ECLI:NL:RBAMS:2025:10774

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
31 december 2025
Publicatiedatum
8 januari 2026
Zaaknummer
C/13/765943 / HA ZA 25-830
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Tussenuitspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8.2 KoopovereenkomstArt. 8.3 KoopovereenkomstArt. 8.9.2 KoopovereenkomstArt. 5.1 sub (vi) VerkopersleningArt. 7 Verkoperslening
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussenvonnis over bewijsopdracht garantieschending bij bedrijfsovername

IAG heeft in 2023 80% van de aandelen in Cordial overgenomen van [gedaagde] en [bedrijf 1]. IAG stelt dat verkoper garanties over de financiële positie van Cordial heeft geschonden, met name over de waardering van de voorraad in de concept jaarrekening 2022, de waardering van uitstaande orders en een strategiewijziging van een belangrijke klant (Sappi) met betrekking tot antidumpingheffing. IAG vordert schadevergoeding en [gedaagde] vordert in reconventie dat de verkoperslening van €1 miljoen opeisbaar is geworden wegens vermeend niet nakomen van informatieverplichtingen.

De rechtbank kan niet vaststellen of de concept jaarrekening onjuist is en geeft IAG een bewijsopdracht om dit aan te tonen. De vorderingen over uitstaande orders en antidumpingheffing worden afgewezen omdat onvoldoende schade is aangetoond. De reconventionele vordering wordt afgewezen omdat de informatieplicht geen materiële verplichting is die tot opeisbaarheid leidt.

De rechtbank bepaalt dat IAG kan kiezen hoe het bewijs levert, bijvoorbeeld via een deskundigenbericht of getuigen, en regelt de procedure voor bewijslevering. Alle verdere beslissingen worden aangehouden. Dit tussenvonnis is gewezen door rechter Schaberg en rechter-plaatsvervanger Fonville.

Uitkomst: Bewijsopdracht toegewezen voor garantieschending; overige vorderingen en reconventie afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht
Zaaknummer: C/13/765943 / HA ZA 25-830
Vonnis van 31 december 2025
in de zaak van

1.INTERNATIONAL ADHESIVES GROUP B.V.,

gevestigd in Amsterdam,
2.
CORDIAL BEHEER EN REGISTERGOEDEREN B.V.,
gevestigd in Groningen,
eisende partijen in conventie,
verwerende partijen in reconventie,
hierna samen te noemen: IAG c.s.,
advocaat: mr. R.Q. Potter,
tegen
[gedaagde] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. R.S. van der Spek.

1.Samenvatting

1.1.
IAG heeft op 12 april 2023 alle aandelen in Cordial van [gedaagde] (80%) en [bedrijf 1] (20%) gekocht voor een initiële koopprijs van € 10 miljoen. De verkopers hebben daarbij garanties afgegeven met betrekking tot de juistheid van de verstrekte informatie over onder andere de financiële positie van Cordial. IAG c.s. stellen dat deze garanties zijn geschonden. IAG c.s. stellen hierdoor € 5.546.701 aan schade te hebben geleden en vorderen in conventie 80% van dit bedrag van [gedaagde] .
1.2.
Het standpunt van IAG c.s. dat [gedaagde] garanties heeft geschonden, is voor een groot deel gegrond op de stelling dat de concept jaarrekening van Cordial over boekjaar 2022, die [gedaagde] in het kader van de overname aan IAG heeft verstrekt, op een aantal punten onjuist is geweest omdat de voorraad daarin niet juist is gewaardeerd. De rechtbank kan niet vaststellen of de door [gedaagde] aan IAG verstrekte concept jaarrekening 2022 onjuist is geweest en zal IAG c.s. opdracht geven om deze stelling te bewijzen. Dit is dus een tussenvonnis. De gestelde garantieschendingen zijn ook gebaseerd op de stelling dat in de concept jaarrekening 2022 ten onrechte geen voorziening is getroffen voor uitstaande orders. De vordering die hierop is gebaseerd, zal bij eindvonnis worden afgewezen, omdat IAG c.s. deze stelling onvoldoende hebben onderbouwd. Ook de vordering van IAG c.s. die is gebaseerd op de stelling dat [gedaagde] heeft verzwegen dat een belastingvoordeel bij een belangrijke klant zou komen te vervallen, slaagt niet en zal bij eindvonnis worden afgewezen. Uit het dossier blijkt namelijk dat [gedaagde] dit aan IAG c.s. heeft gemeld.
1.3.
[gedaagde] vordert in reconventie voor recht te verklaren dat de door haar ten behoeve van de overname aan IAG verstrekte verkoperslening van € 1 miljoen opeisbaar is geworden. Deze vordering zal bij eindvonnis worden afgewezen omdat IAG geen materiële verplichting heeft geschonden.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 24 februari 2025 met producties;
- de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie met producties;
- de conclusie van antwoord in reconventie met producties;
- het tussenvonnis van 16 juli 2025, waarin de mondelinge behandeling is bepaald; en
- het verkort proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 19 november 2025 met de daarin genoemde stukken.
2.2.
Daarna is bepaald dat vandaag het vonnis wordt uitgesproken.

