ECLI:NL:RBAMS:2025:10700

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
24 oktober 2025
Publicatiedatum
6 januari 2026
Zaaknummer
13/196321-25, 13/160713-23 (TUL) en 21/004911-22 (TUL)
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor het voorhanden hebben van een vuurwapen en bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht

Op 24 oktober 2025 heeft de Rechtbank Amsterdam uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die op 28 juni 2025 in Amsterdam een vuurwapen heeft voorhanden gehad en een bedreiging heeft geuit met dit wapen. De verdachte, geboren in 1999 en zonder vaste woon- of verblijfplaats, werd op tegenspraak veroordeeld na een zitting op 10 oktober 2025. De officier van justitie, mr. B. Grünfeld, vorderde een onvoorwaardelijke ISD-maatregel van twee jaar, terwijl de verdediging pleitte voor vrijspraak wegens gebrek aan bewijs. De rechtbank oordeelde dat het bewijs, waaronder camerabeelden en getuigenverklaringen, voldoende was om de verdachte schuldig te verklaren aan bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en het voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie. De rechtbank legde de ISD-maatregel op, omdat de verdachte voldeed aan de criteria voor plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders. De vorderingen tot tenuitvoerlegging van eerdere voorwaardelijke veroordelingen werden afgewezen, omdat de rechtbank de oplegging van de ISD-maatregel niet opportuun achtte. De uitspraak is gedaan op basis van de artikelen 38m, 38n en 285 van het Wetboek van Strafrecht en de Wet wapens en munitie.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummers: 13/196321-25, 13/160713-23
(TUL)en 21/004911-22
(TUL)
Datum uitspraak: 24 oktober 2025
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1999,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
nu gedetineerd in [penitentiaire inrichting] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 10 oktober 2025.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. B. Grünfeld, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. W. van Vliet, advocaat te Amsterdam-Duivendrecht, naar voren hebben gebracht.
Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van wat de deskundige [reclasseringswerker] (reclasseringswerker) ter terechtzitting naar voren heeft gebracht.

2.Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich telkens op 28 juni 2025 in Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan:
1. bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling van [slachtoffer] door een vuurwapen tegen of nabij zijn hoofd te richten/houden;
2. het voorhanden hebben van een wapen en/of munitie, te weten van respectievelijk categorie III, onder 1 en categorie III van de Wet wapens en munitie.
De volledige tenlastelegging is opgenomen in
bijlage Idie aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.
Voor zover in de tenlastelegging taal en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd.
Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

3.Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4.Waardering van het bewijs

