ECLI:NL:RBAMS:2025:10658

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
17 december 2025
Publicatiedatum
5 januari 2026
Zaaknummer
C/13/766324 / HA ZA 25-858
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Verstek
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:96 BWArt. 6:119 BWArt. 6:162 BWArt. 2:9 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing bestuurdersaansprakelijkheid bij niet-nakoming koop bedrijfsruimte start-up

Nummer 14, een stichting actief in vastgoed, vordert ontbinding van een koopovereenkomst met een start-up en betaling van een contractuele boete wegens niet-nakoming van de koopsom. Tevens vordert zij bestuurdersaansprakelijkheid wegens het aangaan van verplichtingen zonder deugdelijk financieringsperspectief.

De start-up betaalde de koopsom niet, waarna Nummer 14 de overeenkomst ontbond en de boete claimde. De bestuurders stelden dat zij niet wisten noch behoorden te weten dat de financiering ondeugdelijk was, mede omdat zij werden geadviseerd door een derde partij. Nummer 14 stelde dat de bestuurders onvoldoende onderzoek deden naar de financier en dat er sprake was van 'red flags'.

De rechtbank oordeelde dat de bestuurders aannemelijk hebben gemaakt dat zij te goeder trouw handelden en dat de financieringsovereenkomst met de vermeende geldschieter bestond, ondanks de onwaarschijnlijkheid van het scenario. Nummer 14 kon onvoldoende feiten stellen om een ernstig verwijt aan de bestuurders te maken. De vordering tegen de bestuurders wordt daarom afgewezen.

Tegen [gedaagde 1] is verstek verleend en de vorderingen tot ontbinding, boete, rente, buitengerechtelijke kosten en proceskosten worden toegewezen. Nummer 14 wordt veroordeeld in de proceskosten van de bestuurders. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Koopovereenkomst buitengerechtelijk ontbonden, boete en kosten toegewezen tegen start-up, bestuurdersaansprakelijkheid afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht
Zaaknummer: C/13/766324 / HA ZA 25-858
Vonnis van 17 december 2025
in de zaak van
STICHTING NUMMER 14,
gevestigd te Amsterdam,
eisende partij,
hierna te noemen: Nummer 14,
advocaat: mr. S. van der Kamp,
tegen

1.[gedaagde 1] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,
niet verschenen,
2.
[gedaagde 2],
wonende te [woonplaats 1] ,
3.
[gedaagde 3],
wonende te [woonplaats 2] ,
advocaat: mr. A.P.P. Witteveen,
gedaagde partijen,
gedaagden 2 en 3 hierna samen te noemen: de bestuurders

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 6 maart 2025, met producties,
- het tegen [gedaagde 1] verleende verstek,
- de conclusie van antwoord van de bestuurders van 25 juni 2025, met producties,
- het tussenvonnis van 23 juli 2025, waarin een mondelinge behandeling is bepaald,
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 28 oktober 2025, en de zittingsaantekeningen van de griffier,
- de akte eiswijziging van 5 november 2025 en de reactie daarop van de zijde van de bestuurders van dezelfde datum.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Nummer 14 is een stichting die zich bezighoudt met het aankopen, (her)ontwikkelen, renoveren en beheren van vastgoed in Amsterdam. Nummer 14 is eigenaar van een bedrijfsruimte in Amsterdam.
2.2.
[gedaagde 1] is een
start-upvastgoedonderneming. [gedaagde 2] en [gedaagde 3] zijn (indirect) bestuurders van [gedaagde 1] .
2.3.
Op 27 juli 2024 heeft [gedaagde 1] een vrijblijvend bod op de bedrijfsruimte gedaan. Vervolgens zijn partijen in onderhandeling getreden over de voorwaarden van de overeenkomst.
2.4.
