ECLI:NL:RBAMS:2025:10743

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
19 december 2025
Publicatiedatum
7 januari 2026
Zaaknummer
81/178404-24
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Strafzaak tegen verdachte wegens belastingfraude en feitelijke leidinggeving aan een rechtspersoon

Op 19 december 2025 heeft de Rechtbank Amsterdam een vonnis uitgesproken in een strafzaak tegen een verdachte die beschuldigd werd van belastingfraude. De verdachte, geboren in 1994, werd ervan beschuldigd feitelijke leiding te geven aan een rechtspersoon, [bedrijf], die in de periode van 1 mei 2020 tot en met 19 februari 2022 opzettelijk geen aangiften vennootschapsbelasting heeft gedaan. Daarnaast werd hem verweten dat hij in de periode van 22 september 2022 tot en met 23 januari 2025 opzettelijk geen boeken en bescheiden beschikbaar heeft gesteld aan de Belastingdienst, terwijl hij daartoe verplicht was. Tijdens de zitting op 5 december 2025 heeft de rechtbank kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. M. Lambregts, en de verdediging van de verdachte, vertegenwoordigd door mr. A.A. Kan. De rechtbank heeft de procesafspraken besproken die op 17 juli 2025 zijn gemaakt, waarbij de verdachte heeft ingestemd met de gemaakte afspraken en afstand heeft gedaan van bepaalde verdedigingsrechten. De rechtbank heeft vastgesteld dat de verdachte vrijwillig en met voldoende informatie heeft ingestemd met deze afspraken. De rechtbank heeft de bewezenverklaring van de feiten vastgesteld, met uitzondering van het medeplegen, en heeft geoordeeld dat de verdachte strafbaar is. De officier van justitie heeft een taakstraf van 240 uur en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden geëist, met ontzetting van het recht tot het bekleden van een functie als bestuurder voor 3 jaar. De rechtbank heeft deze straffen opgelegd, waarbij zij rekening heeft gehouden met de ernst van de feiten en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. De rechtbank heeft de op te leggen straffen in overeenstemming met de procesafspraken als passend beoordeeld.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 81/178404-24
Datum uitspraak: 19 december 2025
Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer strafkamer, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1994,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres] ,
hierna: verdachte.

1.Onderzoek ter terechtzitting

Dit (verkort) vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 5 december 2025.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. M. Lambregts, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. A.A. Kan, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.

2.Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort weergegeven – tenlastegelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan het (medeplegen van het) feitelijke leidinggeven aan [bedrijf] door:
Feit 1
in de periode 1 mei 2020 tot en met 19 februari 2022 opzettelijk niet of niet binnen de gestelde termijn doen van meerdere bij de belastingwet voorziene aangiften;
Feit 2
in de periode van 22 september 2022 tot en met 23 januari 2025 opzettelijk niet voor raadpleging beschikbaar stellen van - kort gezegd - boeken, bescheiden en/of andere gegevens aan de Belastingdienst, terwijl [bedrijf] daar ingevolge de belastingwet wel toe verplicht was.
De volledige tenlastelegging is opgenomen in
bijlage Idie aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3.Procesafspraken

3.1.
Totstandkoming procesafspraken
Een overeenkomst is opgesteld die op 17 juli 2025 door verdachte en zijn raadsman is ondertekend en op 24 juli 2025 door de officier van justitie is ondertekend. De overeenkomst is als
bijlage IIaan dit vonnis gehecht en de inhoud geldt als hier ingevoegd.
3.2.
Overeengekomen procesafspraken
In de procesafspraken staat onder meer vermeld dat het openbaar ministerie en de verdediging door het maken van de procesafspraken beogen de behandeling van de strafzaak zo efficiënt mogelijk te maken. In aanloop naar onderstaande afspraken is nadrukkelijk acht geslagen op de eisen van artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM). Beoogd is om efficiency en juridische kwaliteit bijeen te brengen.
Het openbaar ministerie en de verdediging zijn in de procesafspraken, zakelijk weergegeven, overeengekomen dat:
verdachte in het kader van deze overeenkomst:
  • geen bewijs- en strafverweren voert;
  • alle eventueel openstaande onderzoekswensen intrekt;
  • de tenlastegelegde feiten bekent;
het openbaar ministerie in het kader van deze overeenkomst ter terechtzitting:
  • rekwireert tot een bewezenverklaring en kwalificatie van de feiten, zoals weergegeven in de overeenkomst;
  • een taakstraf van 240 uur te vervangen door 120 dagen hechtenis, een voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden met een proeftijd van 3 jaar en ontzetting van het recht tot het bekleden van de functie van bestuurder van een rechtspersoon voor de duur van 3 jaar vordert.
Beide partijen zien af van hoger beroep als de strafoplegging in overeenstemming met de procesafspraken plaatsvindt.
3.3.
Beoordeling procesafspraken
De rechtbank kan alleen acht slaan op een door het openbaar ministerie en de verdediging opgesteld afdoeningsvoorstel als gewaarborgd is dat wordt voldaan aan de eisen die artikel 6 EVRM stelt. Deze waarborg is in het bijzonder van belang, omdat in een afdoeningsvoorstel de verdachte in de regel afziet van de uitoefening van bepaalde aan hem toekomende verdedigingsrechten.
De rechtbank heeft de procesafspraken op de terechtzitting van 5 december 2025 met de verdachte besproken, terwijl hij werd bijgestaan door zijn raadsman. Verdachte heeft op de terechtzitting verklaard dat hij de procesafspraken met zijn raadsman heeft doorgesproken en dat hij begrijpt wat de gemaakte afspraken inhouden. De rechtbank heeft op de terechtzitting de gevolgen van de procesafspraken met hem besproken en de rechtspositie van verdachte concreet aan de orde gesteld. Verdachte heeft verklaard dat hij akkoord gaat met de procesafspraken van 17 juli 2025.
De rechtbank is van oordeel dat verdachte – die gedurende zijn proces steeds is bijgestaan door een advocaat – vrijwillig, op basis van voldoende en duidelijke informatie, en terwijl hij zich bewust was van de rechtsgevolgen, is gekomen tot de ondubbelzinnige beslissing mee te werken aan de procesafspraken en de daarmee gepaard gaande afstand van verdedigingsrechten. De rechtbank heeft zich er bij de inhoudelijke behandeling van vergewist dat de verdachte nog altijd achter de gemaakte afspraken en het afdoeningsvoorstel staat.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank dan ook van oordeel dat zij acht kan slaan op de tussen de verdediging en het openbaar ministerie gemaakte procesafspraken.

