ECLI:NL:RBAMS:2025:10747

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
19 december 2025
Publicatiedatum
7 januari 2026
Zaaknummer
13/190524-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Medeplichtigheid aan diefstal met geweld en voorhanden hebben van een vuurwapen

Op 19 december 2025 heeft de Rechtbank Amsterdam uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die zich schuldig heeft gemaakt aan medeplichtigheid aan diefstal met geweld en het voorhanden hebben van een vuurwapen. De zaak betreft een incident dat plaatsvond op 21 juni 2025, waarbij de verdachte en medeverdachten betrokken waren bij de beroving van een Rolex horloge van een aangever, onder bedreiging met een vuurwapen. De rechtbank heeft vastgesteld dat de verdachte niet als medepleger kan worden aangemerkt, maar wel medeplichtig was aan de diefstal. De rechtbank heeft de verklaringen van de aangever en getuigen gewogen, waarbij inconsistenties in de verklaringen zijn opgemerkt. De verdachte heeft op de vlucht geslagen met medeverdachte [medeverdachte 1] op een scooter, wat de rechtbank als bewijs voor medeplichtigheid heeft aangemerkt. De rechtbank heeft de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van 16 maanden, met inachtneming van eerdere veroordelingen en de impact van het delict op de samenleving. De rechtbank heeft ook rekening gehouden met de omstandigheden van de verdachte, waaronder zijn fysieke letsel door een aanrijding, maar heeft geoordeeld dat dit niet afdoet aan de ernst van de gepleegde feiten.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/190524-25
Parketnummer vordering tul: 13/392736-24
Datum uitspraak: 19 december 2025
Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2006,
wonende op het adres [adres] ,
nu gedetineerd in de [P.I.] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 5 december 2025.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. F.T. Haak en van wat verdachte en zijn raadsvrouw mr. S.R. Nahar naar voren hebben gebracht.
Er wordt gelijktijdig vonnis gewezen in de zaken tegen medeverdachten [medeverdachte 1] (13/190528-25) en [medeverdachte 2] (13/210300-25).

