4.3Het oordeel van de rechtbank
Vast staat dat aangever [aangever] op 21 juni 2025 verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] , die zich verplaatsten op een scooter, heeft aangereden met zijn auto, een rode Dodge Raptor. De verklaringen over hetgeen zich voorafgaand aan deze aanrijding heeft afgespeeld, lopen uiteen. Aangever heeft verklaard dat hij in zijn auto, onder bedreiging met een vuurwapen, beroofd is van een Rolex horloge, waarna hij de op een scooter weggevluchte daders heeft achtervolgd en uiteindelijk aangereden. [medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij achterop de scooter zat bij verdachte toen zij uit het niets werden aangereden. Verdachte verklaart dat hij die dag op een scooter naar een bankje in de buurt van de rotonde op de [straat] is gereden en dat hij daar is overgestapt op de motorscooter van iemand anders van wie hij de naam niet wil noemen. Hij heeft verklaard dat hij een vriend achterop heeft genomen waarna hij tot twee maal toe werd aangereden door een rode auto. Van een beroving zegt verdachte niets te weten.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verklaringen van aangever [aangever] en getuige [getuige] niet betrouwbaar zijn, waarbij onder andere is gewezen op enkele inconsistenties. Met de verdediging is de rechtbank van oordeel dat terughoudendheid gepast is met betrekking tot deze verklaringen. De rechtbank zal dan ook alleen uitgaan van deze verklaringen voor zover de desbetreffende onderdelen uit die verklaringen worden ondersteund door andere onderzoeksresultaten.
Hoewel dit ertoe leidt dat de rechtbank op basis van die verklaringen niet de overtuiging heeft gekregen dat er daadwerkelijk een Rolex is weggenomen, acht de rechtbank wel bewezen dat aangever in zijn auto, onder bedreiging met een vuurwapen, van enig goed is beroofd door medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] . Daarvoor is het volgende redengevend.
De verklaring van aangever dat hij, samen met een bekende voorin zijn auto zittend, beroofd is door twee personen die achter in zijn auto stapten en er na de beroving uitsprongen en wegrenden vindt steun in de verklaring van getuige [getuige] en in de camerabeelden van de Kwikfit Een van deze personen vertoont volgens de politie gelijkenissen met medeverdachte [medeverdachte 2] .
De rechtbank stelt vast dat het daadwerkelijk medeverdachte [medeverdachte 2] is geweest die aangever samen met medeverdachte [medeverdachte 1] heeft beroofd met een vuurwapen op basis van de verklaring van getuige [getuige] dat hij het contact heeft gelegd met een van de “kopers”, ene [naam] die hij kent van vroeger. In de telefoon van [getuige] staat het telefoonnummer van medeverdachte [medeverdachte 2] opgeslagen onder de naam A. Ook blijkt het snapchataccount [accountnaam 1] , dat wordt toegeschreven aan medeverdachte [medeverdachte 2] , in de telefoon opgeslagen als [naam] . Op een in beslag genomen telefoon die aan medeverdachte [medeverdachte 1] toe te schrijven is, is een op 21 juni 2025 gevoerd Snapchat gesprek aangetroffen met het account [accountnaam 1] (met gebruikersnaam [naam] ). De gebruiker van de in beslag genomen telefoon heeft [accountnaam 2] als gebruikersnaam. Hierbij worden, onder andere, de volgende berichten gestuurd:
[naam] : Ik pak nu die P boven (15:47 uur)
[naam] : kom via die andere weg (16:08 uur)
[accountnaam 2] : [straat] ? (16:08 uur)
[medeverdachte 2] : ja, (...) rode raptor, stap in (16:08)
(...)