3.De feiten

3.1.
NewPort Buyout Fund II Coöperatief U.A. (NewPort) is een participatiemaatschappij. NewPort heeft International Adhesives Group B.V. (IAG) opgericht ten behoeve van de koop van de aandelen in het kapitaal van Cordial Beheer en Registergoederen B.V. (Cordial). In dit vonnis wordt de partij die als koper onderhandelde over de overname aangeduid als IAG.
3.2.
Cordial is een internationale producent, ontwikkelaar en handelaar van industriële kleefstoffen (lijm) voor de papier- en kartonindustrie.
3.3.
[gedaagde] is de persoonlijke vennootschap van [naam 1] . [naam 1] was in 1993 de oprichter van Cordial. [gedaagde] hield voor de verkoop aan IAG 80% van de aandelen in Cordial. [bedrijf 1] hield de overige 20% van de aandelen in Cordial. [bedrijf 1] is de persoonlijke vennootschap van [naam 2] . [naam 2] heeft bij de overname geherinvesteerd en houdt nu 10 % van de aandelen. Hij is inmiddels ook bestuurder van Cordial.
3.4.
Andere relevante personen en bedrijven in relatie tot Cordial zijn:
  • Shali Chem. & Art. I/E Co. Limited (Shali), een Chinese leverancier van grondstoffen aan Cordial;
  • Sappi Europe SA (Sappi), de grootste klant van Cordial. Over grondstoffen die in China worden ingekocht en die worden doorverkocht aan een partij binnen Europa, moest de tussenschakel (Cordial) normaal gesproken een antidumpingheffing van 55,7% betalen. Sappi beschikte echter over een vrijstelling (hierna ook: de AD-vrijstelling), zodat dat niet gold bij doorverkoop aan Sappi. In 2023 heeft Sappi echter besloten niet langer gebruik te maken van die vrijstelling;
  • mevrouw [naam 3] was business controller bij Cordial en is kort voor de overname CFO van Cordial geworden. Zij heeft ook na de overname nog bij Cordial gewerkt, maar werkt daar inmiddels niet meer;
  • de heer [naam 4] was adviseur van [gedaagde] bij de overname; en
  • de heer [naam 5] was en is de externe registeraccountant van Cordial.
3.5.
Begin 2022 is IAG met [gedaagde] en [bedrijf 1] in overleg getreden over de (mogelijke) overname van Cordial.
3.6.
In de zomer van 2022 heeft IAG met haar adviseurs een due diligence onderzoek uitgevoerd naar de financiële, fiscale, juridische, commerciële en operationele positie van Cordial, resulterend in het due diligence rapport van 27 juli 2022.
3.7.
Eind oktober 2022 is er tussen de verkopers en IAG contact geweest over een fout bij een bestelling grondstoffen bij Shali ter waarde van ongeveer $ 4 miljoen. [naam 4] heeft IAG hierover per e-mail van 25 oktober 2022 als volgt bericht:
“In de vakantieperiode heeft Shali een aantal orders [ordernummer 1] (wordt gebruikt voor Sappi orders) en [ordernummer 2] (voor meerdere klanten geschikt) te vroeg verscheept.
Het probleem is echter dat in de vakantieperiode de organisatie niet goed heeft gewerkt cq niet alert genoeg is geweest en heeft de afroep daadwerkelijk bevestigd.Dit betekent dat in ronde bedragen $ 4 miljoen deze kant opgaat cq al op het schip is terwijl we ze liever later hadden gehad (over het jaar heen).
Van de 4 miljoen is 3 miljoen [ordernummer 1] welke voor Sappi wordt gebruikt.Sappi heeft contract verlengd tot 1 juli 2023 en de hoeveelheden die komen worden ook afgenomen door Sappi misschien moet nog worden bijbesteld.”
3.8.
Op 10 januari 2023 hebben de verkopers de concept jaarrekening van Cordial over het boekjaar 2022 aan IAG verstrekt.
3.9.
Op 7 maart 2023 hebben de verkopers een disclosure letter aan IAG verstrekt.
3.10.
Op 16 maart 2023 hebben de verkopers de jaarrekening van Cordial over 2021 en tussentijdse cijfers over februari 2023 aan IAG verstrekt.
3.11.
Partijen hebben de koopovereenkomst uiteindelijk op 12 april 2023 ondertekend (de Koopovereenkomst). In artikel 8.2 van de Koopovereenkomst zijn partijen overeengekomen dat de verkopers jegens IAG aansprakelijk zijn voor de schade indien op enig moment blijkt dat sprake is van een inbreuk op de garanties. De garanties zijn opgenomen in bijlage 1.8 bij de Koopovereenkomst. De voor dit geschil relevante garanties gaan vooral over de juistheid van de door verkopers aan IAG verstrekte informatie en cijfers. In dat verband is van belang dat in de koopovereenkomst is bepaald dat informatie is bekendgemaakt als deze is verstrekt in de due diligence informatie, in de overeenkomst, of in de disclosure letter. Onder ‘due diligence informatie’ moet volgens artikel 1.1 van de Koopovereenkomst worden verstaan
“de schriftelijke informatie die door of namens de Verkopers of de Vennootschap in het kader van het Due Diligence Onderzoek aan Koper in de virtuele data room(…)
ter beschikking is gesteld(…)
”.
3.12.
Ten tijde van de verkoop is een bedrag van € 1 miljoen van de koopsom nog niet voldaan aan [gedaagde] . Daarvoor heeft zij een Verkoperslening verstrekt aan IAG, die is achtergesteld ten opzichte van de overnamefinanciering van Rabobank (de Achterstellingsovereenkomst). In artikel 7 van Pro de Verkoperslening is opgenomen dat IAG gedurende de looptijd van de lening elk jaar een kopie van de jaarrekening aan [gedaagde] zal verstrekken, en elk kwartaal de tussentijdse financiële gegevens zal verstrekken, zoals die ook aan de bank worden verstrekt. In artikel 5.1 onder (vi) van de Verkoperslening staat dat [gedaagde] de lening met onmiddellijke ingang kan opzeggen indien IAG in verzuim is met de nakoming van haar materiële verplichtingen krachtens de Verkoperslening
3.13.
De definitieve jaarrekening van Cordial over 2022 is vastgesteld op 26 februari 2024.
3.14.
[gedaagde] heeft IAG in 2024 diverse keren schriftelijk gesommeerd om de in artikel 7 van Pro de Verkoperslening genoemde financiële informatie te verstrekken.