2.Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – na wijziging op de zitting van 5 december 2025 ten laste gelegd dat hij zich op
21 juni 2025 te Amsterdamheeft schuldig gemaakt aan
Feit 1 primair:medeplegen van diefstal met geweld van een Rolex horloge, toebehorend aan [aangever] ;
Subsidiairis dit als medeplichtigheid ten laste gelegd;
Feit 2:in vereniging voorhanden hebben van een vuurwapen.
De volledige tenlastelegging is opgenomen in
bijlage Idie aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3.Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.
4. Waardering van het bewijs
4.1
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft – onder verwijzing naar het schriftelijk standpunt – gerekwireerd tot bewezenverklaring van feit 1 en 2.
4.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft – conform de pleitnota – integrale vrijspraak bepleit.
4.3
Het oordeel van de rechtbank
Vast staat dat aangever [aangever] op 21 juni 2025 verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] , die zich verplaatsten op een scooter, heeft aangereden met zijn auto, een rode Dodge Raptor. De verklaringen over hetgeen zich voorafgaand aan deze aanrijding heeft afgespeeld, lopen uiteen. Aangever heeft verklaard dat hij in zijn auto, onder bedreiging met een vuurwapen, beroofd is van een Rolex horloge, waarna hij de op een scooter weggevluchte daders heeft achtervolgd en uiteindelijk aangereden. [medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij achterop de scooter zat bij verdachte toen zij uit het niets werden aangereden. Verdachte verklaart dat hij die dag op een scooter naar een bankje in de buurt van de rotonde op de [straat] is gereden en dat hij daar is overgestapt op de motorscooter van iemand anders van wie hij de naam niet wil noemen. Hij heeft verklaard dat hij een vriend achterop heeft genomen waarna hij tot twee maal toe werd aangereden door een rode auto. Van een beroving zegt verdachte niets te weten.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verklaringen van aangever [aangever] en getuige [getuige] niet betrouwbaar zijn, waarbij onder andere is gewezen op enkele inconsistenties. Met de verdediging is de rechtbank van oordeel dat terughoudendheid gepast is met betrekking tot deze verklaringen. De rechtbank zal dan ook alleen uitgaan van deze verklaringen voor zover de desbetreffende onderdelen uit die verklaringen worden ondersteund door andere onderzoeksresultaten.
Hoewel dit ertoe leidt dat de rechtbank op basis van die verklaringen niet de overtuiging heeft gekregen dat er daadwerkelijk een Rolex is weggenomen, acht de rechtbank wel bewezen dat aangever in zijn auto, onder bedreiging met een vuurwapen, van enig goed is beroofd door medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] . Daarvoor is het volgende redengevend.
De verklaring van aangever dat hij, samen met een bekende voorin zijn auto zittend, beroofd is door twee personen die achter in zijn auto stapten en er na de beroving uitsprongen en wegrenden vindt steun in de verklaring van getuige [getuige] en in de camerabeelden van de Kwikfit Een van deze personen vertoont volgens de politie gelijkenissen met medeverdachte [medeverdachte 2] .
De rechtbank stelt vast dat het daadwerkelijk medeverdachte [medeverdachte 2] is geweest die aangever samen met medeverdachte [medeverdachte 1] heeft beroofd met een vuurwapen op basis van de verklaring van getuige [getuige] dat hij het contact heeft gelegd met een van de “kopers”, ene [naam] die hij kent van vroeger. In de telefoon van [getuige] staat het telefoonnummer van medeverdachte [medeverdachte 2] opgeslagen onder de naam A. Ook blijkt het snapchataccount [accountnaam 1] , dat wordt toegeschreven aan medeverdachte [medeverdachte 2] , in de telefoon opgeslagen als [naam] . Op een in beslag genomen telefoon die aan medeverdachte [medeverdachte 1] toe te schrijven is, is een op 21 juni 2025 gevoerd Snapchat gesprek aangetroffen met het account [accountnaam 1] (met gebruikersnaam [naam] ). De gebruiker van de in beslag genomen telefoon heeft [accountnaam 2] als gebruikersnaam. Hierbij worden, onder andere, de volgende berichten gestuurd:
[naam] : Ik pak nu die P boven (15:47 uur)
[naam] : kom via die andere weg (16:08 uur)
[accountnaam 2] : [straat] ? (16:08 uur)
[medeverdachte 2] : ja, (...) rode raptor, stap in (16:08)
(...)
