ECLI:NL:RBAMS:2025:10699

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
10 oktober 2025
Publicatiedatum
6 januari 2026
Zaaknummer
13/092899-25 (zaak A), 13/009519-25 (zaak B) en 13/234705-24 (zaak C) (eerder ter terechtzitting gevoegd)
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Mondelinge uitspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in vervolging wegens overlijden verdachte

Op 10 oktober 2025 heeft de Rechtbank Amsterdam uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die is overleden. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. W. van Veen, en de verdediging door de raadsvrouw, mr. S. van den Berg. De tenlastelegging omvatte bedreigingen aan het adres van GGD-medewerkers en wederrechtelijke binnenkomst in een woning, alsook diefstal en belediging. De rechtbank heeft vastgesteld dat de verdachte op 26 juli 2025 is overleden. Gezien artikel 69 van het Wetboek van Strafrecht, dat stelt dat het recht tot strafvordering vervalt bij overlijden van de verdachte, heeft de rechtbank geoordeeld dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging. De rechtbank heeft derhalve de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging van de verdachte. Dit vonnis is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 10 oktober 2025.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummers: 13/092899-25
(zaak A), 13/009519-25
(zaak B)en 13/234705-24
(zaak C) (eerder ter terechtzitting gevoegd)
Parketnummers vorderingen tenuitvoerlegging: 13/082443-22, 21/004311-22, 13/094254-22, 23/001478-22, 23/000211-22 en 23/000218-22
Datum uitspraak: 10 oktober 2025
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1973.

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 10 oktober 2025.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. W. van Veen, en van wat de raadsvrouw, mr. S. van den Berg, advocaat te Amsterdam, naar voren heeft gebracht.

2.Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
in zaak A:
1
hij op of omstreeks 11 februari 2025 te Amsterdam, althans in Nederland, een GGD-medewerker ( [medewerker 1] ) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door tegen voornoemde medewerker te zeggen:
- " Ik kom zo terug na jouw dienst en dan schiet ik je door je kop heen" en/of
- " Ik kom terug met bommen" en/of
- " Ik ga een kogel door je kop schieten, ik ga een bazooka halen en ik schiet je
verrot" en/of
- " Ik ga je vermoorden, ik gooi bommen" en/of
- " Ik ga een brandbom in je kut stoppen",
althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;
(art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht)
2
hij op of omstreeks 11 februari 2025 te Amsterdam, althans in Nederland, een GGD-medewerker ( [medewerker 2] ) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door tegen voornoemde medewerker te zeggen:
- " Ik ga jou hele kop eraf trekken en/of ik ga dit niet vergeten" en/of
- " Jij gaat niet lang meer leven" en/of
- " Ik ga je mishandelen gewoon",
althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking;
(art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht)
in zaak B:
hij op of omstreeks de periode van 25 december 2024 tot en met 9 januari 2025 te
Amsterdam, in elk geval in Nederland, in een woning en/of gebouw, gelegen aan [adres 1] Amsterdam, waarvan het gebruik door de rechthebbende was beëindigd wederrechtelijk is binnengedrongen en/of wederrechtelijk aldaar heeft vertoefd
(art 138a lid 1 Wetboek van Strafrecht)
in zaak C:
1
hij op of omstreeks 21 juli 2024 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, één blik bier, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan Albert Heijn, in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
(art 310 Wetboek van Strafrecht)
2
hij op of omstreeks 21 juli 2024 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, in het besloten lokaal aan [adres 2] bij de Albert Heijn, althans bij een ander of anderen dan bij verdachte, in gebruik wederrechtelijk is binnengedrongen immers was hem, verdachte, met ingang van 12 februari 2024 schriftelijk de toegang tot die Albert Heijn ontzegd voor de duur van één jaar;
(art 138 lid 1 Wetboek van Strafrecht)
3
hij op of omstreeks 21 juli 2024 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk [persoon] , in zijn tegenwoordigheid, mondeling en/of door feitelijkheden, heeft beledigd, door hem de woorden toe te voegen: "dikke motherfucker", althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking en/of door (meermaals) in het gezicht en/of tegen de arm van die [persoon] te spugen.
(art 266 lid 1 Wetboek van Strafrecht)

3.Ontvankelijkheid van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging van verdachte, nu verdachte is overleden.
De rechtbank overweegt als volgt. Uit het dossier blijkt dat verdachte op 26 juli 2025 is overleden. Ingevolge artikel 69 van het Wetboek van Strafrecht is het recht tot strafvordering door de dood van verdachte vervallen. Gelet hierop zal de officier van justitie niet-ontvankelijk worden verklaard in de vervolging van verdachte.

4.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart de
officier van justitie niet-ontvankelijkin de vervolging van verdachte.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. J. Thomas, voorzitter,
mrs. C.C.J. Maas-van Es en D.G. Bertsch, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M.J.D. Hartman, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 10 oktober 2025.