4.Het geschil

In conventie
4.1.
IAG c.s. vorderen, samengevat en na wijziging van eis, dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
[gedaagde] veroordeelt tot betaling van een bedrag van 80% van € 3.169.383, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, al dan niet door een door de rechtbank aan te wijzen deskundige, vermeerderd met de wettelijke (handels)rente over dit bedrag;
[gedaagde] veroordeelt tot betaling van een bedrag van 80% van € 1.174.692, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, al dan niet door een door de rechtbank aan te wijzen deskundige, vermeerderd met de wettelijke (handels)rente over dit bedrag;
[gedaagde] veroordeelt tot betaling van een bedrag van 80% van € 1.204.626, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, al dan niet door een door de rechtbank aan te wijzen deskundige, vermeerderd met de wettelijke (handels)rente over dit bedrag;
[gedaagde] veroordeelt tot betaling van € 6.775 aan buitengerechtelijke incassokosten; en
[gedaagde] veroordeelt in de proceskosten.
4.2.
IAG c.s. leggen aan hun vorderingen – samengevat – het volgende ten grondslag. [gedaagde] heeft de garanties in bijlage 1.8 bij de Koopovereenkomst geschonden en is op grond van artikel 8.2 van de Koopovereenkomst verplicht om de schade die IAG c.s. daardoor hebben geleden te vergoeden. [gedaagde] heeft IAG niet of onvoldoende geïnformeerd over:
  • i) het achterwege laten van herwaarderingen van de voorraad van Cordial vanaf oktober 2022,
  • ii) de waarde van de uitstaande orders; en
  • iii) de strategiewijziging van Sappi ten aanzien van de AD-vrijstelling,
waardoor IAG geen verantwoord oordeel heeft kunnen vormen over de financiële positie van Cordial.
4.3.
De onder 1 gevorderde schadevergoeding is gebaseerd op het verschil tussen de waardering van de voorraad in de concept jaarrekening 2022 (€ 16.052.381) en de waardering daarvan in de definitieve jaarrekening 2022 (€ 12.882.998). [1]
De onder 2 gevorderde schadevergoeding is het bedrag waarvoor [gedaagde] volgens de berekening van IAG c.s. een voorziening had moeten opnemen vanwege afwaardering van de uitstaande orders. De onder 3 gevorderde schadevergoeding is het bedrag dat Cordial na de overname aan antidumpingheffing heeft voldaan en waarvoor [gedaagde] eveneens een voorziening in de concept jaarrekening 2022 had moeten opnemen, aldus steeds IAG c.s.
4.4.
[gedaagde] betwist dat zij relevante informatie voor IAG heeft achtergehouden. Alle omstandigheden die IAG c.s. aan de gestelde garantieschendingen ten grondslag hebben gelegd, heeft [gedaagde] vooraf – in de digitale dataroom of anderszins – aan IAG bekendgemaakt. De cijfers die [gedaagde] aan IAG heeft verstrekt, waaronder de concept jaarrekening 2022, waren op basis van de toen bekende informatie juist. [gedaagde] voert daarnaast het verweer dat IAG c.s. haar niet tijdig hebben ingelicht over de gestelde garantieschendingen. Als zij dat wel hadden gedaan, dan had [gedaagde] kunnen helpen bij het oplossen van de ontstane problemen, bijvoorbeeld door contact op te nemen met Sappi, en was de (gestelde) schade niet ontstaan. [gedaagde] betwist ook dat IAG c.s. daadwerkelijk schade hebben geleden.
In reconventie
4.5.
[gedaagde] vordert in reconventie dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, voor recht verklaart dat de Verkoperslening is opgezegd en per 23 april 2025 (de datum van de conclusie van antwoord) opeisbaar is geworden, zonder dat daarmee afbreuk wordt gedaan aan de Achterstellingsovereenkomst.
4.6.
[gedaagde] legt aan deze vordering ten grondslag dat IAG de informatieverplichting in artikel 7 van Pro de Verkoperslening heeft geschonden, omdat IAG, ondanks herhaalde verzoeken daartoe, nooit vastgestelde jaarrekeningen en tussentijdse kwartaalcijfers aan haar heeft verstrekt. Dit verzuim levert op grond van artikel 5.1 sub (vi) van de Verkoperslening een onmiddellijke opzeggings- en opeisingsgrond op.
4.7.
IAG voert tegen deze vordering, samengevat, het volgende verweer. [gedaagde] heeft geen belang bij de gevorderde verklaring voor recht, omdat de achterstelling ten opzichte van de overnamefinanciering van Rabobank verhindert dat IAG overgaat tot terugbetaling van de verkoperslening. IAG betwist ook dat zij niet heeft voldaan aan de informatieverplichting van artikel 7 van Pro de Verkoperslening. Zij betwist bovendien dat artikel 7 van Pro de Verkoperslening een materiële verplichting inhoudt. Ook is het beroep van [gedaagde] op de opeisbaarheid van de Verkoperslening naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar.