4.Waardering van het bewijs

4.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft, overeenkomstig de procesafspraken, gerekwireerd tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten, met uitzondering van het medeplegen.
4.2.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft, overeenkomstig de procesafspraken, geen bewijsverweren gevoerd.
4.3.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft op grond van de bewijsmiddelen de overtuiging gekregen dat verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan, met uitzondering van het medeplegen.
De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Het vonnis zal in de gevallen waarin de wet dit vereist, worden aangevuld met een bijlage met daarin de bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring.

5.Bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte:
Feit 1
de besloten vennootschap [bedrijf] ,
in de periode van 1 mei 2020 tot en met 19 februari 2022 in Nederland,
opzettelijk bij de belastingwet voorziene aangiften, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten
a. de aangiften vennootschapsbelasting ten name van [bedrijf] over
-de periode van 31 januari 2018 tot en met 31 december 2019 (DOC-041) en
-de periode van 1 januari 2020 tot en met 31 december 2020 (DOC-041) en
b. de aangiften omzetbelasting ten name van [bedrijf] over
-het eerste kwartaal van 2020 (DOC-042) en
-het tweede kwartaal van 2020 (DOC-042) en
-het derde kwartaal van 2020 (DOC-042)
niet of niet binnen de gestelde termijn heeft gedaan,
terwijl dat feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven
tot het plegen van welk boven omschreven strafbare feit verdachte (telkens) opdracht heeft gegeven, dan wel aan welke bovenomschreven verboden gedraging verdachte feitelijke leiding heeft gegeven;
Feit 2
de besloten vennootschap [bedrijf] ,
in de periode van 22 september 2022 tot en met 23 januari 2025 in Nederland,
(telkens) als degene die ingevolge de belastingwet verplicht was tot het voor raadpleging beschikbaar stellen van boeken, bescheiden, andere gegevensdragers of de inhoud daarvan,
deze boeken, bescheiden, andere gegevensdragers of de inhoud daarvan opzettelijk niet voor raadpleging beschikbaar heeft gesteld,
door – zakelijk weergegeven – op verzoek van de Belastingdienst te Amsterdam (DOC-002, DOC-004, DOC-005 en DOC-007)
(telkens) geen boeken, bescheiden, andere gegevensdragers of de inhoud daarvan voor raadpleging beschikbaar te stellen aan (een ambtenaar van) de Belastingdienst,
terwijl dat feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven
tot het plegen van welk boven omschreven strafbare feit verdachte (telkens) opdracht heeft gegeven, dan wel aan welke bovenomschreven verboden gedraging verdachte feitelijke leiding heeft gegeven.
Voor zover in het bewezenverklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6.De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7.De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8.Motivering van de straffen en maatregelen

