ECLI:NL:RBAMS:2025:10778

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
24 december 2025
Publicatiedatum
8 januari 2026
Zaaknummer
C/13/765268 / HA ZA 25-686
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Schadevergoedingsuitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 20 FwArt. 23 FwArt. 24 FwArt. 6:119 BWArt. 3:35 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bank moet bedrag van ruim €314.000 afdragen aan curator wegens onbevoegde betalingen na faillissement

Op 11 december 2018 werd [gefailleerde] failliet verklaard. Bunq hield toen acht bankrekeningen aan voor hem, die zij op 18 december 2018 blokkeerde. De curator verzocht in januari 2019 om één rekening te deblokkeren, maar bunq activeerde het gehele account, waardoor [gefailleerde] over al zijn rekeningen kon beschikken en nieuwe kon openen. Hierdoor werden tussen 4 maart en 21 oktober 2019 betalingen van in totaal €314.902,37 ontvangen en afgeschreven zonder medeweten van de curator.

De curator vorderde dit bedrag van bunq op grond van de Faillissementswet en jurisprudentie, stellende dat bunq de rekeningen geblokkeerd had moeten houden. Bunq betwistte dit en stelde dat zij handelde op verzoek van de curator en dat de betalingen niet tot benadeling van de boedel leidden omdat het saldo niet was verminderd.

De rechtbank oordeelde dat bunq het verzoek van de curator verkeerd had geïnterpreteerd door het hele account te activeren in plaats van één rekening. Hierdoor was [gefailleerde] niet bevoegd tot de betalingsopdrachten. De rechtbank verwierp het betoog van bunq dat alleen debiteringen die het faillissementsvermogen verminderen relevant zijn en dat de betalingen ten titel van geldlening waren. Bunq moest het volledige bedrag aan de boedel afdragen.

Verder werd het verweer van bunq dat de curator het betalingsverkeer niet had gemonitord en dat de vordering misbruik van recht was, verworpen. Ook matiging van het bedrag werd afgewezen. Bunq werd veroordeeld tot betaling van het bedrag, wettelijke rente, buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Bunq wordt veroordeeld tot betaling van €314.902,37 plus rente en kosten aan de curator wegens onbevoegde betalingen na faillissement.

Uitspraak

RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht
Zaaknummer: C/13/765268 / HA ZA 25-686
Vonnis van 24 december 2025
in de zaak van
MARIA DIEKE BERTINE STAP QQ,
in haar hoedanigheid van curator in het faillissement van [gefailleerde] ,
kantoorhoudende in Utrecht ,
eiseres,
hierna te noemen: de curator,
advocaat: mr. T.H. Roelen,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
BUNQ B.V.,
gevestigd in Amsterdam,
gedaagde,
hierna te noemen: bunq (of de bank),
advocaat: mr. L.J.J. Kerstens.

1.Samenvatting

1.1.
[gefailleerde] is op 11 december 2018 in staat van faillissement verklaard. Hij hield op dat moment bij bunq acht bankrekeningen aan in zijn
‘personal bunq account’. De curator heeft bunq begin maart 2019 benaderd met het verzoek om een van de rekeningen op naam van [gefailleerde] te deblokkeren. Uiteindelijk heeft bunq het account gedeblokkeerd, waardoor [gefailleerde] al zijn rekeningen bij bunq (tijdelijk) weer heeft kunnen gebruiken en nieuwe rekeningen heeft kunnen openen. [gefailleerde] heeft vervolgens buiten het zicht van de curator voor een bedrag van opgeteld € 314.902,37 aan betalingen op deze rekeningen ontvangen en weer afgeschreven/opgenomen. De curator vordert dit bedrag in deze procedure van bunq. De curator grondt haar vordering op artikel 20, 23 en 24 van de Faillissementswet (Fw) en de jurisprudentie van de Hoge Raad, waaruit volgens haar volgt dat bunq de rekeningen op naam van [gefailleerde] geblokkeerd had moeten houden en het totaal aan debiteringen aan de boedel moet afdragen. bunq betwist de vordering van de curator en zegt dat de bank het account, en dus alle rekeningen van [gefailleerde] , op verzoek van de curator en conform de voorwaarden van bunq heeft gedeblokkeerd. Ook betwist bunq dat de wettelijke bepalingen en jurisprudentie waarop de curator zich beroept meebrengen dat bunq gehouden is het gevorderde bedrag aan de boedel af te dragen.
1.2.
De vordering van de curator zal worden toegewezen, omdat bunq niet het hele account van [gefailleerde] had mogen activeren, de op de rekeningen op naam van [gefailleerde] bijgeschreven bedragen tot het vermogen van de failliet ( [gefailleerde] ) behoren en de daaropvolgende debiteringen onbevoegd zijn gedaan. bunq is daarom verplicht het totaalbedrag aan debiteringen aan de boedel af te dragen.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 17 februari 2025 met producties;
- de conclusie van antwoord met producties;
- het tussenvonnis van 16 juli 2025 waarin een mondelinge behandeling is bepaald;
- het verkort proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 28 oktober 2025 en de daarin genoemde stukken.