5.De beoordeling

In conventie
5.1.
Inleiding
5.1.1.
De vorderingen van IAG c.s. zijn gekoppeld aan de volgende drie onderwerpen:
  • i) het achterwege laten van herwaarderingen van de voorraad vanaf oktober 2022;
  • ii) de waardering van de uitstaande orders; en
  • iii) de strategiewijziging van Sappi ten aanzien van de AD-vrijstelling.
5.1.2.
IAG c.s. betogen, samengevat, dat [gedaagde] over deze onderwerpen niet of onvoldoende transparant is geweest en deze niet juist zijn verwerkt in de door [gedaagde] op 10 januari 2023 verstrekte concept jaarrekening 2022. Hierdoor is sprake van schending van de garanties onder 1.4, 5.2.2, 6 sub (i) en (v), 7.7 en/of 23.1 van bijlage 1.8 bij de Koopovereenkomst. De garanties waarop IAG c.s. zich beroepen worden hierna weergeven en de rechtbank zal daarna beoordelen of [gedaagde] deze heeft geschonden.
5.2.
De garanties
Artikel 1.4 van bijlage 1.8 bij de Koopovereenkomst luidt:
“Verkopers hebben aan Koper alle relevante informatie verstrekt betreffende de (onderneming) van de Groep en haar activiteiten waarvan de Verkopers redelijkerwijze weten of behoren te weten dat die van belang is of zou kunnen zijn voor een potentiële koper van (een deel van de onderneming) van de Groep.”
Artikel 5.2.2 van bijlage 1.8 bij de Koopovereenkomst luidt:
“De Tussentijdse Cijfers zijn juist en accuraat en geven een zodanig inzicht dat een verantwoord oordeel kan worden gevorm over de financiële positie van de Groep en in de periode vanaf de Effectieve Datum(1 januari 2022, toevoeging rechtbank)
tot en met 28 februari 2023.”
Artikel 6 sub Pro (i) en (v) van bijlage 1.8 bij de Koopovereenkomst luidt:
“Sinds de Balansdatum:
(i) is de bedrijfsvoering van de Groep op de gebruikelijke wijze voortgezet en zijn de activiteiten van de Groep op de gebruikelijke wijze verricht;
(…)
(v) heeft de Groep geen handelingen of transacties verricht anders dan die tot de normale en bestendige bedrijfsvoering behoren en is de Groep geen Overeenkomsten of verplichtingen aangegaan buiten de normale en bestendige bedrijfsvoering”
Artikel 7.7 van bijlage 1.8 bij de Koopovereenkomst:
“Voor zover de Groepsvennootschappen Belastingen verschuldigd zijn op de Effectieve Datum, maar deze nog niet heeft betaald of niet is voldaan aan het bepaalde in Garantie 7.1, is een adequate voorziening opgenomen in de Jaarrekening.”
Artikel 23.1 van bijlage 1.8 bij de Koopovereenkomst:
“Alle door of namens Verkopers aan Koper of haar adviseurs verstrekte informatie (waaronder de in het kader van het Due Diligence Onderzoek door of namens Verkopers beschikbaar gestelde documenten, de antwoorden en mededelingen van Verkopers en de Directie in dit kader, en de Koopovereenkomst met de daarbij behorende bijlagen) is juist, correct en in geen enkel opzicht misleidend.”
5.3.
Het achterwege laten van herwaarderingen van de voorraad (i) en de uitstaande orders (ii)
5.3.1.
IAG c.s. stellen over de voorraad en uitstaande orders, samengevat, het volgende. De voorraad grondstoffen wordt binnen Cordial gewaardeerd tegen de laatst bekende inkoopprijs of de lagere opbrengstwaarde. In 2021 en de eerste helft van 2022 heeft Cordial de voorraad ook daadwerkelijk steeds geherwaardeerd, aan de hand van de – op dat moment stijgende – grondstofprijzen. Cordial heeft vanaf oktober 2022 echter doelbewust geen herwaarderingen van de voorraad meer uitgevoerd, terwijl dit volgens haar eigen beleid wel had gemoeten en zij wist dat de grondstofprijzen in deze periode sterk zijn gedaald. Daardoor is in de concept jaarrekening 2022 een (veel) te hoge waarde van de voorraad grondstoffen opgenomen, waardoor deze jaarrekening een misleidend beeld heeft geschetst.
De concept jaarrekening had ook een voorziening voor uitstaande orders moeten bevatten, omdat al bekend was dat Cordial – gelet op de noodzakelijke herwaardering van de voorraad – verlies zou maken op de per 31 december 2022 uitstaande inkooporders. [gedaagde] heeft gelet op het voorgaande de garanties onder 1.4, 5.2.2, 6 (i) en (v) en 23.1 van bijlage 1.8 bij de Koopovereenkomst geschonden, aldus steeds IAG c.s.
5.3.2.
[gedaagde] voert hiertegen, samengevat, het volgende aan. De voorraad binnen Cordial werd gewaardeerd tegen de inkoopprijs of lagere opbrengstwaarde. De opbrengstwaarde zou echter niet lager zijn dan de inkoopprijs omdat de opbrengstwaarde voor een groot deel van de voorraad al voor langere tijd vaststond. Cordial had met haar klant Sappi namelijk afgesproken dat Sappi deze voorraad tot en met september 2023 tegen een vaste prijs zou afnemen. Cordial had ook al een oplossing gevonden voor de overige voorraad, waardoor alle voorraad eind juli 2023 tegen een gezonde marge kon worden uitgeleverd. De voorraad kon om deze reden tegen de inkoopprijs worden gewaardeerd, die eveneens vaststond. Dit geldt ook voor de uitstaande orders. Beide zaken zijn in de concept jaarrekening 2022 dus juist verwerkt. Dat de definitieve jaarrekening 2022 daarvan afwijkt, doet hier niet aan af, omdat de accountant daarbij ook rekening heeft gehouden met omstandigheden gelegen na de overname, waarvoor [gedaagde] niet verantwoordelijk is. Uit de definitieve jaarrekening 2022 blijkt bovendien dat Cordial de hogere grondstofprijzen heeft kunnen doorbelasten aan haar afnemers en daardoor een positief operationeel resultaat heeft gerealiseerd. In die jaarrekening is ook geen voorziening opgenomen voor uitstaande orders. Van enige schade is dan ook geen sprake, aldus steeds [gedaagde] .