4.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen. Ten aanzien van het eerste strafbare feit baseert hij zich op de beschrijving van de camerabeelden en de verklaringen van [slachtoffer] , [getuige 1] en [getuige 2] . Wat betreft het tweede strafbare feit wijst hij op de omstandigheid dat verdachte is weggerend en op enig moment aan de linkerkant van de Lange Leidsedwarsstraat rende. Op die plek werd een vuurwapen met bijbehorende munitie aangetroffen en op dit vuurwapen werd DNA van verdachte gevonden. Daarnaast lag er een huls onder verdachte op het moment dat hij werd aangehouden.
4.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging refereert zich aan het oordeel van de rechtbank als het gaat om het tweede strafbare feit. Met betrekking tot het eerste strafbare feit meent de verdediging dat verdachte moet worden vrijgesproken vanwege het ontbreken van voldoende wettig en overtuigend bewijs.
4.3
Het oordeel van de rechtbank
Inleiding
De volgende feiten kunnen, met name op basis van de beschrijving van de camerabeelden, als vaststaand worden aangemerkt. Deze feiten hebben ter terechtzitting niet ter discussie gestaan en kunnen zonder nadere motivering dienen als vertrekpunt voor de beoordeling van de bewijsvraag.
In de vroege ochtend van 28 juni 2025, iets na 05.00 uur, bevinden verdachte en [slachtoffer] zich op de Korte Leidsedwarsstraat in Amsterdam. In hun nabijheid staan drie politieagenten. Kort nadat deze politieagenten weglopen in de richting van het Leidseplein, brengt verdachte zijn armen omhoog terwijl hij een voorwerp in zijn handen heeft. Dit voorwerp richt hij in de richting van [slachtoffer] . Vervolgens brengt verdachte zijn armen weer omlaag. [slachtoffer] loopt daarop in de richting van verdachte en komt dichtbij hem staan. Verdachte heft zijn arm opnieuw en richt wederom een voorwerp op [slachtoffer] . [slachtoffer] rent vervolgens weg in de richting van de drie politieagenten.
De drie politieagenten worden aangesproken door een host van het Leidseplein, die zegt dat iemand een vuurwapen zou hebben. De host wijst de politieagenten op een man, die later verdachte blijkt te zijn. Op enig moment begint verdachte te rennen, waarna de drie politieagenten achter hem aan gaan. Een vierde politieagent die zich in de buurt bevindt, krijgt verdachte in het vizier en rent eveneens achter hem aan. Daarbij lost de vierde politieagent een waarschuwingsschot. Verdachte blijft doorrennen en rent op enig moment aan de linkerkant van de Lange Leidsedwarsstraat. Vervolgens rent hij weer over het midden van de Lange Leidsedwarsstraat, waarna hij stopt met rennen. Verdachte wordt daarop door de politie in de boeien geslagen, terwijl hij op zijn buik ligt. Hij wordt daarbij gefouilleerd en onder hem, ter hoogte van zijn borst, wordt een huls gevonden.
Verklaringen
[slachtoffer] heeft verklaard dat hij een vuurwapen op zijn hoofd gericht heeft gekregen en dat dit vuurwapen in een sok zat. Getuige [getuige 2] , de eerdergenoemde host op het Leidseplein, heeft op zijn beurt verklaard dat hij een man heeft gezien die een vuurwapen vast had. [getuige 2] heeft zich vervolgens tot de politie gewend en hen de man met het vuurwapen aangewezen. Politieagent [politieagent] , die het waarschuwingsschot heeft gelost, heeft verklaard dat hij verdachte een zwart voorwerp heeft zien weggooien op het moment dat hij aan de linkerkant van de Lange Leidsedwarsstraat aan het rennen was. Getuige [getuige 3] , die ook als host werkzaam was op het Leidseplein, hoort van de politie dat er een vuurwapen zou zijn achtergelaten in de Lange Leidsedwarsstraat. [getuige 3] gaat daarop zoeken en treft ter hoogte van nummer [nummer] een sok met daarin een op een vuurwapen gelijkend voorwerp.
Onderzoek vuurwapen en munitie
Het op een vuurwapen gelijkend voorwerp dat is aangetroffen ter hoogte van de Lange Leidsedwarsstraat [nummer] is door de politie onderzocht. Uit dit onderzoek is gebleken dat het inderdaad gaat om een vuurwapen, zijnde een pistool van het merk BLOW, model TR 92 K, kaliber 7,65mm Browning (synoniem .32 auto). In dit vuurwapen zat een patroonmagazijn met twee stuks munitie van het merk CBS, kaliber 7,65mm Browning (synoniem .32 auto). De gevonden huls is eveneens van het merk CBS, kaliber 7,65mm Browning (synoniem .32 auto).
DNA-onderzoek
Aan de hand van drie bemonsteringen heeft het NFI onderzocht of het DNA-profiel van verdachte op het vuurwapen te vinden is. Uit dit onderzoek blijkt dat het DNA-profiel van verdachte is gevonden op één van de bemonsteringen, namelijk de ruwe en scherpe delen van het vuurwapen.
Strafbaar feit 1: bedreiging
Uit de camerabeelden blijkt dat verdachte tweemaal een voorwerp in de richting van [slachtoffer] heeft gericht. [slachtoffer] heeft verklaard dat het voorwerp dat op zijn hoofd werd gericht een vuurwapen betrof dat zich in een sok bevond. Deze verklaring vindt steun in de verklaring van [getuige 2] , die heeft gezien dat verdachte een vuurwapen in zijn handen had, en in de verklaring van [politieagent] , die heeft gezien dat verdachte een zwart voorwerp weggooit, alsmede in het latere aantreffen van een sok met daarin een vuurwapen op de vluchtroute van verdachte. Op dit wapen is bovendien DNA van verdachte aangetroffen.
Gelet op deze bewijsmiddelen acht de rechtbank bewezen dat verdachte een vuurwapen heeft gehanteerd en dit tot twee keer toe op [slachtoffer] heeft gericht. De rechtbank is daarom van oordeel dat sprake is van een bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.
Strafbaar feit 2: bezit vuurwapen en munitie
Bij de beoordeling van de vraag of verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het voorhanden hebben van een vuurwapen en/of munitie is vereist dat verdachte zich bewust was van de aanwezigheid van het wapen en/of de munitie en dat verdachte de feitelijke macht over het wapen en/of de munitie heeft kunnen uitoefenen in de zin dat hij daarover kon beschikken.
Verdachte heeft tot twee keer toe een vuurwapen gericht in de richting van [slachtoffer] . Vervolgens heeft verdachte dit vuurwapen, waarop zijn DNA is gevonden, weggegooid in de Lange Leidsedwarsstraat toen hij op de vlucht was voor de politie. Op grond hiervan is de rechtbank van oordeel dat verdachte het vuurwapen en de bijbehorende munitie voorhanden heeft gehad.
4.4
Bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de in
bijlage IIvervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:
1
op 28 juni 2025 te Amsterdam [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht door meerdere malen een vuurwapen tegen of nabij het hoofd van [slachtoffer] te richten;
2
op 28 juni 2025 te Amsterdam een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie en meerdere patronen munitie categorie III, te weten:
- een pistool, van het merk BLOW, type TR 92 K, kaliber 7,65mm Browning (synoniem .32 auto), en
- patronen, van het merk CBC, kaliber 7,65mm Browning (synoniem .32 auto),
zijnde een vuurwapen in de vorm van een pistool, en munitie voorhanden heeft gehad.

