grond van de AVG

Eiseres heeft een beroep ingesteld tegen een besluit van het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam inzake een inzageverzoek op grond van artikel 15 van Pro de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG). Het verzoek betrof persoonsgegevens die op 19 oktober 2023 waren verwerkt, naar aanleiding van een incident waarbij eiseres per abuis informatie over een besloten bijeenkomst ontving en daarop door de politie werd staande gehouden.

De rechtbank oordeelt dat verweerder het inzageverzoek volledig en zorgvuldig heeft behandeld. De verstrekte gegevens zijn volledig en de toelichting op het delen van persoonsgegevens met de politie is voldoende gegeven. Klachten over het beleid van de gemeente en de behandeling van een klacht tegen een bestuurder vallen buiten de reikwijdte van artikel 15 AVG Pro en zijn daarom niet-ontvankelijk in deze procedure.

Verder is vastgesteld dat de redelijke termijn voor de behandeling van bezwaar en beroep niet is overschreden en dat er geen sprake is van een schending van de AVG die schadevergoeding rechtvaardigt. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst het verzoek om dwangsom en schadevergoeding af.

Uitkomst: Het beroep tegen het besluit inzake het inzageverzoek op grond van de AVG wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 25/1554

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 december 2025 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres

en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, verweerder

(gemachtigde: mr. M. Khallouk).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen een besluit op grond van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG). Met een besluit van 29 maart 2024, aangevuld met een besluit van 9 augustus 2024, heeft verweerder het verzoek van eiseres op grond van de AVG ingewilligd.
2. Met het bestreden besluit van 6 maart 2025 heeft verweerder het bezwaar van eiseres gedeeltelijk gegrond verklaard.
3. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
4. De rechtbank heeft het beroep op 11 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van verweerder deelgenomen. Eiseres is niet verschenen.

Standpunten van partijen

5. Eiseres stelt dat verweerder in het bestreden besluit ten onrechte geen aandacht heeft besteed aan haar vragen. Verweerder heeft geen duidelijke juridische uitleg gegeven over de beslissing tot de inzet van de politie. Daarnaast is de klacht van eiseres tegen de [persoon] niet in behandeling genomen. Eiseres verzoekt daarom om het opleggen van een dwangsom vanwege het ontbreken van een inhoudelijke reactie op haar vragen en het niet behandelen van haar klacht. Verder stelt eiseres dat de redelijke termijn van de procedure is overschreden en zij verzoekt om schadevergoeding voor de financiële en immateriële schade die zij door deze procedure heeft geleden.
6. Verweerder geeft aan dat de inzet van de politie losstaat van het inzageverzoek waar deze zaak over gaat. Ook klachten over het gedrag van bestuurders en ambtenaren vallen niet binnen deze procedure. Voor onder meer het eventueel verwijderen van gegevens met betrekking tot adresonderzoeken is eiseres verwezen naar het loket Persoonsgegevens van de gemeente. Voor bredere beleidsinformatie kan eiseres een beroep doen op de Wet open overheid. Verder benadrukt verweerder dat er op tijd is gereageerd op het inzageverzoek. Het nemen van deelbesluiten is toegestaan volgens vaste rechtspraak. Elk deelbesluit is daarbij zorgvuldig uitgelegd en inhoudelijk behandeld.