5.3.3.
De rechtbank moet dus beoordelen of [gedaagde] een of meer garanties heeft geschonden doordat er vanaf oktober 2022 – in boekhoudkundige zin – geen herwaardering van de voorraad meer heeft plaatsgevonden en er daardoor in de concept jaarrekening 2022 een te lage voorraadwaarde is opgenomen. Als dit het geval blijkt, is de vraag of in de concept jaarrekening 2022 ook een voorziening voor de uitstaande orders had moeten worden opgenomen, omdat de waardering daarvan kennelijk aan de waarde van de voorraad is gekoppeld.
5.3.4.
Uit de definitieve jaarrekening 2022 blijkt dat de voorraad per eind 2022 inderdaad ruim € 3 miljoen lager is gewaardeerd dan in de concept jaarrekening. [gedaagde] heeft haar toelichting op de waardering van de voorraad echter onderbouwd met een e-mail van Sappi aan Cordial van 23 januari 2023, waarin Sappi schrijft:
“I’m very happy to give you the volume for these prices until end of September. Please let me know in advance we have used up our incumbent volume so as to allow me to put the new prices in the system on time. Hoping to eat this volume asap.”Het is niet in geschil dat deze e-mail in de dataroom is opgenomen. Bovendien heeft [gedaagde] verwezen naar een e-mail van De Kimpe van 15 maart 2023, die ook is opgenomen in de dataroom, waarin hij bevestigt dat de concept jaarrekening van 2022 is gebaseerd op dezelfde grondslagen als de gecontroleerde jaarrekening 2021. Tot slot is van belang dat de definitieve jaarrekening over 2022 pas in 2024 is vastgesteld. Volgens [gedaagde] zijn daarbij ook ontwikkelingen van na de overname, zoals bijvoorbeeld tegenvallende verkopen, meegenomen. Uit het dossier blijkt echter niet in hoeverre hiervan sprake is geweest.
5.3.5.
De rechtbank kan bij deze stand van zaken niet vaststellen of de door [gedaagde] aan IAG verstrekte concept jaarrekening 2022 ten aanzien van de waarde van de voorraad onjuist is geweest. De bewijslast ten aanzien van deze stelling rust op IAG c.s. De rechtbank zal hen daarom opdracht geven om deze stelling te bewijzen (waarover hierna meer).
5.3.6.
Voor het geval na bewijslevering zou komen vast te staan dat de concept jaarrekening 2022 onjuist was, omdat daarin de voorraad niet was geherwaardeerd, bespreekt de rechtbank nu al de verweren van [gedaagde] .
5.3.7.
Het verweer dat [gedaagde] voorafgaand aan de verkoop van de aandelen aan IAG c.s. heeft gemeld dat er niet was geherwaardeerd gaat niet op. Zelfs als IAG uit de e-mails waarnaar [gedaagde] heeft verwezen had moeten afleiden dat er niet was geherwaardeerd, doet dat er immers niet aan af dat de concept jaarrekening in dat geval onjuist was. Dat levert dan hoe dan ook een schending op van de garantie onder 23.1 van bijlage 1.8 bij de Koopovereenkomst.
5.3.8.
Ook het verweer dat IAG c.s. te laat hebben geklaagd over de garantieschending slaagt niet. Artikel 8.3 van de Koopovereenkomst bepaalt dat IAG verkopers ingeval van een inbreuk op de garanties zo spoedig als redelijkerwijs mogelijk, maar in ieder geval binnen 20 dagen na de ontdekking van de omstandigheden die tot die inbreuk op de garanties aanleiding geven, schriftelijk alle haar redelijkerwijs bekende en relevante informatie hierover zal verschaffen. Mocht IAG met deze informatieplicht in gebreke blijven, dan zal dit de rechten van IAG en Cordial niet aantasten, behoudens voor zover het verzuim direct leidt tot additionele schade. De rechtbank is van oordeel dat specifiek met betrekking tot een eventuele onjuistheid in de concept jaarrekening niet is gebleken dat een eventuele te late melding tot additionele schade zou hebben geleid. Dan geldt dat de eventuele te late melding de rechten van IAG en Cordial niet aantast en dat het beroep op dit artikel [gedaagde] dus niet kan baten.
5.3.9.
Dat er in het geval van een onjuiste concept jaarrekening óók sprake zou zijn van schending van de garanties onder 1.4, 6 (i) en (v) is onvoldoende gebleken. Voor zover het achterwege laten van herwaarderingen kwalificeert als een afwijking van de gebruikelijke bedrijfsvoering, en [gedaagde] daarover tegenover IAG onvoldoende transparant is geweest, geldt bovendien dat IAG c.s. aan die stelling geen andere vordering hebben verbonden dan de schadevergoedingsvordering onder 1., waarvan de hoogte alleen is gegrond op het verschil tussen de voorraadwaardering in de concept jaarrekening 2022 en de definitieve jaarrekening 2022. Als het achterwege laten van herwaarderingen al zou leiden tot schending van de garanties onder 1.4, 6 (i) en/of (v), is dus niet gebleken dat IAG c.s. daardoor – anders dan gevorderd onder 1. – schade hebben geleden.
5.3.10.
Over de uitstaande orders overweegt de rechtbank anders dan over de voorraad. Dit betoog van IAG c.s. hangt samen met het betoog over de waarde van de voorraad. [gedaagde] heeft er echter terecht op gewezen dat de definitieve jaarrekening 2022 geen voorziening bevat voor de uitstaande orders. Er is dan ook niet gebleken dat vanwege de uitstaande orders schade is geleden naast de hiervoor gestelde schade ten aanzien van de voorraad. De bij eiswijziging aan de vordering toegevoegde zin dat de schade ook kan worden vastgesteld door een door de rechtbank aan te wijzigen deskundige is daarvoor onvoldoende. Vordering 2. zal dan ook (bij eindvonnis) worden afgewezen.