Op 29 november 2024 hebben partijen de koopovereenkomst getekend. In de overeenkomst staat – voor zover relevant – dat:
- de koopprijs voor de bedrijfsruimte € 4.425.000,- bedraagt;
- de koopprijs betaald moet worden vóór het ondertekenen van de leveringsakte;
- de leveringsakte zal worden verleden op 17 december 2024;
- voor [gedaagde 1] geen financieringsvoorbehoud geldt;
- als een partij tekortschiet, de andere partij de overeenkomst kan ontbinden. De tekortschietende partij is daarbij een boete van 10% van de koopprijs verschuldigd.
2.5.
[gedaagde 1] heeft de koopsom op 17 december 2024 niet betaald. De levering heeft die dag niet plaatsgevonden.
2.6.
Op 27 december 2024 heeft Nummer 14 [gedaagde 1] gesommeerd om de koopsom binnen acht dagen te betalen.
2.7.
Op 10 januari 2025 heeft Nummer 14 [gedaagde 1] laten weten dat zij zich genoodzaakt voelt om [gedaagde 1] , alsmede de bestuurders, aansprakelijk te stellen. Nummer 14 heeft [gedaagde 1] tot 13 januari 2025 de tijd gegeven om na te komen.
2.8.
Op 21 januari 2025 heeft Nummer 14 in een brief aan [gedaagde 1] o.a. geschreven dat zij overgaat tot ontbinding van de koopovereenkomst en dat zij aanspraak maakt op de contractuele boete van 10% van de koopprijs zijnde € 442.500,-.

3.Het geschil

3.1.
Nummer 14 vordert na wijziging van eis – samengevat – om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
I.
Ten aanzien van [gedaagde 1] :
a. een verklaring voor recht dat de koopovereenkomst buitengerechtelijk is ontbonden, dan wel de koopovereenkomst te ontbinden; en
b. [gedaagde 1] te veroordelen tot betaling van de contractuele boete van
€ 442.500,-;
c. (is ter zitting ingetrokken)
d. [gedaagde 1] te veroordelen tot betaling van de wettelijke (handels)rente over de contractuele boete vanaf 21 januari 2025;
II.
Ten aanzien van de bestuurders:
Primair
a. te verklaren voor recht dat de bestuurders onrechtmatig hebben gehandeld door verplichtingen aan te gaan waarvan zij wisten, althans redelijkerwijs behoorden te weten, dat [gedaagde 1] deze niet zou kunnen nakomen gezien de ondeugdelijkheid van de daartoe verkregen financiering;
b. de bestuurders (hoofdelijk) te veroordelen tot vergoeding van de schade, bestaande uit het bedrag dat [gedaagde 1] uit hoofde van de vordering sub I aan Nummer 14 moet voldoen maar waarvoor [gedaagde 1] geen verhaal biedt, nader op te maken bij staat.
Subsidiair
c. voorwaardelijk, voor het geval komt vast te staan dat [gedaagde 1] geen verhaal biedt, te verklaren voor recht dat de bestuurders onrechtmatig hebben gehandeld door namens [gedaagde 1] verplichtingen aan te gaan waarvan zij wisten, althans redelijkerwijs behoorden te weten, dat [gedaagde 1] deze verplichtingen niet zou kunnen nakomen gezien de ondeugdelijkheid van de daartoe verkregen financiering,
d. voorwaardelijk, voor het geval komst vast te staan dat [gedaagde 1] geen verhaal biedt, de bestuurders (hoofdelijk) te veroordelen tot vergoeding van de schade, bestaande uit het bedrag dat [gedaagde 1] uit hoofde van de vordering sub I aan Nummer 14 moet voldoen maar waarvoor [gedaagde 1] geen verhaal biedt, nader op te maken bij staat.
Daarnaast vordert Nummer 14 dat [gedaagde 1] en de bestuurders hoofdelijk worden veroordeeld tot betaling van buitengerechtelijke kosten en proceskosten.
3.2.
De bestuurders voeren verweer. Zij wisten niet dat [gedaagde 1] de verplichtingen uit de overeenkomst niet zou kunnen nakomen en hadden daar geen rekening mee hoeven houden. Zij hebben de volgende toelichting gegeven op de gang van zaken voorafgaand aan het tekenen van de koopovereenkomst.