5.De strafbaarheid van de feiten en van verdachte

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar en verdachte is hiervoor strafbaar.

6.Plaatsing in een Inrichting voor Stelselmatige Daders

6.1.
Strafeis van het openbaar ministerie
De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd dat aan de verdachte
onvoorwaardelijk de maatregel tot plaatsing in een Inrichting voor Stelselmatige Daders
(ISD-maatregel) wordt opgelegd voor de duur van twee jaar.
6.2.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft primair verzocht om geen onvoorwaardelijke ISD-maatregel op te leggen, omdat niet is voldaan aan het ultimum remedium-vereiste. Subsidiair heeft hij verzocht om bij het bepalen van de duur van de maatregel rekening te houden met de tijd die verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Daarbij heeft hij eveneens verzocht om een tussentijdse toetsing te bepalen.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen maatregel gelet op de aard en de ernst van wat bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het, op een openbare weg, voorhanden hebben van een vuurwapen en het voorhanden hebben van daarvoor geschikte munitie. Daarnaast heeft verdachte het slachtoffer bedreigd door met het vuurwapen richting zijn hoofd te richten. Behalve de impact die een bedreiging met een wapen heeft op het slachtoffer, tast dit soort feiten ook het veiligheidsgevoel van de samenleving in zijn geheel aan. Daarnaast brengt het bezit van een wapen het risico met zich dat hiermee op lichtzinnige wijze mee wordt omgegaan, wat ook gebeurd is op 28 juni 2025.
Strafblad
De rechtbank heeft acht geslagen op het strafblad van verdachte van 6 september 2025 en heeft gezien dat verdachte veelvuldig is veroordeeld.
Rapportage
De rechtbank heeft kennisgenomen van het reclasseringsadvies van Leger des Heils Jeugdbescherming en Reclassering van 26 september 2025, opgemaakt door [reclasseringswerker] . Dit advies houdt – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende in. Blijkens verkregen informatie vanuit het Openbaar Ministerie 1 juli 2025 voldoet verdachte aan de harde ISD-criteria. Daar verdachte niets kwijt wil over onderhavige verdenking, bestaat er op dit moment onvoldoende zicht op mogelijke factoren die hebben bijgedragen aan het delictgedrag, indien bewezen. Wel ziet de reclassering risico’s in het sociaal netwerk en de houding van verdachte. Er bestaan op basis van het proces-verbaal aanwijzingen dat het slachtoffer en verdachte elkaar kennen, vermoedelijk vanuit een (deels) negatief sociaal netwerk. Verdachte wenst hier echter inhoudelijk niet op in te gaan. Verdachte maakt in plaats daarvan een onverschillige en lacherige indrukwanneer hij bevraagd wordt naar zijn netwerk.
Inzake parketnummer 13/160713-23 is sinds 5 april 2024 sprake van een reclasseringstoezicht in het kader van een voorwaardelijke veroordeling bij Leger des Heils Reclassering waar tevens een schorsingstoezicht aan voorafging. Het toezicht verloopt vanaf begin af aan moeizaam waarbij verdachte zich onverschillig en onvoldoende gemotiveerd opstelt. Hoewel hij over het algemeen meldplichtafspraken nakomt, komt voortgang in het toezicht nauwelijks van de grond. Alleen wanneer de reclassering iets voor hem moet regelen, is er sprake van beperkte motivatie.
Het risico op recidive wordt ingeschat als hoog, gelet op de aanwezigheid van een delictpatroon aangaande geweldsdelicten. Pogingen tot behandeling en diagnostiek, beide bijzondere voorwaarden betreffende, zijn binnen het huidige toezicht niet van de grond gekomen door gebrek aan motivatie en de tot dusverre instabiele woonsituatie. Verdachte herkent zich niet in voorgaande en is van mening dat hij zich actief heeft ingezet. Vanwege het ontbreken van recente diagnostiek heeft de reclassering echter geen volledig beeld van verdachte kunnen krijgen. Vernieuwde diagnostiek wordt tot op heden noodzakelijk geacht, ook gelet op het ongewenste gedrag dat hij in detentie laat zien.