5.4.
De strategiewijziging van Sappi ten aanzien van de AD-vrijstelling (iii)
5.4.1.
IAG c.s. stellen over de strategiewijziging van Sappi ten aanzien van de AD-vrijstelling, samengevat, het volgende. Sappi had tot en met 2022 van deze vrijstelling gebruikgemaakt, maar is hiermee na de overname (gedeeltelijk) gestopt. Hierdoor heeft Cordial na de overname over de aan Sappi geleverde producten € 1.204.626 aan antidumpingheffing moeten betalen. [gedaagde] is gedurende het overnametraject bewust niet transparant geweest over deze – op dat moment al bekende – strategiewijziging van Sappi en heeft daarvoor ten onrechte geen voorziening in de concept jaarrekening 2022 opgenomen. In een concept disclosure letter van 20 februari 2023 stond nog wel een passage over voornoemde strategiewijziging van Sappi, maar deze is vervolgens niet in de definitieve disclosure letter opgenomen. [gedaagde] heeft hiermee de garanties onder 1.4, 5.2, 7.7 en 23.1 van bijlage 1.8 bij de Koopovereenkomst geschonden, aldus steeds IAG c.s..
5.4.2.
[gedaagde] voert hiertegen, samengevat, het volgende aan. Cordial en Sappi hebben gedurende het overnametraject contact gehad over de strategiewijziging ten aanzien van de AD-vrijstelling en [naam 4] heeft IAG daarvan op de hoogte gesteld. [gedaagde] doet daarmee een beroep op artikel 8.9.2 van de Koopovereenkomst, waarin staat dat de verkopers niet aansprakelijk zijn voor een inbreuk op de garanties voor zover de omstandigheid die aanleiding geeft tot een inbreuk aan de koper is geopenbaard in de bekendgemaakte informatie (zoals in de dataroom), waarbij geldt dat informatie uitsluitend geacht wordt te zijn geopenbaard, indien de feiten of omstandigheden die aanleiding geven tot een inbreuk op basis van een prima facie beoordeling van de bekendgemaakte informatie blijken.
5.4.3.
De rechtbank is van oordeel dat het beroep van [gedaagde] op artikel 8.9.2. van de Koopovereenkomst slaagt. IAG c.s. erkennen dat IAG tijdens het overnametraject bekend was met de
mogelijkheiddat Sappi eventueel geen gebruik meer zou gaan maken van de AD-vrijstelling. Dat betekent dat zij de relevantie moest inzien van de informatie die de verkopers daarover tijdens het verkoopproces verstrekten. Uit de e-mail van [naam 4] aan IAG van 11 januari 2023, die in de dataroom is geüpload, blijkt dat [naam 4] en IAG op 10 januari 2023 financiële cijfers van Cordial hebben besproken met daarin een voorziening van € 550.000 voor onder andere
“wijziging strategie over Sappi AD vrijstelling”.Bovendien heeft [gedaagde] gewezen op een e-mail van Cordial aan Sappi van 19 januari 2023, die ook is opgenomen in de dataroom. Daarin schrijft Cordial over
“the – sudden – decision from Sappi to move away from the AD”. Met deze e-mails heeft [gedaagde] naar het oordeel van de rechtbank voldoende onderbouwd dat zij de strategiewijziging aan IAG heeft gemeld en dat deze op basis van een prima facie beoordeling voor IAG kenbaar was. Het feit dat een concept versie van de disclosure letter een passage over deze strategiewijziging bevatte, die in de definitieve disclosure letter is geschrapt, is in dit licht ook geen reden om te concluderen dat [gedaagde] relevante informatie voor IAG heeft achtergehouden.
5.4.4.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft [gedaagde] ook de garantie onder 7.7 van bijlage 1.8 bij de Koopovereenkomst niet geschonden, omdat deze garantie ziet op door Cordial op de effectieve datum, te weten 1 januari 2022, verschuldigde belastingen en IAG c.s. niet hebben gesteld dat Cordial de uiteindelijk betaalde antidumpingheffingen destijds al verschuldigd was.
5.4.5.
[gedaagde] heeft er terecht op gewezen dat de definitieve jaarrekening 2022 geen voorziening bevat voor de te betalen antidumpheffing en dat ook niet is gebleken dat er in 2023 daadwerkelijk antidumpingheffing is betaald. Er is dus niet gebleken dat IAG c.s. vanwege de antidumpheffing schade hebben geleden. De bij eiswijziging aan de vordering toegevoegde zin dat de schade ook kan worden vastgesteld door een door de rechtbank aan te wijzigen deskundige is daarvoor onvoldoende. Er is dan ook geen aanleiding om verder te onderzoeken of sprake is van een schending van de garanties onder 5.2 en 23.1 van bijlage 1.8 bij de Koopovereenkomst.
5.4.6.
Dat de strategiewijziging van Sappi zou leiden tot een schending van garantie 6 (i) of (v) is onvoldoende toegelicht. Aan de verwijten van IAG c.s. aan [gedaagde] over de wijze waarop Cordial eind 2022 aan Sappi heeft vooruitgefactureerd, komt de rechtbank niet toe, omdat IAG c.s. daaraan geen vordering hebben gekoppeld. De conclusie is dat vordering 3. (bij eindvonnis) zal worden afgewezen.
5.5.
Conclusie in conventie
5.5.1.
De vorderingen 2. en 3. met betrekking tot de uitstaande orders en met betrekking tot de AD-vrijstelling zullen bij eindvonnis worden afgewezen. De rechtbank zal IAG c.s. opdracht geven om te bewijzen dat de door [gedaagde] aan IAG verstrekte concept jaarrekening 2022 op basis van de toen bekende informatie onjuist was, omdat de voorraad op een bedrag van € 12.882.998 gewaardeerd had moeten zijn, of in elk geval lager dan € 16.052.381.
