ECLI:NL:RBAMS:2025:10545

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
11 december 2025
Publicatiedatum
30 december 2025
Zaaknummer
13-268918-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 22 OLWArt. 23 OLWArt. 29 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Officier van justitie niet-ontvankelijk bij verzoek tot in behandeling nemen Europees aanhoudingsbevel wegens verblijf buiten Nederland

De rechtbank Amsterdam behandelde op 11 december 2025 de vordering van de officier van justitie tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door het Openbaar Ministerie bij het Hof van Beroep van Douai, Frankrijk. Het EAB betrof de aanhouding en overlevering van een persoon zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland.

De opgeëiste persoon was niet verschenen, maar zijn raadsman was wel aanwezig. De rechtbank stelde vast dat de identiteit van de opgeëiste persoon juist was en dat hij de Surinaamse nationaliteit bezit. Uit het dossier bleek dat de opgeëiste persoon geen adres in Nederland heeft en sinds schorsing van zijn overleveringsdetentie door de rechter-commissaris verblijft in België, waar hij werkt en woont.

Gezien deze omstandigheden en het feit dat er geen aanwijzingen zijn dat de opgeëiste persoon zich momenteel in Nederland bevindt, oordeelde de rechtbank dat de officier van justitie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar vordering. Tevens werd het geschorste bevel tot overleveringsdetentie opgeheven. Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.

Uitkomst: De officier van justitie is niet-ontvankelijk verklaard in de vordering tot in behandeling nemen van het Europees aanhoudingsbevel omdat de opgeëiste persoon niet in Nederland verblijft.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-268918-25
Datum uitspraak: 11 december 2025
UITSPRAAK
op de vordering van 31 oktober 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 19 juli 2024 door het Openbaar Ministerie bij het Hof van Beroep van Douai, Frankrijk (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon],
geboren op [geboortedag] 1976 te [geboorteplaats] (Suriname),
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
verblijvende op het adres [adres],
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 11 december 2025, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is niet verschenen. Zijn (niet gemachtigd) raadsman, mr. R.P.G. van der Weide, advocaat in Amsterdam, is wel verschenen.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
De rechtbank heeft het onderzoek gesloten en direct uitspraak gedaan.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht en vastgesteld dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat de opgeëiste persoon de Surinaamse nationaliteit heeft.

3.Ontvankelijkheid officier van justitie

Standpunt officier van justitie
De officier van justitie heeft zich – onder verwijzing naar het bevel tot schorsing van de bewaring van 13 oktober 2025 – op het standpunt gesteld dat er objectieve aanwijzingen zijn dat de opgeëiste persoon niet meer in Nederland verblijft, zodat de officier van justitie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering tot het in behandeling nemen van het EAB.
Het oordeel van de rechtbank
Uit het dossier volgt dat de opgeëiste persoon geen adres in Nederland heeft. De opgeëiste persoon is in Nederland aangehouden, omdat hij vanaf Schiphol naar Suriname wilde reizen. De rechter-commissaris van de rechtbank Amsterdam heeft vervolgens de overleveringsdetentie van de opgeëiste persoon geschorst onder de voorwaarde dat hij zal verblijven op zijn vaste adres in België. Bij de rechter-commissaris heeft de opgeëiste persoon voorts verklaard dat hij in België bij een chocoladefabriek werkt, en regelmatig zijn dochter ziet. Gelet op deze bijzondere omstandigheden – waarbij de opgeëiste persoon in België woont en werkt en volgens voornoemd bevel tot schorsing van de bewaring ook in België moet verblijven – is de rechtbank met de officier van justitie van oordeel dat er geen aanwijzingen zijn dat de opgeëiste persoon thans in Nederland verblijft, zodat de grondslag aan de vordering van de officier van justitie is komen te vervallen. De officier van justitie moet daarom niet-ontvankelijk worden verklaard.

4.Beslissing

Verklaartde officier van justitie niet-ontvankelijk in haar vordering tot het in behandeling nemen van het EAB;
Heft ophet – geschorste – bevel overleveringsdetentie.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M.C.M. Hamer, voorzitter,
mrs. E.M. de Bie en C.M.S. Loven, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. E.A. Harland, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 11 december 2025.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet Pro.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.