3.De feiten

3.1.
Het faillissement van [gefailleerde] (hierna: [gefailleerde] ) is op 11 december 2018 uitgesproken met benoeming van de curator tot curator.
3.2.
bunq is een Nederlandse online bank. Een van de opties die bunq haar klanten biedt, is de mogelijkheid om in een
‘personal bunq account’zelf nieuwe IBAN nummers te creëren. Klanten die een dergelijk account hebben, kunnen daarin (afhankelijk van het type account) tot 25 IBAN nummers aanmaken.
3.3.
[gefailleerde] beschikte op de dag van de faillietverklaring over een
personal bunq accountmet acht IBAN nummers (hierna: het account). Op 18 december 2018 heeft bunq het account geblokkeerd voor debiteringen.
3.4.
De curator heeft bunq op 2 en 4 januari 2019 per e-mail verzocht om de bankrekeningen van [gefailleerde] geblokkeerd te houden voor debiteringen.
3.5.
Op 4 januari 2019 heeft bunq per e-mail aan de curator bevestigd dat de rekeningen van [gefailleerde] zijn geblokkeerd en de mutatieoverzichten van zeven rekeningen verstrekt.
3.6.
De curator heeft bunq per e-mail van 28 februari 2019 verzocht om de rekening met rekeningnummer [rekeningnummer 1] te deblokkeren. bunq heeft hierop dezelfde dag gereageerd dat deze rekening is geannuleerd en zij de andere rekeningen van [gefailleerde] wel weer kan openen. De curator heeft hierop per e-mail van 1 maart 2019 gevraagd of het mogelijk is om de rekening met rekeningnummer [rekeningnummer 2] te activeren, waarop bunq op 4 maart 2019 heeft gereageerd dat zij het account heeft geactiveerd. Deze
e-mails luiden als volgt:
de curator aan bunq op 28 februari 2019 om 16:09 uur
“Hierdoor verzoek ik u vriendelijk de rekening met rekeningnummer [rekeningnummer 1] te deblokkeren. Gefailleerde zal deze rekening weer gaan gebruiken. Gefailleerde mag niet rood staan bij deze rekening.”
bunq aan de curator op 28 februari 2019 om 18:06 uur
“Die rekening is geannuleerd. Andere rekeningen van de heer [gefailleerde] kunnen we wel weer openen.
Graag horen we of dit oké is.”
de curator aan bunq op 1 maart 2019:
“Is het wel mogelijk rekening [rekeningnummer 2] te activeren?”
bunq aan de curator op 4 maart 2019:
“We confirm you that we have activated the account again following to your last
email”
3.7.
Nadat de curator erachter was gekomen dat [gefailleerde] over een andere rekening bij bunq ( [rekeningnummer 3] ) dan de rekening met rekeningnummer [rekeningnummer 2] kon beschikken, heeft zij bunq op 17 oktober 2019 verzocht om alle rekeningen van [gefailleerde] opnieuw te blokkeren.
3.8.
Op 24 oktober 2019 heeft bunq aan de curator bevestigd dat de bank de rekeningen van [gefailleerde] weer had geblokkeerd en de mutatieoverzichten van deze rekeningen aan haar toegestuurd.
3.9.
De curator heeft bunq in januari 2022 gevraagd of [gefailleerde] na de datum van het faillissement nog rekeningen bij bunq had geopend, waarop bunq heeft gereageerd dat zij [gefailleerde] op 29 oktober 2019 als klant heeft geblokkeerd en [gefailleerde] sindsdien vier keer zonder succes heeft geprobeerd een rekening te openen.
3.10.
De curator heeft daarna opnieuw alle mutatieoverzichten bij bunq opgevraagd, waarna bunq mutatieoverzichten van acht rekeningen van [gefailleerde] heeft toegestuurd. De curator heeft onderzoek gedaan naar deze mutatieoverzichten en op basis daarvan geconcludeerd dat [gefailleerde] minimaal twaalf rekeningen bij bunq aanhield. De curator heeft bunq daarop verzocht om ook de ontbrekende mutatieoverzichten te verstrekken. bunq heeft dit vervolgens gedaan.
3.11.
de curator heeft op basis van onderzoek van alle mutatieoverzichten geconcludeerd dat vanaf de datum van het faillissement van de rekeningen op naam van [gefailleerde] bij bunq in totaal een bedrag van € 342.369,73 is afgeschreven, waarbij onderlinge transacties tussen deze rekeningen buiten beschouwing zijn gelaten.
3.12.
De advocaat van de curator heeft bunq bij brief van 14 februari 2022 verzocht om dit bedrag binnen zeven dagen over te maken naar de boedelrekening.
3.13.
bunq heeft zich bereid verklaard een bedrag ter hoogte van het totaal aan debiteringen in de periode van 11 december 2018 tot en met 4 januari 2019 (de periode tussen de datum faillissement en de datum waarop bunq het account van [gefailleerde] voor het eerst heeft geblokkeerd), vermeerderd met de wettelijke rente, aan de boedel af te dragen. Dit bedrag is € 27.494,36 en heeft bunq inmiddels naar de boedelrekening overgemaakt.