8.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft, overeenkomstig de procesafspraken, gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een taakstraf van 240 uur met bevel, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 120 dagen en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden met een proeftijd van 3 jaar. Daarbij heeft de officier van justitie gevorderd dat verdachte zal worden ontzet van het recht tot het bekleden van de functie van bestuurder van een rechtspersoon voor de duur van drie jaar.
8.2.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft, overeenkomstig de procesafspraken, geen strafmaat verweer gevoerd.
8.3.
Oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan belastingfraude door feitelijke leiding te geven aan het opzettelijk niet doen van aangiften vennootschapsbelasting en omzetbelasting en aan het niet voldoen aan verzoeken van de belastingdienst tot het beschikbaar stellen van stukken. Verdachte heeft met zijn handelswijze het vertrouwen geschaad dat rust op de juistheid en volledigheid van belastingaangiftes en hiermee de Belastingdienst en de samenleving sterk benadeeld.
De rechtbank heeft kennisgenomen van wat verdachte ter terechtzitting naar voren heeft gebracht over zijn persoonlijke omstandigheden. Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 23 oktober 2025. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor soort gelijke strafbare feiten.
Afdoeningsvoorstel
De rechtbank heeft zich beraden over de procesafspraken en haar eigen afweging gemaakt bij de bepaling van de op te leggen straf. De precieze hoogte van het belastingnadeel wordt in de procesafspraken in het midden gelaten. De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de door de Belastingdienst en FIOD opgestelde nadeelberekeningen voor 2018/2019 onrealistisch hoog zijn geschat en verschillende tegenstrijdigheden bevatten. De berekening van de geschatte omzet zou niet zijn gebaseerd op de aantal kilo’s lachgas dat [bedrijf] aantoonbaar heeft ingekocht. Daarnaast zou de Belastingdienst de omzet hebben overgenomen van suppletieaangiften omzetbelasting 2019 die op naam van [bedrijf] zouden zijn ingediend. Verdachte heeft verklaard nooit suppletieaangiften gedaan te hebben en dit bedrag wordt niet onderbouwd door de Belastingdienst. De verdediging stelt dat het belastingnadeel over 2018/2019 maximaal € 63.199,- bedraagt. Ook de officier van justitie gaat uit van een veel lager belastingnadeel dan de nadeelberekening van de Belastingdienst en de FIOD. Hij heeft daarbij geen concreet bedrag kunnen noemen, maar houdt het op “enkele tonnen”.
De rechtbank vindt dat het voorstel voor de strafafdoening in redelijke verhouding staat tot de ernst van de zaak. De nadeelberekening van de verdediging ten aanzien van 2018/2019 komt de rechtbank niet onwaarschijnlijk voor en de rechtbank is dan ook van oordeel dat aannemelijk is worden dat het daadwerkelijke belastingnadeel over 2018/2019 substantieel lager ligt dan door de Belastingdienst en FIOD berekende € 530.992,-.
Het voorstel dient bovendien niet alleen een efficiënte en voortvarende behandeling maar ook een effectieve afdoening van de zaak; omdat de rechtbank in overeenstemming met het afdoeningsvoorstel oordeelt, vloeit daaruit in beginsel voort dat het belang bij een behandeling van de zaak in hoger beroep ontbreekt. De op te leggen straffen kunnen onmiddellijk ten uitvoer worden gelegd. Het voorstel doet daarmee ook recht aan de belangen van de maatschappij.
Strafoplegging
De rechtbank is, gelet op het vorenstaande, van oordeel dat de door de officier van justitie gevorderde taakstraf van 240 uur, een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden met een proeftijd van 3 jaar en ontzetting van het recht tot het bekleden van de functie van bestuurder van een rechtspersoon voor de duur van 3 jaar, zoals vastgesteld in de procesafspraken tussen het openbaar ministerie en de verdediging, in de gegeven omstandigheden passende straffen zijn.

9.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 28, 31, 51 en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 68 en 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.

10.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hiervoor is bewezenverklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezenverklaarde levert op:
Feit 1
feitelijke leidinggeven aan het door een rechtspersoon opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte niet doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd
Feit 2
feitelijke leidinggeven aan het door een rechtspersoon als degene die ingevolge de belastingwet verplicht is tot het beschikbaar stellen van boeken, bescheiden, andere gegevensdragers of de inhoud daarvan, en deze opzettelijk niet voor dit doel beschikbaar stellen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte,
[verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een
taakstrafvan
240 (tweehonderdveertig) uur, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van
120 (honderdtwintig) dagen.
Veroordeelt verdachte tot een
gevangenisstrafvan
6 (zes) maanden.
Bepaalt dat deze straf niet ten uitvoer gelegd zal worden, tenzij later anders wordt gelast.
Stelt daarbij een
proeftijdvan
3 (drie) jarenvast.
De tenuitvoerlegging kan worden bevolen als de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.
Ontzet verdachte van de uitoefening van het beroepvan statutair bestuurder of feitelijk bestuurder van enig rechtspersoon als bedoeld in artikel 51 van het Wetboek van Strafrecht, voor de duur van
3 (drie) jaren.
Beveelt dat de officier van justitie een afschrift van het vonnis verstrekt aan de Kamer van Koophandel.
Dit vonnis is gewezen door
mr. B. Vogel, voorzitter,
mrs. M. Smit en H.B.W. Beekman, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. K.M.S. Kamp, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 19 december 2025.
[…]