3.3.
[gedaagde 1] is een start-up zonder eigen middelen. De financiering van de bedrijfsruimte moest volledig worden verstrekt via een derde. Hiervoor waren de bestuurders in gesprek met een partij uit Amerika. Toen in dat proces vertraging ontstond aan de zijde van de Amerikaanse partij, is [gedaagde 1] op zoek gegaan naar andere externe financiering om zo de periode tot de investering van de Amerikaanse partij te overbruggen.
3.4.
Bij dit tweede financieringstraject is [gedaagde 1] begeleid door [naam 1] . [naam 1] heeft een bedrijfskundig adviesbureau en heeft jarenlang als accountant gewerkt. De bestuurders kennen [naam 1] sinds 2022 via bevriende connecties. Hun netwerk is daarbij altijd positief geweest over de werkzaamheden van [naam 1] . [gedaagde 3] heeft ook eerder zaken gedaan met [naam 1] . [gedaagde 1] heeft in oktober-november 2024 drie keer met [naam 1] gezeten om financiering te regelen voor de bedrijfsruimte. Tijdens de samenwerking heeft [naam 1] , samen met zijn partner [naam 2] , die door [naam 1] is geïntroduceerd als een zelfstandig intermediair met een achtergrond bij ABN AMRO, ene [naam 3] naar voren geschoven als geïnteresseerde partij. Toen de bestuurders vroegen of ze [naam 3] konden ontmoeten, antwoordde [naam 1] dat hij hem zelf had gezien en had gesproken en alle checks had gedaan. Eind november 2024 heeft [gedaagde 1] een leningsovereenkomst gesloten met [naam 3] . Pas daarna heeft [gedaagde 1] de koopovereenkomst met Nummer 14 getekend.
3.5.
Na ondertekening door [gedaagde 1] en [naam 3] heeft [naam 1] de leningsovereenkomst naar de notaris gestuurd. De notaris heeft [naam 3] om nadere informatie gevraagd, maar kreeg geen reactie. [naam 2] heeft vervolgens laten weten dat [naam 3] een auto-ongeluk had gehad en op de intensive care lag. Achteraf gezien concludeert [gedaagde 1] dat zij is misleid en dat [naam 3] waarschijnlijk niet eens bestaat. Wat de rol van [naam 1] hierin is geweest, is vooralsnog onduidelijk. [gedaagde 1] heeft [naam 1] aansprakelijk gesteld. Zij heeft inmiddels contact met de advocaat van de aansprakelijkheidsverzekeraar van [naam 1] .
3.6.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

Ten aanzien van [gedaagde 1]
4.1.
Tegen [gedaagde 1] is verstek verleend. De rechtbank is van oordeel dat de vordering I onder a en b niet ongegrond of onrechtmatig voorkomt, zodat dit deel zal worden toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
4.2.
Voor wat betreft de rente (vordering I onder d) vordert Nummer 14 de wettelijke (handels)rente. Ter onderbouwing hiervan is echter alleen gewezen naar de wettelijke rente. Daarom zal de rechtbank de wettelijke rente toewijzen.
Ten aanzien van de bestuurders
4.3.
Indien een vennootschap tekortschiet in de nakoming van haar verplichtingen is, als uitgangspunt, alleen de vennootschap daarvoor aansprakelijk. Van aansprakelijkheid van de bestuurder van de vennootschap op grond van artikel 6:162 BW Pro kan slechts sprake zijn wanneer de bestuurder, mede gelet op zijn verplichting tot een behoorlijke taakuitoefening als bedoeld in art. 2:9 BW Pro, een voldoende ernstig verwijt kan worden gemaakt. Of daarvan sprake is hangt af van de concrete omstandigheden van het geval.
4.4.