4.Het geschil

4.1.
De curator vordert dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, bunq veroordeelt tot betaling van
  • i) € 314.902,37, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van 22 februari 2022;
  • ii) een bedrag van € 3.349,51 aan buitengerechtelijke incassokosten; en
  • iii) de proceskosten.
4.2.
De curator legt hieraan, samengevat, het volgende ten grondslag. Het bedrag van € 314.902,37 betreft betalingen op de rekeningen van [gefailleerde] bij bunq in de periode van
4 maart 2019 (moment van deblokkering) tot en met 21 oktober 2019 (moment van hernieuwde blokkering). Deze betalingen kwalificeren als actief dat tijdens het faillissement is verworven en vallen op grond van artikel 20 Fw Pro in de boedel. bunq had de rekeningen van [gefailleerde] geblokkeerd moeten houden en is daarom gehouden om dit bedrag aan de boedel af te dragen. Deze afdrachtplicht volgt uit artikel 23 en Pro 24 Fw en de arresten
Huijzer q.q./Rabobank,
ING/ Manning q.q.en
RFH/ Wittekamp q.q., aldus de curator.
4.3.
bunq betwist dat zij tot afdracht is gehouden en licht dat als volgt toe. bunq heeft het account van [gefailleerde] op verzoek van de curator en in lijn met de algemene voorwaarden van de bank gedeblokkeerd. [gefailleerde] was dus bevoegd om over zijn account te beschikken. De arresten waarop de curator zich beroept zijn bovendien niet van toepassing, omdat de casuïstiek in die arresten wezenlijk verschilt van deze zaak. In die arresten zijn de relevante debiteringen namelijk ten laste van het per faillissementsdatum bestaande saldo van de rekening van de schuldenaar gegaan, terwijl het per faillissementsdatum bestaande saldo van de rekeningen op naam van [gefailleerde] bij bunq door de debiteringen in kwestie niet is gewijzigd. Deze waren immers enkel mogelijk, omdat [gefailleerde] ná faillissementsdatum eerst betalingen op deze rekeningen had ontvangen, voordat hij de ontvangen gelden overmaakte naar andere rekeningen of opnam. De boedel is daardoor dus niet benadeeld. De curator heeft het betalingsverkeer van [gefailleerde] op zijn rekeningen bij bunq ook niet gemonitord. Als de curator dat wel had gedaan, had zij eerder kunnen ingrijpen. De betalingen op de rekeningen van [gefailleerde] in de periode van 4 maart 2019 tot en met 24 oktober 2019 kwalificeren bovendien niet als actief dat tijdens het faillissement is verworven, omdat het grootste deel hiervan (zo heeft bunq begrepen) ten titel van geldlening is verstrekt. Een redelijke uitleg van het fixatiebeginsel brengt mee dat het faillissementsbeslag zich niet uitstrekt over gelden die de failliet naar zich toe heeft getrokken door derden te bewegen geld aan hem te lenen. De curator maakt met het instellen van haar vordering ook misbruik van bevoegdheid en toewijzing van die vordering zou naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn. Tot slot verzoekt bunq om het bij een eventuele veroordeling door haar aan de boedel te betalen bedrag te matigen.

