artikel 1, vijfde lid Wrakingsprotocol rechtbank Amsterdamartikel 512 lid 5 Sv
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Niet-ontvankelijkheid wrakingsverzoek na aanvang vonnisuitspraak door politierechter
In deze strafzaak diende de verdachte een wrakingsverzoek in tegen de politierechter nadat het onderzoek ter terechtzitting was gesloten en de rechter was begonnen met het uitspreken van het vonnis. De rechtbank heeft vastgesteld dat een wrakingsverzoek niet meer kan worden ingediend nadat de einduitspraak in de hoofdzaak is gedaan of daarmee een aanvang is gemaakt, conform artikel 1, vijfde lid van het Wrakingsprotocol van de rechtbank Amsterdam en de jurisprudentie van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2024:1726).
De rechtbank heeft het wrakingsverzoek daarom niet-ontvankelijk verklaard. Tijdens de zitting was gebleken dat de rechter het onderzoek had gesloten en direct overging tot uitspraak, waarna de verdachte mondeling wraking aanvoerde. Dit verzoek kwam echter te laat in de procedure. De rechtbank benadrukte dat als de verdachte het niet eens is met de uitspraak, hij daartegen in hoger beroep kan gaan.
De beslissing werd genomen door de wrakingskamer bestaande uit voorzitter P.B. Martens en leden N.C.H. Blankevoort en I.M. Bilderbeek. Tegen deze beslissing is geen voorziening mogelijk op grond van artikel 512 lid 5 SvPro. De zaak werd hiermee definitief afgesloten wat betreft het wrakingsverzoek.
Uitkomst: Wrakingsverzoek niet-ontvankelijk verklaard omdat het na aanvang van de vonnisuitspraak werd ingediend.
Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
Beslissing op het op 18 november 2025 ter zitting gedane en onder zaaknummer C/13/779596 / HA RK 25-424 ingeschreven van:
[verzoeker] ,verzoeker,
wonende te [woonplaats] .
gemachtigde: mr. S. van Eijk,
welk verzoek strekt tot wraking van mr. M.A.E. Somsen, politierechter, hierna: de rechter.
Verloop van de procedure
De Wrakingskamer heeft kennisgenomen van de navolgende processtukken:
het proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van de politierechter van 18 november 2025;
de nadere schriftelijke reactie van verzoeker ingekomen op 24 november 2025.
1. De ontvankelijkheid van het verzoek
1.1.
Verzoeker is verdachte in de strafzaak met parketnummer 13/043383-25 die door de rechter op 18 november 2025 is behandeld. Blijkens het proces-verbaal is, nadat verzoeker het laatst woord was gegeven en nadat de rechter het onderzoek gesloten had verklaard en heeft gezegd terstond vonnis te zullen wijzen, het volgende verklaard:
“De politierechter:
De reden van aanhouding van het onderzoek op de vorige zitting staat duidelijk in het proces verbaal van aanhouding vermeld. Het Openbaar Ministerie is in de gelegenheid gesteld om het dossier aan te vullen met een afschrift van de nulmeting van de afgenomen ademanalyse of in ieder geval met een proces-verbaal waaruit de ijkdatum van het desbetreffende ademanalyseapparaat blijkt. Dat laatste heb ik ontvangen. De nulmeting is er niet bij een weigering om mee te werken aan een ademanalyse. Voor mij is, met de nieuwe informatie, duidelijk dat het apparaat geijkt was en dat wat verbalisanten hebben waargenomen op dat apparaat juist is. Ik zie onvoldoende aanknopingspunten om de zaak aan te houden voor het horen van [verbalisant] . Dat verzoek wijs ik af. Ik acht het feit wettig en overtuigend bewezen.
Verdachte:
Ik wraak u. U bent vooringenomen.
Griffier: Verdachte loopt samen met zijn partner de zaal uit. De raadsman blijft zitten en de politierechter gaat verder met het uitspreken van het vonnis.”
Vervolgens heeft de rechter de straf uitgesproken en is de behandeling gesloten.
1.2.
Het wrakingsverzoek is gedaan nadat het onderzoek ter terechtzitting was gesloten en de rechter was aangevangen met het doen van uitspraak. Een verzoek tot wraking kan niet meer worden gedaan nadat in de hoofdzaak einduitspraak is gedaan (ECLI:NL:HR:2024:1726) of daarmee een aanvang heeft gemaakt (artikel 1, vijfde lid van het Wrakingsprotocol van de rechtbank Amsterdam). Verzoeker dient dan ook niet-ontvankelijk in het wrakingsverzoek te worden verklaard. Als verzoeker het niet eens is met de uitspraak van de rechter zal hij daartegen in hoger dienen te gaan. Een mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek kan achterwege blijven.
1.3.
Op grond van het voorgaande wordt beslist als volgt.
BESLISSING
De rechtbank:
- verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in het wrakingsverzoek.
Aldus gegeven door mrs. P.B. Martens, voorzitter, en N.C.H. Blankevoort en I.M. Bilderbeek, leden, en uitgesproken op 1 december 2025.
Tegen deze beslissing staat op grond van het bepaalde in artikel 512 lid 5 SvPro geen voorziening open.