5.5.2.
Normaal gesproken zou de rechtbank bij een dergelijke bewijsopdracht een deskundige op het gebied van jaarrekeningen, bij voorkeur een registeraccountant, benoemen. In dit geval geldt echter dat de concept jaarrekening en de definitieve jaarrekening 2022 zijn opgesteld door dezelfde registeraccountant, De Kimpe. Bovendien was [naam 3] , die vanaf februari 2023 CFO van Cordial was, ten tijde van het opstellen van de concept jaarrekening ook al op de hoogte van de financiën, namelijk als business controller. De rechtbank kan zich dan ook voorstellen dat IAG c.s. in dit geval het bewijs mogelijk ook zou kunnen leveren door het horen van (onder andere) De Kimpe en/of [naam 3] als getuigen. De rechtbank zal de zaak naar de rol verwijzen om IAG c.s. in de gelegenheid te stellen zich uit te laten over de wijze waarop zij het bewijs willen leveren.
5.5.3.
Voor het geval IAG c.s. het bewijs willen leveren door middel van een deskundige, geldt het volgende.
5.5.4.
De rechtbank is voorlopig van oordeel dat kan worden volstaan met de benoeming van één deskundige op het gebied van jaarrekeningen, bij voorkeur een registeraccountant, en dat de volgende vragen moeten worden gesteld:
1. Is de voorraad in de concept jaarrekening 2022 op basis van de toen bekende informatie juist gewaardeerd? Zo nee, hoe had de voorraad op dat moment moeten worden gewaardeerd?
2. Hebben zich in 2023 of 2024 omstandigheden voorgedaan die van invloed zijn op de wijze waarop de voorraad in de definitieve jaarrekening is gewaardeerd? Zo ja, wat zijn die omstandigheden en op welke wijze zijn die van invloed geweest op de waardering van de voorraad?
3. Zijn er nog andere punten die u naar voren wilt brengen waarvan de rechter volgens u kennis moet nemen bij de verdere beoordeling?
5.5.5.
De rechtbank ziet geen aanleiding om af te wijken van het uitgangspunt in de wet dat het voorschot op de kosten van de deskundige door de eisende partij moet worden betaald. Dit voorschot moet daarom door IAG c.s. worden betaald.
5.5.6.
In het eindvonnis zal de rechtbank beslissen wie van partijen uiteindelijk de kosten van de deskundige moet betalen.
5.5.7.
De rechtbank gaat ervan uit dat partijen in onderling overleg overeenstemming bereiken over de persoon die als deskundige gaat optreden. Voor zover partijen daarover geen overeenstemming kunnen bereiken en om die reden iedere partij een deskundige voorstelt, moeten partijen gemotiveerd aangeven waarom zij de voorkeur geven aan de door henzelf voorgestelde deskundige en waarom de door de wederpartij voorgestelde deskundige niet voor benoeming in aanmerking mag komen. Daarbij valt te denken aan zwaarwegende redenen als gebrek aan deskundigheid of gerechtvaardigde twijfels met betrekking tot de onpartijdigheid van de deskundige. Die zwaarwegende redenen moeten worden onderbouwd. De rechtbank zal dan, na weging van de onderbouwing vóór en tegen de benoeming van een potentiële deskundige, een door partijen aangedragen deskundige of een eigen deskundige benoemen.
5.5.8.
De rechtbank zal de zaak naar de rol verwijzen, zodat partijen zich hierover bij akte kunnen uitlaten. Partijen moeten de concept-akte uiterlijk een week vóór de roldatum naar elkaar toesturen, zodat zij in hun definitieve akte op de akte van de wederpartij kunnen reageren.
5.5.9.
Indien IAG c.s. het bewijs willen leveren door het horen van getuigen, zijn de vervolgstappen vermeld in de beslissing.
5.5.10.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
In reconventie
5.6.
De rechtbank laat in het midden of [gedaagde] , ondanks de achterstelling van de Verkoperslening, belang heeft bij de gevorderde verklaring voor recht. De vordering in reconventie wordt namelijk afgewezen omdat de informatieplicht uit artikel 7 van Pro de Verkoperslening geen materiële verplichting inhoudt in de zin van artikel 5.1 onder (vi) van de Verkoperslening. De rechtbank licht dat als volgt toe.
5.7.
Uit de opbouw van de overeenkomst blijkt dat daarin eerst de belangrijkste verbintenissen van partijen zijn weergegeven (verstrekken van de lening, verschuldigdheid van rente en terugbetalingstermijn) en daarna de vervroegde opeisbaarheid in geval niet aan een van de materiële verplichtingen is voldaan. Pas daarná is de informatieplicht opgenomen. Mede gelet op het feit dat de lening is achtergesteld bij de overnamefinanciering van de Rabobank, en de terugbetaling dus pas hoeft plaats te vinden na aflossing van die financiering, is de rechtbank van oordeel dat de informatieplicht niet is aan te merken als een materiële verplichting. De vordering in reconventie wordt dus (in het eindvonnis) afgewezen.
5.8.
Omdat [gedaagde] in reconventie in het ongelijk is gesteld, zal zij (in het eindvonnis) worden veroordeeld in de proceskosten in reconventie. Die kosten worden begroot op € 1.406,00 (2 punten x tarief € 614,00 en € 178,00 aan nakosten), plus een verhoging in geval van betekening van het vonnis. De wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen vanaf veertien dagen na aanschrijving.