5.Beoordeling

5.1.
Tussen partijen is niet in geschil dat in de periode van 4 maart 2019 (moment van deblokkering) tot en met 21 oktober 2019 (moment van hernieuwde blokkering) op de rekeningen van [gefailleerde] bij bunq een totaalbedrag van € 314.902,37 is bijgeschreven, en ook weer is afgeschreven. Het gaat in deze zaak over de juridische vraag of bunq verplicht is om het bedrag van € 314.902,37 aan de curator af te dragen. Voor de beantwoording van die vraag zijn de artikelen 20, 23 en 24 Fw en de arresten
Huijzer q.q./Rabobank,
ING/ Manning q.q.en
RFH/ Wittekamp q.q.van de Hoge Raad relevant. Partijen geven een verschillende uitleg aan deze wettelijke bepalingen en jurisprudentie en in het bijzonder het begrip ‘fixatiebeginsel’.
5.2.
Het wettelijk kader is als volgt. Het faillissement omvat het gehele vermogen van de schuldenaar ten tijde van de faillietverklaring, alsmede hetgeen hij gedurende het faillissement verwerft (artikel 20 Fw Pro). Door de faillietverklaring verliest de schuldenaar van rechtswege de beschikking en het beheer over zijn tot het faillissement behorend vermogen (artikel 23 Fw Pro). Voor verbintenissen van de schuldenaar, na de faillietverklaring ontstaan, is de boedel niet aansprakelijk behalve voor zover deze ten gevolge daarvan is gebaat (artikel 24 Fw Pro). Uit dit wettelijk kader volgt dat als een gefailleerde op of na de dag van faillietverklaring een betalingsopdracht geeft, waartoe hij op grond van artikel 23 Fw Pro niet bevoegd was, de curator in beginsel afdracht van het bedrag van de daaruit voortvloeiende betaling van de bank kan vorderen. [1]
5.3.
In deze zaak spelen twee vragen: (i) was [gefailleerde] bevoegd om de betalingsopdrachten te geven en (ii) behoren de sinds de deblokkering van het account op de rekeningen bijgeboekte betalingen tot de boedel?
Was [gefailleerde] beschikkingsbevoegd?
5.4.
De curator heeft bij e-mail van 1 maart 2019 aan bunq gevraagd om één bepaalde rekening ( [rekeningnummer 2] ) te deblokkeren. bunq heeft vervolgens het (hele) account van [gefailleerde] geactiveerd, waardoor hij over al zijn (bestaande) rekeningen kon beschikken en nieuwe rekeningen kon aanmaken. bunq heeft het verzoek van de curator anders uitgevoerd dan de curator het heeft bedoeld. De vraag is dan of bunq het verzoek van de curator onder de gegeven omstandigheden zo heeft mogen opvatten dat zij bunq vroeg het hele account te openen (artikel 3:35 BW Pro). Dat is niet het geval. De curator vraagt in haar e-mail van 1 maart 2019 aan bunq om één specifieke rekening te deblokkeren. Als dat niet mogelijk blijkt (omdat deze rekening niet meer bestaat) en bunq bij e-mail van 28 februari 2019 antwoordt dat zij wel “andere rekeningen” kan openen, vraagt de curator vervolgens of het dan mogelijk is een andere rekening (waarbij zij opnieuw een specifiek rekeningnummer noemt) te deblokkeren. Dat bunq vervolgens het hele ‘account’ – een, naar de rechtbank begrijpt, bovendien alleen bij bunq bestaand concept – heeft gedeblokkeerd, is onbegrijpelijk. Een verwijzing naar de algemene voorwaarden van de bank (waarin het concept ‘account’) wordt uitgelegd kan bunq niet baten. De curator heeft het woord ‘account’ in haar e-mails nooit gebruikt en had uit het gebruik van het woord ‘the account’ in de e-mail van de medewerker van bunq (zie 3.6) niet hoeven opmaken dat hiermee iets anders werd bedoeld dan ‘de rekening’; ‘the account’ is immers ook en vooral de Engelse vertaling van ‘de rekening’ en ‘the account’ wordt, zo heeft de curator laten zien, in de Engelse versie van de algemene voorwaarden van bunq bovendien in beide betekenissen gebruikt. Ook de e-mail van de curator aan bunq van 1 maart 2019 werpt geen ander licht op de zaak: daarna heeft de curator immers weer uitdrukkelijk gevraagd om één rekening te openen, niet ‘de rekeningen’. Dit alles geldt te meer omdat voor een bank zonder meer duidelijk moet zijn dat een gefailleerde niet over zijn vermogen kan beschikken en dus in beginsel ook niet meerdere bankrekeningen tot zijn beschikking mag hebben.