Beoordeling door de rechtbank

7. De rechtbank beoordeelt of verweerder het inzageverzoek op juiste wijze en volledig heeft behandeld. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
8. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is
.Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
9. Eiseres heeft op 19 oktober 2023 contact opgenomen met verweerder en daarbij informatie gevraagd over een besloten bijeenkomst die later die dag zou plaatsvinden. Per abuis heeft verweerder de locatie van die bijeenkomst verstrekt. Vanwege het gevoelige karakter van de bijeenkomst is de politie uit voorzorg geïnformeerd. Eiseres is diezelfde dag door de politie staande gehouden.
10. Naar aanleiding hiervan heeft eiseres op grond van artikel 15 van Pro de AVG verzocht om inzage in alle persoonsgegevens die verweerder van haar heeft verwerkt. Het verzoek ziet in ieder geval, maar niet uitsluitend, op de gegevens van eiseres die zijn verwerkt op
19 oktober 2023.
11. Het inzageverzoek is gebaseerd op artikel 15, eerste lid, van de AVG. Dit artikel geeft een betrokkene het recht om inzage te krijgen van de persoonsgegevens die over hem of haar zijn verzameld. Dit recht maakt het mogelijk te controleren of deze gegevens kloppen en op een juiste manier zijn verwerkt. Het inzagerecht geldt alleen voor persoonsgegevens. Wat precies onder ‘persoonsgegevens’ valt, bepaalt daarom de grenzen van dit recht. Volgens artikel 4, eerste lid, van de AVG gaat het om
“alle informatie over een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon”.
12. Verweerder heeft naar aanleiding van het verzoek inzage gegeven in persoonsgegevens die van eiseres zijn verwerkt. Tijdens de bezwaarprocedure zijn nog meer persoonsgegevens aan het licht gekomen, waarin eveneens inzage is gegeven. Daarom is het bezwaar gegrond verklaard. Eiseres heeft in de beroepsprocedure niet bestreden dat de gegevens volledig zijn.
13. Eiseres stelt dat verweerder geen antwoord heeft gegeven op haar vragen over de juridische grondslag voor de melding bij de politie. Voor zover eiseres bedoelt dat zij wil weten waarom haar gegevens met de politie zijn gedeeld, is dit door verweerder voldoende toegelicht. Volgens verweerder heeft eiseres in oktober 2023 bij de gemeente geïnformeerd naar de locatie van een besloten bijeenkomst. Per abuis is deze locatie aan haar verstrekt en vanwege het gevoelige karakter van die bijeenkomst is de politie uit voorzorg geïnformeerd.
14. Voor zover eiseres meer wil weten over het beleid van de gemeente inzake het delen van persoonsgegevens met derde-instanties, overweegt de rechtbank het volgende. Verweerder hoeft op basis van artikel 15 van Pro de AVG geen algemene werkafspraken of protocollen met derde partijen te delen. Deze informatie valt niet binnen de definitie van ‘persoonsgegevens’ in de zin van artikel 4, eerste lid, van de AVG. Verweerder heeft haar geadviseerd contact op te nemen met het loket Persoonsgegevens van de gemeente voor meer informatie over deze onderwerpen. Ook kan eiseres een verzoek indienen op basis van de Wet open overheid om meer duidelijkheid te krijgen over het beleid en de praktijken van de gemeente. De beroepsgrond van eiseres valt daarom buiten de reikwijdte van deze procedure.
15. De beroepsgrond ten aanzien van de klacht die eiseres heeft ingediend tegen de voorzitter van stadsdeel Zuid, valt ook buiten de reikwijdte van artikel 15 van Pro de AVG. Als eiseres vindt dat de gemeente haar klacht niet goed heeft behandeld, kan zij deze voorleggen aan de gemeentelijke ombudsman. Zoals in rechtsoverweging 7 is uitgelegd, gaat artikel 15 van Pro de AVG niet over de beoordeling van dit soort klachten.
16. Overigens merkt de rechtbank nog het volgende op. Uit de achterliggende aanleiding voor het inzageverzoek blijkt dat er verschillende geschillen spelen tussen eiseres en verweerder, die grotendeels zijn terug te voeren op hetzelfde incident. Ter zitting heeft verweerder desgevraagd te kennen gegeven te zullen onderzoeken of het mogelijk is mediation op te starten tussen eiseres en verweerder.
Schadevergoeding
17. Voor zover eiseres aanvoert dat zij aanspraak maakt op immateriële schadevergoeding omdat de redelijke termijn is overschreden, overweegt de rechtbank als volgt. Volgens vaste rechtspraak mag in een procedure als deze de behandeling van het bezwaar hoogstens een half jaar duren en de behandeling van het beroep bij de rechtbank ten hoogste anderhalf jaar. Doorgaans is geen sprake van een overschrijding van de redelijke termijn indien de fasen van bezwaar en beroep gezamenlijk niet langer dan twee jaar hebben geduurd. De te beoordelen periode vangt in beginsel aan op de datum waarop het bezwaarschrift is ingediend en loopt door tot de datum waarop de rechtbank in eerste aanleg uitspraak heeft gedaan. [1] Eiseres heeft op 15 augustus 2024 haar bezwaarschrift ingediend. Nu de rechtbank ruim binnen twee jaar na het bezwaarschrift uitspraak heeft gedaan, is de redelijke termijn niet overschreden.
18. Eiseres verzoekt daarnaast om schadevergoeding die zij stelt te hebben geleden vanwege stress als gevolg van het niet naleven van de regels door verweerder. Artikel 82, eerste lid, van de AVG bepaalt dat eenieder die materiële of immateriële schade heeft geleden ten gevolge van een inbreuk op deze verordening het recht heeft om van de verwerkingsverantwoordelijke of de verwerker schadevergoeding te ontvangen. Om voor schadevergoeding op grond van de AVG in aanmerking te komen, moet aan een aantal voorwaarden zijn voldaan. Zo moet er sprake zijn van een schending van de AVG. Hierboven is al vastgesteld dat hiervan geen sprake is. Er is daarom geen aanleiding om het verzoek om schadevergoeding toe te wijzen.

Conclusie en gevolgen

13. De beroepsgronden slagen niet. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van het door eiser betaalde griffierecht bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M.A. van der Heijden, rechter, in aanwezigheid van mr. N. Galjee-Melehi, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 23 december 2025.
griffier
rechter
is verhinderd deze uitspraakte ondertekenen
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie onder meer de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State van 29 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:188.