De reclassering komt tot de conclusie geen mogelijkheden meer te zien voor interventies binnen een ambulant forensisch kader, gezien de houding van verdachte, zijn instabiele leefomstandigheden en het verloop van het toezicht. De toezichthouder, [toezichthouder] , heeft derhalve op 31 juli 2025 een advies ten uitvoerlegging opgemaakt. Verdachte heeft meerdere kansen gehad om te laten zien dat hij zijn leven kan beteren en een delictvrij bestaan kan opbouwen. Desalniettemin is hij, bij veroordeling, binnen het huidige reclasseringstoezicht gerecidiveerd. Verdachte voldoet gelet op de voorgaande bevindingen dan ook aan de zachte ISD-criteria. De reclassering acht het huidige forensisch kader niet langer passend of toereikend en ziet geen andere mogelijkheid dan het adviseren van de onvoorwaardelijke ISD-maatregel alwaar interventies ingezet kunnen worden ter voorkoming van recidive.
De deskundige, [reclasseringswerker] , heeft voornoemd advies op de terechtzitting bevestigd en daar waar nodig aangevuld. Zij heeft aangegeven dat verdiepingsdiagnostiek ten behoeve van het advies niet mogelijk was, omdat verdachte weinig inzicht geeft in zijn gedrag en dat dit nogmaals is bevestigd door zijn houding op zitting.
Oplegging van de ISD-maatregel
De rechtbank stelt vast dat ten aanzien van de bewezen geachte feiten aan alle voorwaarden is voldaan die artikel 38m van het Wetboek van Strafrecht aan het opleggen van de ISD-maatregel stelt. Verdachte heeft zich immers schuldig gemaakt aan twee misdrijven waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Daarnaast is hij gedurende de vijf jaren voorafgaand aan de door hem begane misdrijven ten minste driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk veroordeeld tot een vrijheidsbenemende straf of taakstraf, terwijl de in dit vonnis bewezenverklaarde feiten zijn begaan na de tenuitvoerlegging van deze straffen. Er moet, zoals blijkt uit de hiervoor genoemde reclasseringsrapportage en het strafblad, ernstig rekening mee worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan. Uit het strafblad volgt dat ook is voldaan aan de eisen die de ‘Richtlijn voor Strafvordering bij meerderjarige veelplegers’ van het Openbaar Ministerie stelt. Verdachte is een zeer actieve veelpleger, die over een periode van vijf jaren processen-verbaal tegen zich opgemaakt zag worden voor meer dan tien misdrijven, waarvan ten minste één in de laatste twaalf maanden, terug te rekenen vanaf de pleegdatum van het in dit vonnis bewezenverklaarde feit. Gelet op het voorgaande concludeert de rechtbank dat is voldaan aan de ‘harde’ ISD-criteria.
De rechtbank is van oordeel dat verdachte ook aan de ‘zachte’ ISD-criteria voldoet. Die houden in dat er geen reëel alternatief voor de oplegging van de ISD-maatregel bestaat. Het verloop in een eerder reclasseringstoezicht heeft er toe geleid dat er een advies ten uitvoerlegging is opgemaakt. Daarnaast is verdachte in dit toezicht gerecidiveerd. Uit voornoemde rapportage blijkt dat een traject in een ambulant kader niet van de grond komt, mede gelet op het gebrek aan motivatie bij de verdachte. De rechtbank weegt mee dat verdachte ook ter terechtzitting heeft laten zien dat hij weinig probleeminzicht heeft en de oorzaak vaak buiten hemzelf zoekt. In het licht van voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de veiligheid van personen en goederen de oplegging van de ISD-maatregel eist. Het belang van de samenleving, dat verdachte geen overlast en schade meer zal veroorzaken, staat nu voorop. De rechtbank zal de vordering van de officier van justitie opvolgen en een ISD-maatregel in onvoorwaardelijke zin opleggen.
Om de beëindiging van de recidive van verdachte en een behandeling van zijn problematiek alle kansen te geven en voorts ter optimale bescherming van de maatschappij, is het van groot belang dat voldoende tijd wordt genomen om de ISD-maatregel ten uitvoer te leggen. Daarom zal de rechtbank de maatregel voor de maximale termijn van twee jaren opleggen. De tijd die door verdachte in voorarrest is doorgebracht zal, om diezelfde reden, niet in mindering worden gebracht op de duur van de maatregel. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een tussentijdse toetsing van de maatregel, zoals verzocht door de raadsman.