Nummer 14 stelt allereerst dat de bestuurders steeds hebben aangegeven dat er voldoende geld aanwezig was. [gedaagde 3] zou in een netwerk van Family Offices verkeren waarbij hij met zijn familie en partijen uit Amerika vastgoed zou gaan kopen. Daarom hoefde geen financieringsvoorbehoud opgenomen te worden. De bestuurders hadden simpelweg geen externe financiering nodig. Pas nadat de overeenkomst tussen partijen was ondertekend is gebleken dat [gedaagde 1] 110% financiering nodig had.
4.5.
De rechtbank gaat aan deze verwijten voorbij. Uit de eigen stellingen van Nummer 14 blijkt namelijk dat zij gedurende het onderhandelingsproces wist dat [gedaagde 1] niet over eigen vermogen beschikte en afhankelijk was van externe financiering. Zij heeft immers zelf verwezen naar e-mails uit augustus 2024 waarin [gedaagde 1] schrijft:
“Om over te gaan tot het ondertekenen van de overeenkomst, wachten wij op een definitieve check van onze partner in Amerika”en
“Het is op dit moment als aangegeven nog wachten op HSBC (die zaken vertraagt) om de toegezegde middelen vanuit USA vrij te geven en zodoende kunnen worden bijgeschreven op onze bankrekening en wij vanaf dat moment (…) over kunnen gaan tot ondertekening van de koopovereenkomst”. Ook blijkt dit uit een Whatsapp-bericht waarnaar Nummer 14 heeft verwezen, waarin [gedaagde 1] daags voordat de koopovereenkomst werd getekend heeft laten weten dat zij een leningsovereenkomst heeft getekend.
4.6.
Ook het verwijt van Nummer 14 dat zij geen zaken zou hebben gedaan met [gedaagde 1] indien zij had geweten dat de volledige koopsom gefinancierd moest worden is niet van belang voor de vordering die nu voorligt. De onderhavige vordering is immers niet ingestoken op (vernietiging wegens) dwaling, maar op grond van bestuurdersaansprakelijkheid wegens schending van de
Beklamel-norm [1] .
4.7.
Volgens deze norm, die terughoudend moet worden toegepast, kan persoonlijke aansprakelijkheid van een bestuurder worden aangenomen indien de bestuurder bij het aangaan van een verbintenis namens de vennootschap wist of redelijkerwijze behoorde te begrijpen dat de vennootschap niet aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen en daarvoor geen verhaal zou bieden, behoudens door de bestuurder aan te voeren omstandigheden op grond waarvan de conclusie gerechtvaardigd is dat hem persoonlijk ter zake van de benadeling geen ernstig verwijt kan worden gemaakt.
4.8.
Ter onderbouwing van deze vordering heeft Nummer 14 het volgende gesteld. De bestuurders verschuilen zich achter [naam 1] , die op een volkomen onprofessionele wijze te werk is gegaan. Een redelijk handelend bestuurder hoort na te gaan of zijn financier solide is. Indien er sprake is van een adviseur, zoals in dit geval [naam 1] , dan hadden de bestuurders zich ervan moeten vergewissen dat de adviseur dergelijk onderzoek doet. [naam 1] heeft dat onderzoek niet gedaan. Hij heeft de identiteit en achtergrond van [naam 3] niet onderzocht, er heeft kennelijk geen fysieke kennismaking met hem plaatsgevonden, zijn legitimatie is niet geverifieerd, er heeft kennelijk geen controle via derden (zoals een accountant) plaatsgevonden op de betrouwbaarheid van [naam 3] , diens reputatie is kennelijk niet nagetrokken en er heeft kennelijk geen enkel onderzoek naar de herkomst van de gelden plaatsgevonden. Met betrekking tot [naam 2] heeft Nummer 14 nog opgemerkt dat hij op internet in verband wordt gebracht met oplichting.
4.9.