6.De beslissing

De rechtbank
6.1.
draagt IAG c.s. op te bewijzen dat de door [gedaagde] aan IAG verstrekte concept jaarrekening 2022 op basis van de toen bekende informatie onjuist was, omdat de voorraad op een bedrag van € 12.882.998 gewaardeerd had moeten zijn, of in elk geval lager dan € 16.052.381,
6.2.
bepaalt dat de zaak op de rol komt van
woensdag 28 januari 2026voor uitlating door IAG c.s. of zij bewijs willen leveren door middel van een deskundigenbericht, door het overleggen van bewijsstukken, door het horen van getuigen en/of door een ander bewijsmiddel,
6.3.
bepaalt dat, als IAG c.s. het bewijs willen leveren door middel van een
deskundigenbericht, de zaak wordt
verwezen naar de rol op een termijn van nog eens vier weken, voor uitlating
beide partijenover de persoon van de deskundige (met inachtneming van hetgeen hiervoor onder 5.5.7 is overwogen) en over de aan de deskundige te stellen vragen (zie 5.5.4), en bepaalt dat partijen hun concept-akte uiterlijk een week vóór de roldatum naar elkaar moeten toesturen, zodat zij in hun definitieve akte op de akte van de wederpartij kunnen reageren (zie 5.5.8),
6.4.
bepaalt dat, als IAG c.s.
bewijsstukkenwillen overleggen, zij die stukken dan op de rol van
woensdag 28 januari 2026direct in het geding moeten brengen,
6.5.
bepaalt dat IAG c.s., indien zij
getuigenwillen laten horen, zij op de rol van
woensdag 28 januari 2026de getuigen en de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten in de maanden maart tot en met juni 2026 moeten opgeven, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald,
6.6.
bepaalt dat een eventueel getuigenverhoor zal plaatsvinden op de zitting van een nog aan te wijzen rechter van deze rechtbank, in het gerechtsgebouw te Amsterdam, Parnassusweg 280,
6.7.
bepaalt, in het geval van een getuigenverhoor, dat
alle partijenuiterlijk twee weken voor het eerste getuigenverhoor
alle beschikbare bewijsstukkenaan de rechtbank en de wederpartij moeten toesturen,
6.8.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.J. Schaberg, rechter, bijgestaan door mr. W.B. Fonville, en in het openbaar uitgesproken op 31 december 2025.

Voetnoten

1.€ 16.052.381 – € 12.882.998 = € 3.169.383.