[medeverdachte 2] : Zeg geef het, pas als je, erin zit, trekken (16:09)
Deze berichten zijn redengevend voor de conclusie dat medeverdachte [medeverdachte 2] een vuurwapen (“die P”) heeft gehaald en deze heeft overhandigd aan medeverdachte [medeverdachte 1] , die hij heeft geïnstrueerd hoe hij aangever moest beroven (“rode raptor, stap in (…) Zeg geef het, pas als je erin zit trekken”). Uit de verklaring van [aangever] en [getuige] en uit de camerabeelden van de Kwikfit volgt dat vervolgens medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] daadwerkelijk zijn ingestapt bij aangever en kort daarna haastig het voertuig weer verlaten, waarna [aangever] , zoals hij zelf ook verklaarde, met zijn auto is weggereden achter de daders aan. Deze feiten en omstandigheden zijn redengevend voor de conclusie dat medeverdachte [medeverdachte 2] en medeverdachte [medeverdachte 1] een gezamenlijk plan hadden om de inzittende(n) van het voertuig onder bedreiging van een wapen van een goed te beroven en vervolgens dat plan ook daadwerkelijk samen hebben uitgevoerd. Dat het medeverdachte [medeverdachte 1] was die met medeverdachte [medeverdachte 2] de beroving heeft gepleegd, vindt tot slot bevestiging in het aantreffen van DNA dat met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kan worden toegeschreven aan [medeverdachte 1] op de ruwe delen van het vuurwapen dat op de plaats van de aanrijding is aangetroffen.
Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat verdachte niet kan worden aangemerkt als medepleger van deze beroving. Verdachte wordt daarom vrijgesproken van het primair tenlastegelegde feit.
Wel kan naar het oordeel van de rechtbank worden bewezen dat verdachte medeplichtig is geweest bij de diefstal met geweld. Vast staat dat medeverdachte [medeverdachte 1] , nadat hij aangever beroofd had, is weggerend en achterop de motorscooter die bestuurd werd door verdachte is gestapt.
De rechtbank acht de verklaring van verdachte dat hij in het geheel niets wist van de beroving niet geloofwaardig. Verdachte heeft op doorvragen van de rechtbank geen of slechts oppervlakkig antwoord willen geven waardoor zijn verklaring weinig concreet en dus niet verifieerbaar is gebleven, Ook is sprake van een zeer kort tijdsverloop tussen de diefstal met geweld en het moment dat verdachte met medeverdachte [medeverdachte 1] op de scooter is weggereden. Aangever [aangever] heeft verklaard dat hij vrijwel direct achter de daders is aangereden. Dit wordt ondersteund door de camerabeelden van de Kwikfit, waarop te zien is dat om 18:13:45 uur twee personen uit de auto zijn gestapt en wegrennen. Om 18:14:01 uur zet de rode auto de achtervolging in. Zeven minuten later, om 18:22 uur, heeft het ongeval reeds plaatsgevonden en ligt verdachte op de weg. Een ambulance is dan al onderweg. Opvallend is dat verdachte, terwijl hij gewond op de grond lag, tegen de hulpdiensten heeft verklaard dat hij alleen op de scooter zat en niets heeft gezegd over zijn vriend die bij het ongeval ook ernstig gewond is geraakt en door iemand naar het ziekenhuis is gebracht. Gezien deze feiten en omstandigheden acht de rechtbank het onwaarschijnlijk dat verdachte niets zou hebben afgeweten van de zojuist (mede) door medeverdachte [medeverdachte 1] gepleegde beroving.
De hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden leiden tot de slotsom dat buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat de verdachte wist van de beroving en dat hij daar opzettelijk behulpzaam bij is geweest door medeverdachte [medeverdachte 1] op de motorscooter te laten stappen en vervolgens is weggereden. Door zijn handelen heeft hij de medeverdachte gelegenheid verschaft om de vlucht mogelijk te maken. De rechtbank oordeelt dat hij op dat moment behulpzaam is geweest bij de diefstal met geweld en daarbij ook de opzet heeft gehad op het door de medeverdachten gepleegde misdrijf.
Dit leidt tot de conclusie dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan medeplichtigheid aan een diefstal met geweld. De rechtbank komt daarnaast tot een bewezenverklaring van het voorhanden hebben van een vuurwapen nu uit bovenstaande volgt dat verdachte op de hoogte was van de diefstal met geweld en hij de medeverdachte, samen met het bij de beroving gebruikte vuurwapen, heeft vervoerd. Hieruit leidt de rechtbank af dat (ook) verdachte beschikkingsmacht had over dit wapen.