De bestuurders hadden volgens Nummer 14 moeten weten dat zij met [naam 3] te maken hadden met een onbetrouwbare partij. Nummer 14 heeft daarbij gewezen op de volgende
‘red flags’van [naam 3] :
- hij heeft niet gevraagd om een project- of ontwikkelingsbegroting;
- hij heeft geen kredietanalyse of due diligence-onderzoek gevraagd;
- hij heeft niet gevraagd om een taxatie van het onderpand;
- hij heeft niet gevraagd om een trackrecord en referenties;
- hij heeft niet gevraagd om een persoonlijke kennismaking of
KYC-onderzoek;
- hij heeft geen toets op realiteitswaarde van het plan gedaan.
4.10.
De rechtbank stelt voorop dat de gang van zaken zoals die is geschetst door de bestuurders, zeer vergezocht lijkt. Dat een adviseur kennelijk een niet-bestaande partij naar voren zou schuiven als financier, valt moeilijk in te zien. De stelplicht van de feiten die maken dat de bestuurders daadwerkelijk een verwijt valt te maken, ligt echter bij Nummer 14. Tegen die achtergrond overweegt de rechtbank als volgt.
4.11.
De bestuurders hebben de door hen geschetste gang van zaken onderbouwd met stukken, waaronder een overeenkomst van geldlening waarin de leningverstrekker is aangeduid als
“ [naam 3] of nader te noemen meester”inclusief een adres, een geboorteplaats en geboortedatum. Deze overeenkomst is op elke pagina naast de woorden ‘paraaf leningverstrekker’ geparafeerd en op de slotpagina boven ‘leningverstrekker’ ondertekend.
4.12.
Daarnaast hebben zij Whatsappberichten en e-mails met [naam 1] en [naam 3] overgelegd:
- e-mailcorrespondentie tussen [naam 1] en [naam 2] van november 2024, waarin zij de voorwaarden van de financiering hebben opgenomen, zoals de hoogte van het bedrag, het rentepercentage, de looptijd, de mogelijkheid van boetevrije aflossing, het recht van eerste hypotheek,
- een Whatsappbericht van 20 november 2024 van [naam 1] aan de bestuurders:
“Net een update: Geld van [naam 3] niet eerder beschikbaar dan vanaf 13 december hij bevestigt zelf ook nog heb ik hem gevraagd”,
- e-mails van 20 november 2024 tussen [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] , waaronder een e-mail waarin staat:
“Goedenavond [naam 2] en [naam 1] ,
Ik heb even geleden [naam 2] gesproken met betrekking tot het vrijmaken van de benodigde gelden. Ik bevestig jullie dat ik per 13-12-2024 over het bedrag kan beschikken.
Tevens vernam ik dat het gedane voorstel akkoord is bevonden en zou het prettig vinden als jullie het concept kunnen en willen opstellen? Alvast mijn dank.
Met vriendelijke groet,
[naam 3] ”
- een Whatsappbericht van 29 november 2024 van [naam 1] aan de bestuurders:
“Update van [naam 3] : dank voor de aanpassingen. Ik ben vandaag zeer druk, zeer waarschijnlijk ook deze avond nog, en zal getekend retourneren uiterlijk morgen”
- een e-mail van [naam 1] aan de bestuurders van 1 december 2024 met onderwerp “Leningsovereenkomst” en de tekst “Bijgaand de getekende versies door [naam 3] ”
- een mail van [naam 1] aan de notaris van 3 december 2024 met de tekst:
“In de bijlage stuur ik je de leningovereenkomst toe voor de transactie van [locatie] .
In de overeenkomst staat de leningverstrekker vermeld ( [naam 3] ). In de CC (…) heb ik zijn mailadres toegevoegd. Je kan met hem contact opnemen voor de documentatie die je nodig hebt voor je dossier.
Daarnaast heb ik [naam 2] (…) toegevoegd welke ook betrokken is bij de bemiddeling van de financiering.”
- twee e-mails van de notaris van 3 en 6 december 2024 aan [naam 3] , met het verzoek om diverse informatie voor het opstellen van de hypotheekakte en een antwoord daarop van [naam 3] van 10 december 2024 met de volgende tekst:
“Hierbij bevestig ik u dat u alle benodigde informatie morgen van mij ontvangt. Mijn accountant zal zorg dragen voor de juiste informatie en alle documenten.