7.De vordering tenuitvoerlegging na voorwaardelijke veroordeling 13/160713-23

De rechtbank zal de vordering tot tenuitvoerlegging met parketnummer 13
/160713-23 afwijzen, omdat aan verdachte de ISD-maatregel wordt opgelegd. Toewijzing van de vordering vindt de rechtbank daarom niet opportuun.

8.De vordering tenuitvoerlegging na voorwaardelijke veroordeling 21/004911-22

De rechtbank zal de vordering tot tenuitvoerlegging met parketnummer 21
/004911-22 afwijzen, omdat aan verdachte de ISD-maatregel wordt opgelegd. Toewijzing van de vordering vindt de rechtbank daarom niet opportuun.

9.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen maatregel is gegrond op de artikelen 38m, 38n en 285 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

10.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek
4.4
is vermeld.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan
hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezenverklaarde levert op:
ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde:
bedreiging met enig misdrijf legen het leven gericht;
ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde:
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan
met betrekking tot een vuurwapen van categorie III,
en
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte,
[verdachte], daarvoor strafbaar.
Legt op
de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige dadersvoor de
duur van
2 (twee) jaren.
Vordering tenuitvoerlegging na voorwaardelijke veroordeling 13/160713-23
Wijst afde vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer 13/160713-23, te weten een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) weken.
Vordering tenuitvoerlegging na voorwaardelijke veroordeling 21/004911-22
Wijst afde vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer 21/004911-22, te weten een taakstraf voor de duur van 20 (twintig) uren.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. J. Thomas, voorzitter,
mrs. C.C.J. Maas-van Es en D.G. Bertsch, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M.J.D. Hartman, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 24 oktober 2025.
[...]