5.5.
Dit betekent dat [gefailleerde] ook na 4 maart 2019 niet bevoegd was de betalingsopdrachten te geven en de curator dus in beginsel afdracht van het bedrag van de daaruit voortvloeiende betalingen van bunq kan vorderen.
Omvang faillissementsvermogen – fixatiebeginsel
5.6.
Artikel 20 Fw Pro bepaalt dat het faillissement omvat het gehele vermogen van de schuldenaar ten tijde van de faillietverklaring, alsmede hetgeen hij gedurende het faillissement verwerft.
5.7.
bunq betoogt – onder verwijzing naar het arrest
RFH/ Wittekamp q.q.– dat de afdrachtplicht alleen geldt als een debitering na de faillissementsdatum wijziging heeft gebracht in het per datum faillissement bestaande credit- of debetsaldo van de bankrekening van de schuldenaar. De debiteringen door bunq in de periode 4 maart 2019 — 21 oktober 2019 zijn niet ten laste gegaan van het creditsaldo op de faillissementsdatum. Er is dus geen sprake van een wijziging in het per datum faillissement bestaande creditsaldo. Het actief ten tijde van de faillissementsdatum is dus niet verminderd, aldus bunq.
5.8.
Het standpunt van bunq dat de afdrachtplicht alleen geldt voor zover een debitering na de faillissementsdatum heeft geleid tot een vermindering van het actief of vermeerdering van het passief
zoals dat per faillissementsdatum bestond, wordt niet gevolgd. Deze beperking volgt niet uit de Faillissementswet of de jurisprudentie van de Hoge Raad. Uit het arrest
RFH/ Wittekamp q.q.volgt weliswaar dat de curator hetgeen na de faillissementsdatum aan een schuldeiser is betaald slechts van deze schuldeiser kan terugvorderen voor zover die betaling resulteert in een vermindering van het actief of een vermeerdering van het passief van de boedel, maar niet dat de datum van het faillissement daarbij als pijlmoment heeft te gelden. In dit arrest ging het bovendien om het geval dat de bankrekening van de gefailleerde op de faillissementsdatum al een debetsaldo vertoonde, waardoor de betaling aan de schuldeiser niet resulteerde in een vermindering van het actief of vermeerdering van het passief van de boedel (deze raakte de boedel dus niet). [2] Dit arrest is op de onderhavige casus dan ook niet van toepassing.
5.9.
bunq wijst er terecht op dat ook de feiten die ten grondslag liggen aan de arresten
Huijzer q.q./
Rabobanken
ING/ Manning q.q.op een aantal punten afwijken van de onderhavige casus. In het bijzonder gaat het in dit geval om een combinatie van (een groot aantal) debiteringen én crediteringen en hebben deze plaatsgevonden geruime tijd na de faillissementsdatum. Dat is echter geen reden om aan te nemen dat voor de bank slechts een afdrachtplicht bestaat – zoals bunq betoogt – indien en voor zover de boedel per saldo door de crediteringen en debiteringen van de bankrekening(en) is gebaat. Dat past niet in het systeem van de Faillissementswet. Alle debiteringen zijn het gevolg geweest van betalingsopdrachten van [gefailleerde] . Ten aanzien van de rekeningen die geblokkeerd moesten blijven, was hij hiertoe niet bevoegd.
5.10.