Ik hoop u hiermee voldoende te hebben ingelicht.
Met vriendelijke groet,
[naam 3] ”
- een e-mail van [naam 3] aan [naam 1] en [naam 2] van 9 december 2024 met de tekst:
“Goedemorgen heren,
Even een kort berichtje om te bevestigen dat ik met beide notarissen einde dag dan wel uiterlijk morgenochtend contact ga opnemen. In verband met een privéaangelegenheid heb ik niet eerder de gelegenheid echter lijkt me dat er geen stagnatie zal optreden qua planning passeren.
Ik hoop jullie hiermee voldoende te hebben geïnformeerd.
Met vriendelijke groet,
[naam 3]
- een e-mail van [naam 3] aan [naam 1] en [naam 2] van 10 december 2024 met de tekst:
“Goedemorgen,
@ [naam 2] , ik zag dat je een aantal malen gebeld had? Als het de notarissen betreft is dit door mij reeds aangegeven.
Mocht het zijn dat je me omtrent wat anders moet spreken ik ben na 10:30 bereikbaar.
Met vriendelijke groet,
[naam 3] ”
- een e-mail van [naam 3] aan [naam 1] en [naam 2] van 10 december 2024 met de tekst:
“Beste [naam 2] en [naam 1] ,
Het loopt bij mij even anders dan verwacht en zit in tijdnood. Deze avond stuur ik alles door naar betreffende notarissen, wellicht kan één van jullie dit doorgeven?
Alvast bedankt.
Met vriendelijke groet,
[naam 3] ”
- Whatsappberichten van 12 december 2024 tussen [naam 1] en [gedaagde 2] :
[gedaagde 2] : “ [naam 2] heeft toch een goede/bekende relatie met [naam 3] ?”
[naam 1] : “Yep diverse transacties mee gedaan, daarom ook zo onverklaarbaar”
[gedaagde 2] : “Net bij ons dus wel” en “Maar [naam 2] maakt zich geen zorgen daarom?”
[naam 1] : “In principe niet, alleen wil zo snel mogelijk in contact komen om alles te regelen”
- twee e-mails van [naam 2] aan [naam 3] van 12 december 2024:
“Beste [naam 3] ,
Ik heb geen idee wat er speelt echter ben ik niet van je gewend dat je niet accuraat acteert. (…).
Ergste is nog dat ik je met geen mogelijkheid aan de lijn kan krijgen.
Ik mag ervan uitgaan dat ik niet genegeerd wordt en dat je met spoed contact opneemt.
Groet,
[naam 2] ”
en
“Beste [naam 3] ,
Iets moet er aan de hand zijn, ik krijg je met geen mogelijkheid te pakken en je belt me ook niet terug.
Ik keek in mijn oproeplijst en heb je tot nu toe 37 maal getracht te bereiken vandaag!!!!!
Morgen uiterlijk dien je alles te hebben ingeleverd, jij hebt tevens van notaris bericht gekregen. Ik hoop van harte dat er niets ernstigs is en blijf ondanks mijn vele pogingen je trachten te bereiken.
Ik hoop dat je me belt, wat er ook is vertel het dan kan ik iets indien nodig.
Groet,
[naam 2] ”
4.13.
Gelet op deze concrete onderbouwing van de door de bestuurders geschetste gang van zaken, waartegen door Nummer 14 niets is ingebracht, gaat de rechtbank ervan uit dat het daadwerkelijk zo is gegaan als de bestuurders hebben toegelicht.
4.14.
Ook de rol die [naam 1] had is daarbij voldoende onderbouwd door de bestuurders. Naast de achtergrondinformatie van [naam 1] hebben de bestuurders het (online) cv en een uitdraai van de website van [naam 1] overgelegd. Nummer 14 heeft ook daar niets concreets tegenin gebracht. Zij heeft ook niets gesteld waaruit blijkt dat niet alleen [naam 2] , maar ook [naam 1] wordt gelinkt aan schimmige praktijken. Nergens blijkt uit dat het de bestuurders ten tijde van het sluiten van de overeenkomst met Nummer 14 duidelijk moest zijn dat er iets niet in de haak was met [naam 1] .
