6.3.Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen maatregel gelet op de aard en de ernst van wat bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het, op een openbare weg, voorhanden hebben van een vuurwapen en het voorhanden hebben van daarvoor geschikte munitie. Daarnaast heeft verdachte het slachtoffer bedreigd door met het vuurwapen richting zijn hoofd te richten. Behalve de impact die een bedreiging met een wapen heeft op het slachtoffer, tast dit soort feiten ook het veiligheidsgevoel van de samenleving in zijn geheel aan. Daarnaast brengt het bezit van een wapen het risico met zich dat hiermee op lichtzinnige wijze mee wordt omgegaan, wat ook gebeurd is op 28 juni 2025.
Strafblad
De rechtbank heeft acht geslagen op het strafblad van verdachte van 6 september 2025 en heeft gezien dat verdachte veelvuldig is veroordeeld.
Rapportage
De rechtbank heeft kennisgenomen van het reclasseringsadvies van Leger des Heils Jeugdbescherming en Reclassering van 26 september 2025, opgemaakt door [reclasseringswerker] . Dit advies houdt – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende in. Blijkens verkregen informatie vanuit het Openbaar Ministerie 1 juli 2025 voldoet verdachte aan de harde ISD-criteria. Daar verdachte niets kwijt wil over onderhavige verdenking, bestaat er op dit moment onvoldoende zicht op mogelijke factoren die hebben bijgedragen aan het delictgedrag, indien bewezen. Wel ziet de reclassering risico’s in het sociaal netwerk en de houding van verdachte. Er bestaan op basis van het proces-verbaal aanwijzingen dat het slachtoffer en verdachte elkaar kennen, vermoedelijk vanuit een (deels) negatief sociaal netwerk. Verdachte wenst hier echter inhoudelijk niet op in te gaan. Verdachte maakt in plaats daarvan een onverschillige en lacherige indrukwanneer hij bevraagd wordt naar zijn netwerk.
Inzake parketnummer 13/160713-23 is sinds 5 april 2024 sprake van een reclasseringstoezicht in het kader van een voorwaardelijke veroordeling bij Leger des Heils Reclassering waar tevens een schorsingstoezicht aan voorafging. Het toezicht verloopt vanaf begin af aan moeizaam waarbij verdachte zich onverschillig en onvoldoende gemotiveerd opstelt. Hoewel hij over het algemeen meldplichtafspraken nakomt, komt voortgang in het toezicht nauwelijks van de grond. Alleen wanneer de reclassering iets voor hem moet regelen, is er sprake van beperkte motivatie.
Het risico op recidive wordt ingeschat als hoog, gelet op de aanwezigheid van een delictpatroon aangaande geweldsdelicten. Pogingen tot behandeling en diagnostiek, beide bijzondere voorwaarden betreffende, zijn binnen het huidige toezicht niet van de grond gekomen door gebrek aan motivatie en de tot dusverre instabiele woonsituatie. Verdachte herkent zich niet in voorgaande en is van mening dat hij zich actief heeft ingezet. Vanwege het ontbreken van recente diagnostiek heeft de reclassering echter geen volledig beeld van verdachte kunnen krijgen. Vernieuwde diagnostiek wordt tot op heden noodzakelijk geacht, ook gelet op het ongewenste gedrag dat hij in detentie laat zien.
De reclassering komt tot de conclusie geen mogelijkheden meer te zien voor interventies binnen een ambulant forensisch kader, gezien de houding van verdachte, zijn instabiele leefomstandigheden en het verloop van het toezicht. De toezichthouder, [toezichthouder] , heeft derhalve op 31 juli 2025 een advies ten uitvoerlegging opgemaakt. Verdachte heeft meerdere kansen gehad om te laten zien dat hij zijn leven kan beteren en een delictvrij bestaan kan opbouwen. Desalniettemin is hij, bij veroordeling, binnen het huidige reclasseringstoezicht gerecidiveerd. Verdachte voldoet gelet op de voorgaande bevindingen dan ook aan de zachte ISD-criteria. De reclassering acht het huidige forensisch kader niet langer passend of toereikend en ziet geen andere mogelijkheid dan het adviseren van de onvoorwaardelijke ISD-maatregel alwaar interventies ingezet kunnen worden ter voorkoming van recidive.