[medeverdachte 2] : Zeg geef het, pas als je, erin zit, trekken (16:09)
Deze berichten zijn redengevend voor de conclusie dat medeverdachte [medeverdachte 2] een vuurwapen (“die P”) heeft gehaald en deze heeft overhandigd aan medeverdachte [medeverdachte 1] , die hij heeft geïnstrueerd hoe hij aangever moest beroven (“rode raptor, stap in (…) Zeg geef het, pas als je erin zit trekken”). Uit de verklaring van [aangever] en [getuige] en uit de camerabeelden van de Kwikfit volgt dat vervolgens medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] daadwerkelijk zijn ingestapt bij aangever en kort daarna haastig het voertuig weer verlaten, waarna [aangever] , zoals hij zelf ook verklaarde, met zijn auto is weggereden achter de daders aan. Deze feiten en omstandigheden zijn redengevend voor de conclusie dat medeverdachte [medeverdachte 2] en medeverdachte [medeverdachte 1] een gezamenlijk plan hadden om de inzittende(n) van het voertuig onder bedreiging van een wapen van een goed te beroven en vervolgens dat plan ook daadwerkelijk samen hebben uitgevoerd. Dat het medeverdachte [medeverdachte 1] was die met medeverdachte [medeverdachte 2] de beroving heeft gepleegd, vindt tot slot bevestiging in het aantreffen van DNA dat met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kan worden toegeschreven aan [medeverdachte 1] op de ruwe delen van het vuurwapen dat op de plaats van de aanrijding is aangetroffen.
Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat verdachte niet kan worden aangemerkt als medepleger van deze beroving. Verdachte wordt daarom vrijgesproken van het primair tenlastegelegde feit.
Wel kan naar het oordeel van de rechtbank worden bewezen dat verdachte medeplichtig is geweest bij de diefstal met geweld. Vast staat dat medeverdachte [medeverdachte 1] , nadat hij aangever beroofd had, is weggerend en achterop de motorscooter die bestuurd werd door verdachte is gestapt.
De rechtbank acht de verklaring van verdachte dat hij in het geheel niets wist van de beroving niet geloofwaardig. Verdachte heeft op doorvragen van de rechtbank geen of slechts oppervlakkig antwoord willen geven waardoor zijn verklaring weinig concreet en dus niet verifieerbaar is gebleven, Ook is sprake van een zeer kort tijdsverloop tussen de diefstal met geweld en het moment dat verdachte met medeverdachte [medeverdachte 1] op de scooter is weggereden. Aangever [aangever] heeft verklaard dat hij vrijwel direct achter de daders is aangereden. Dit wordt ondersteund door de camerabeelden van de Kwikfit, waarop te zien is dat om 18:13:45 uur twee personen uit de auto zijn gestapt en wegrennen. Om 18:14:01 uur zet de rode auto de achtervolging in. Zeven minuten later, om 18:22 uur, heeft het ongeval reeds plaatsgevonden en ligt verdachte op de weg. Een ambulance is dan al onderweg. Opvallend is dat verdachte, terwijl hij gewond op de grond lag, tegen de hulpdiensten heeft verklaard dat hij alleen op de scooter zat en niets heeft gezegd over zijn vriend die bij het ongeval ook ernstig gewond is geraakt en door iemand naar het ziekenhuis is gebracht. Gezien deze feiten en omstandigheden acht de rechtbank het onwaarschijnlijk dat verdachte niets zou hebben afgeweten van de zojuist (mede) door medeverdachte [medeverdachte 1] gepleegde beroving.
De hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden leiden tot de slotsom dat buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat de verdachte wist van de beroving en dat hij daar opzettelijk behulpzaam bij is geweest door medeverdachte [medeverdachte 1] op de motorscooter te laten stappen en vervolgens is weggereden. Door zijn handelen heeft hij de medeverdachte gelegenheid verschaft om de vlucht mogelijk te maken. De rechtbank oordeelt dat hij op dat moment behulpzaam is geweest bij de diefstal met geweld en daarbij ook de opzet heeft gehad op het door de medeverdachten gepleegde misdrijf.
Dit leidt tot de conclusie dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan medeplichtigheid aan een diefstal met geweld. De rechtbank komt daarnaast tot een bewezenverklaring van het voorhanden hebben van een vuurwapen nu uit bovenstaande volgt dat verdachte op de hoogte was van de diefstal met geweld en hij de medeverdachte, samen met het bij de beroving gebruikte vuurwapen, heeft vervoerd. Hieruit leidt de rechtbank af dat (ook) verdachte beschikkingsmacht had over dit wapen.