5.Bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte
Feit 1, subsidiair:
[medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] op 21 juni 2025 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander, enig goed, dat aan [aangever] toebehoorde hebben weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen die [aangever] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken door:
- een vuurwapen, aan die [aangever] en/of [getuige] te tonen en/of op die [aangever] en/of die [getuige] gericht te houden,
bij het plegen van welk misdrijf verdachte op 21 juni 2025 te Amsterdam opzettelijk behulpzaam is geweest door zich op te houden rond het plaats delict en een (vlucht)scooter te besturen.
Feit 2:
op 21 juni 2025 te Amsterdam
tezamen en in vereniging met anderen een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te
weten een vuurwapen zijnde een vuurwapen in de vorm van een pistool
voorhanden heeft gehad.
Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken.
Voor zover in het bewezenverklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6.Het bewijs

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.

7.De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

8.De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

9.Motivering van de straffen en maatregelen

9.1.
De eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het door hem onder feit 1 subsidiair en feit 2 bewezen geachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 15 maanden, waarvan 1 maand voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. Aan het voorwaardelijke deel dient een contactverbod met aangever en een contactverbod met de medeverdachten te worden verbonden. De officier van justitie heeft gevorderd dat deze bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar worden verklaard.
9.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft verzocht om in de eventuele strafmaat rekening te houden met het fysieke letsel dat verdachte aan de aanrijding heeft overgehouden.
9.3.
Het oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan medeplichtigheid aan diefstal onder dreiging van een vuurwapen. Hoewel onduidelijk is gebleven welk goed er is weggenomen doet dat aan de ernst van het feit niets af. Dit soort feiten heeft een enorme impact op de slachtoffers en brengt gevoelens van onveiligheid in de samenleving teweeg. Verdachte heeft niet willen verklaren over hoe hij tot zijn daad is gekomen, zodat de rechtbank het ervoor houdt dat hij, op het oog op lichtzinnige wijze, tot zijn daad is overgaan uit eigen gewin.
Daarnaast heeft verdachte samen met zijn mededaders het vuurwapen dat bij de beroving is gebruikt voorhanden gehad. Vuurwapens vormen een groot gevaar voor de samenleving. Het onbevoegd voorhanden hebben daarvan maakt een ernstige inbreuk op de rechtsorde en leidt tot gevoelens van onveiligheid in de samenleving. Dat is ook in deze zaak weer gebleken.
De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 19 september 2025. Hieruit blijkt dat verdachte enkele maanden voorafgaand aan het plegen van de onderhavige feiten, in juni 2025, is veroordeeld voor openlijke geweldpleging. Daarnaast is hij in december 2024 door de kinderrechter veroordeeld voor schuldheling. Er is dus sprake van recente eerdere veroordelingen, waaronder een veroordeling voor een geweldsdelict.
De rechtbank heeft ook kennisgenomen van het reclasseringsadvies van 25 november 2025. De reclassering geeft aan zorgen te hebben over het sociale netwerk van verdachte, zijn houding en zijn financiële situatie. Verdachte heeft geen inkomen, wel schulden en openstaande boetes en een schadevergoedingsmaatregel. De reclassering vindt het positief dat verdachte een studie wil gaan volgen en medewerking wil verlenen aan het huidige reclasseringstoezicht. Hoewel de reclassering risico’s ziet, acht zij aanvullende voorwaarden niet haalbaar en ziet zij geen mogelijkheden om verdachte te begeleiden in een nieuw toezicht.
Door de verdediging is aangevoerd dat verdachte ernstig gewond is geraakt doordat hij door [aangever] is aangereden en dat hij daarvan nog altijd niet volledig is hersteld en mogelijk ook nooit volledig zal herstellen. De verdediging heeft bepleit dat dit in sterke mate strafverminderend moet worden meegewogen. De rechtbank zal dat echter niet doen, omdat de gevolgen die de aanrijding voor verdachte heeft gehad de strafwaardigheid van zijn handelen daarvóór niet wegnemen.
Gezien de ernst van de feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Bij de straftoemeting houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. Op basis hiervan neemt de rechtbank als uitgangspunt voor de strafmaat een gevangenisstraf van 24 maanden, in het geval van medeplegen. De rechtbank stelt vast dat er sprake is van eendaadse samenloop tussen de beroving en het vuurwapenbezit. Daarnaast neemt zij in aanmerking dat verdachte ten aanzien van het eerste feit medeplichtig is, hetgeen lichter wordt bestraft dan de rol van medepleger. Al met al acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 16 maanden, met aftrek van voorarrest, passend en geboden.
De rechtbank legt hiermee een zwaardere straf op dan door de officier van justitie is geëist. Dat is ten eerste omdat de rechtbank de ernst van het feit zwaarder weegt. Ten tweede geeft de rechtbank bij straffen van deze duur er de voorkeur aan om in het kader van de VI-regeling te beoordelen of het wenselijk is verdachte langer onder toezicht van de reclassering te houden (en zo ja, onder welke voorwaarden) in plaats van nu een (deels) voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden op te leggen. Eventuele voorwaarden bij de VI kunnen tegen die tijd ook meer op maat worden gesneden. Bij een onvoorwaardelijke straf van 16 maanden kan verdachte in beginsel na ruim 13 maanden in aanmerking komen voor een voorwaardelijke invrijheidsstelling.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.

10.Tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling

Bij de stukken bevindt zich de op 20 oktober 2025 ter griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam, in de zaak met parketnummer 13/392736-24, betreffende het onherroepelijk geworden vonnis d.d. 6 juni 2025 van de meervoudige strafkamer te Amsterdam, waarbij verdachte is veroordeeld tot een jeugddetentie van 1 maand, met bevel dat deze straf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van een op 2 jaar bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Tevens bevindt zich bij de stukken een geschrift waaruit blijkt dat de mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering aan verdachte per post is toegezonden.
Gebleken is dat verdachte zich voor het einde van voornoemde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, zoals naar voren komt uit de verdere inhoud van dit vonnis. Dit is in beginsel grond om de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijke straf te gelasten.
De rechtbank zal de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf echter afwijzen omdat zij het wenselijk acht dat het toezicht en de bijzondere voorwaarden zoals die onder dit parketnummer aan verdachte zijn opgelegd, blijven lopen.

11.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen:
- 47, 48, 49, 55 en 312 van het Wetboek van Strafrecht;
- 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

12.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart het onder feit 1 primair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in
rubriek 5is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
Ten aanzien van feit 1, subsidiair, en feit 2:
eendaadse samenloop van
medeplichtigheid aan diefstal met geweld
en medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte,
[verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een
gevangenisstrafvan
16 (zestien) maanden.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
Wijst de vordering tot tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer 13/392736-24 af.
Dit vonnis is gewezen door
mr. M. Smit, voorzitter,
mrs. B. Vogel en G.J.M. Kruizinga, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. K.M.S. Kamp, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 19 december 2025.
[....]