De deskundige, [reclasseringswerker] , heeft voornoemd advies op de terechtzitting bevestigd en daar waar nodig aangevuld. Zij heeft aangegeven dat verdiepingsdiagnostiek ten behoeve van het advies niet mogelijk was, omdat verdachte weinig inzicht geeft in zijn gedrag en dat dit nogmaals is bevestigd door zijn houding op zitting.
Oplegging van de ISD-maatregel
De rechtbank stelt vast dat ten aanzien van de bewezen geachte feiten aan alle voorwaarden is voldaan die artikel 38m van het Wetboek van Strafrecht aan het opleggen van de ISD-maatregel stelt. Verdachte heeft zich immers schuldig gemaakt aan twee misdrijven waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Daarnaast is hij gedurende de vijf jaren voorafgaand aan de door hem begane misdrijven ten minste driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk veroordeeld tot een vrijheidsbenemende straf of taakstraf, terwijl de in dit vonnis bewezenverklaarde feiten zijn begaan na de tenuitvoerlegging van deze straffen. Er moet, zoals blijkt uit de hiervoor genoemde reclasseringsrapportage en het strafblad, ernstig rekening mee worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan. Uit het strafblad volgt dat ook is voldaan aan de eisen die de ‘Richtlijn voor Strafvordering bij meerderjarige veelplegers’ van het Openbaar Ministerie stelt. Verdachte is een zeer actieve veelpleger, die over een periode van vijf jaren processen-verbaal tegen zich opgemaakt zag worden voor meer dan tien misdrijven, waarvan ten minste één in de laatste twaalf maanden, terug te rekenen vanaf de pleegdatum van het in dit vonnis bewezenverklaarde feit. Gelet op het voorgaande concludeert de rechtbank dat is voldaan aan de ‘harde’ ISD-criteria.
De rechtbank is van oordeel dat verdachte ook aan de ‘zachte’ ISD-criteria voldoet. Die houden in dat er geen reëel alternatief voor de oplegging van de ISD-maatregel bestaat. Het verloop in een eerder reclasseringstoezicht heeft er toe geleid dat er een advies ten uitvoerlegging is opgemaakt. Daarnaast is verdachte in dit toezicht gerecidiveerd. Uit voornoemde rapportage blijkt dat een traject in een ambulant kader niet van de grond komt, mede gelet op het gebrek aan motivatie bij de verdachte. De rechtbank weegt mee dat verdachte ook ter terechtzitting heeft laten zien dat hij weinig probleeminzicht heeft en de oorzaak vaak buiten hemzelf zoekt. In het licht van voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de veiligheid van personen en goederen de oplegging van de ISD-maatregel eist. Het belang van de samenleving, dat verdachte geen overlast en schade meer zal veroorzaken, staat nu voorop. De rechtbank zal de vordering van de officier van justitie opvolgen en een ISD-maatregel in onvoorwaardelijke zin opleggen.
Om de beëindiging van de recidive van verdachte en een behandeling van zijn problematiek alle kansen te geven en voorts ter optimale bescherming van de maatschappij, is het van groot belang dat voldoende tijd wordt genomen om de ISD-maatregel ten uitvoer te leggen. Daarom zal de rechtbank de maatregel voor de maximale termijn van twee jaren opleggen. De tijd die door verdachte in voorarrest is doorgebracht zal, om diezelfde reden, niet in mindering worden gebracht op de duur van de maatregel. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een tussentijdse toetsing van de maatregel, zoals verzocht door de raadsman.