Anders dan bunq aanvoert, maakt de omstandigheid dat (een groot deel van) de betalingen op de rekeningen van [gefailleerde] bij bunq (vermoedelijk) ten titel van geldlening zijn verstrekt, dit niet anders. Allereerst staat niet vast dat (een groot deel van) de betalingen ten titel van geldlening zijn verstrekt (de curator stelt dat dit slechts ongeveer 17% van het totaal van de bijschrijvingen betreft), maar belangrijker is dat het begrip ‘verwerven’ in artikel 20 Fw Pro ruim moet worden opgevat. Een betaling op een rekening van een gefailleerde valt, ook als deze ten titel van geldlening is verstrekt, in beginsel in het faillissement.
5.11.
Ook het betoog van bunq dat de boedel door het activeren van het account van [gefailleerde] – en de betalingen door [gefailleerde] – geen schade heeft geleden wordt niet gevolgd. Dit is gebaseerd op de gedachte dat de crediteringen en debiteringen van de rekeningen van [gefailleerde] in de periode van 4 maart tot en met 21 oktober 2019 per saldo geen nadelige invloed hebben gehad op het faillissementsvermogen op de faillissementsdatum. bunq gaat hiermee voorbij aan het wettelijke uitgangspunt dat betalingen
aande gefailleerde op grond van artikel 20 Fw Pro in beginsel in de boedel vallen, maar betalingen
doorde gefailleerde op grond van artikel 23 Fw Pro in beginsel ongeldig zijn. Of de boedel aan de mogelijk door [gefailleerde] gesloten overeenkomsten van geldlening gebonden is, is een kwestie tussen de curator en de betreffende schuldeisers.
5.12.
Als uitgangspunt geldt dan ook dat bunq het bedrag van € 314.902,37 aan de boedel moet afdragen.
5.13.
De rechtbank zal hierna ingaan op de overige verweren van bunq, te weten, dat:
  • i) de curator het betalingsverkeer niet heeft gemonitord;
  • ii) het beroep van de curator op de afdrachtplicht misbruik van recht oplevert; en
  • iii) naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn.
Monitoren betalingsverkeer
5.14.
De curator heeft ter zitting toegelicht dat zij het betalingsverkeer op de rekeningen van [gefailleerde] bij bunq niet heeft gemonitord, omdat zij in de veronderstelling verkeerde dat slechts één rekening, [rekeningnummer 2] , gedeblokkeerd was en [gefailleerde] deze rekening feitelijk niet gebruikte, omdat hij geen baan, uitkering of andere inkomsten had en had aangegeven op kosten van zijn toenmalige vriendin te leven. Dit is begrijpelijk. Onder die omstandigheden valt niet in te zien waarom de curator andere rekeningen op naam van [gefailleerde] bij bunq in de gaten had moeten houden. bunq had deze rekeningen immers niet mogen deblokkeren en [gefailleerde] ook geen andere rekeningen mogen laten openen. Aan een bank moeten de implicaties van artikel 23 Fw Pro en de uitleg die de Hoge Raad daaraan in de arresten
Huizer q.q./Rabobanken
ING/ Manning q.q.heeft gegeven duidelijk zijn. Dat de interne organisatie van bunq kennelijk zo is (althans was) ingericht dat het heeft kunnen gebeuren dat een failliet tot een bedrag van ruim € 300.000 betalingen heeft kunnen doen van zijn rekeningen bij de bank, moet voor rekening en risico van bunq blijven.
Geen misbruik van bevoegdheid/strijd met redelijkheid en billijkheid/matiging
5.15.
bunq stelt dat sprake is van een dermate grote onevenredigheid tussen het gediende belang van de curator en het aangetaste belang van bunq, dat de curator in redelijkheid niet tot de uitoefening van haar vordering kan komen. Volgens bunq volgt dit uit de volgende feiten en omstandigheden:
( i) het initiatief tot heropening lag bij de curator. bunq zou uit eigen beweging nooit tot deblokkering zijn overgegaan;
(ii) het verzoek van de curator bevatte geen nadere toelichting of achtergrond;
(iii) het verzoek van de curator bevatte geen voorwaarden of beperkingen;
( iv) de curator heeft bunq er niet van op de hoogte gesteld dat sprake was van een