4.15.
Daarbij weegt mee dat de bestuurders en [naam 1] hebben afgesproken dat hij pas betaald zou krijgen op het moment dat de financiering met [naam 3] (of een andere financier) rond zou zijn. Tegen deze achtergrond valt niet in te zien welk belang [naam 1] erbij zou hebben om een niet bestaande financier naar voren te schuiven. Gelet op dit alles is het scenario dat [naam 3] niet blijkt te bestaan zo onwaarschijnlijk, dat de bestuurders niet hadden hoeven te begrijpen dat van een deugdelijke financiering helemaal geen sprake was.
4.16.
De rechtbank is het wel met Nummer 14 eens dat er (achteraf) gezien zeker aanwijzingen te vinden zijn dat er iets niet zou kloppen met [naam 3] , zoals de door Nummer 14 genoemde
red flags. Die aanwijzingen zijn alleen niet zodanig dat de bestuurders, die een adviseur hadden ingeschakeld, destijds al hadden moeten begrijpen dat [naam 3] niet zou bestaan. Nummer 14 heeft zelf verder geen concrete aanwijzingen gegeven waaruit blijkt dat de bestuurders voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst wisten of behoorden te begrijpen dat [gedaagde 1] de verplichtingen uit die overeenkomst niet zouden kunnen nakomen.
4.17.
Dit betekent dat de vorderingen van Nummer 14 ten aanzien van de bestuurders worden afgewezen.
4.18.
Nummer 14 vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Gelet op het voorgaande is deze vordering ten aanzien van de bestuurders niet toewijsbaar. De vordering op [gedaagde 1] moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). Nummer 14 heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Nummer 14 heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. Daarom zal het gevorderde bedrag van € 1.455,12 worden toegewezen.
4.19.
Gelet op de uitkomst van de procedure zal [gedaagde 1] worden veroordeeld in de proceskosten van Nummer 14 en zal Nummer 14 worden veroordeeld in de proceskosten van de bestuurders.
4.20.
De proceskosten van Nummer 14 worden begroot op:
- kosten dagvaarding: € 145,45
- griffierecht: € 6.861,00
- salaris advocaat: € 3.502,00 (1,0 punt x tarief VII: € 3.502,00).
- nakosten: € 178,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
- totaal: € 10.686,45
4.21.
De proceskosten van de bestuurders worden begroot op:
- griffierecht: € 2.723,00
- salaris advocaat: € 7.004,00 (2,0 punt x tarief VII: € 3.502,00).
- nakosten: € 178,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
- totaal: € 9.905,00
4.22.
De gevorderde wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De rechtbank
5.1.
verklaart voor recht dat de koopovereenkomst buitengerechtelijk is ontbonden,
5.2.
veroordeelt [gedaagde 1] om aan Nummer 14 te betalen een bedrag van € 442.500,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro met ingang van 21 januari 2025, tot de dag van volledige betaling,
5.3.
veroordeelt [gedaagde 1] om aan Nummer 14 te betalen een bedrag van € 1.455,12 aan buitengerechtelijke kosten,
5.4.
veroordeelt [gedaagde 1] in de proceskosten van Nummer 14 van € 10.686,45, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde 1] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.5.
veroordeelt [gedaagde 1] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.6.
wijst de overige vorderingen van Nummer 14 af,
5.7.
veroordeelt Nummer 14 in de proceskosten van de bestuurders van € 9.905,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als Nummer 14 niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.8.
veroordeelt Nummer 14 tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.9.
verklaart de onderdelen 5.2 tot en met 5.5, 5.7 en 5.8 van dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.J. Schaberg, rechter, bijgestaan door mr. S.C.C. Valk, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 17 december 2025.