fraudefaillissement en bunq kon dus geen rekening houden met de daaraan
verbonden risico’s;
( v) de algemene voorwaarden en de website van bunq waren helder over de
functionaliteiten van een bunq personal account. Deze voorwaarden zijn in het
faillissement van [gefailleerde] van kracht gebleven en de curator had toegang tot deze
informatie;
( vi) de curator heeft niet gezegd dat er geen andere rekeningen geopend mochten
worden. bunq heeft op haar beurt nooit gezegd dat zij enkel de door de curator
genoemde rekening zou deblokkeren;
( vii) bunq heeft gehandeld in overeenstemming met de contractuele afspraken die golden
tussen haar en [gefailleerde] ; en
( viii) de boedel heeft geen schade geleden.
5.16.
Ook hierin wordt bunq niet gevolgd. Met de door bunq aangevoerde feiten en omstandigheden lijkt zij allereerst te willen betogen dat de hele gang van zaken is te wijten aan het handelen van de curator. Zoals hiervoor is overwogen, is de rechtbank het daar niet mee eens. De curator heeft aan bunq een duidelijk en gebruikelijk verzoek gedaan. Een andere toelichting op de situatie was niet nodig. bunq heeft het verzoek verkeerd geïnterpreteerd. Dat moet voor haar rekening en risico blijven. Ook het feit dat de boedel bij toewijzing van de vordering van de curator een aanzienlijk voordeel geniet dat deze niet zou hebben genoten als bunq het account van [gefailleerde] niet zou hebben geactiveerd, maakt niet dat het beroep van de curator op de afdrachtplicht kwalificeert als misbruik van bevoegdheid of naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Dit gevolg is, zoals hiervoor overwogen, immers inherent aan het systeem van de Faillissementswet en de daaruit voortvloeiende – en in de jurisprudentie nader vormgegeven – afdrachtplicht van een bank ingeval een gefailleerde op of na de dag van faillietverklaring een betalingsopdracht geeft waartoe hij op grond van artikel 23 Fw Pro niet bevoegd was. Voor matiging van het bedrag dat bunq zal moeten afdragen bestaat geen (rechts)grond.
5.17.
Dit alles leidt tot de conclusie dat de vordering van de curator volledig zal worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde (en onweersproken gebleven) wettelijke rente.
Buitengerechtelijke incassokosten
5.18.
Ook de (eveneens onweersproken gebleven) buitengerechtelijke incassokosten zullen worden toegewezen. De curator heeft gesteld buitengerechtelijke kosten te hebben gemaakt en het gevorderde bedrag is in overeenstemming met het tarief in het Besluit.
Proceskosten
5.19.
bunq is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de curator worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
148,04
- griffierecht
2.723,00
- salaris advocaat
5.428,00
(2 punten × € 2.714,00)
- nakosten
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
8.477,04

6.De beslissing

De rechtbank
6.1.
veroordeelt bunq om aan de curator te betalen een bedrag van € 314.902,37, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over het toegewezen bedrag, met ingang van 22 februari 2022, tot de dag van volledige betaling,
6.2.
veroordeelt bunq om aan de curator te betalen een bedrag van € 3.349,51 aan buitengerechtelijke kosten,
6.3.
veroordeelt bunq in de proceskosten van € 8.477,04, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als bunq niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
6.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.A. Dudok van Heel, rechter, bijgestaan door
mr. W.B. Fonville, en in het openbaar uitgesproken op 24 december 2025.

Voetnoten

1.Hoge Raad 28 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV0653 (
2.HR 28 januari 2022, ECLI:NL:HR:2022:80 (