ECLI:NL:RBAMS:2025:10802

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
18 december 2025
Publicatiedatum
12 januari 2026
Zaaknummer
1326250925
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Overlevering op basis van Europees aanhoudingsbevel met betrekking tot detentieomstandigheden en rechtsstaat in Polen

Op 18 december 2025 heeft de Rechtbank Amsterdam uitspraak gedaan in een zaak betreffende de overlevering van een opgeëiste persoon op basis van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) dat was uitgevaardigd door de Regional Court in Opole, Polen. De officier van justitie had op 8 oktober 2025 verzocht om de behandeling van het EAB. De opgeëiste persoon, geboren in 1999 in Polen, was aanwezig op de zitting, bijgestaan door zijn raadsman, mr. T. Kocabas, en een tolk. De rechtbank heeft de termijn voor uitspraak op grond van de Overleveringswet (OLW) met 30 dagen verlengd en de gevangenhouding bevolen, met schorsing tot aan de uitspraak.

De rechtbank heeft vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en dat er geen weigeringsgronden zijn die de overlevering in de weg staan. De raadsman voerde aan dat er structurele rechtsstatelijke problemen in Polen zijn, met name met betrekking tot de onafhankelijkheid van rechters, en dat dit een individueel gevaar voor de opgeëiste persoon met zich meebrengt. De officier van justitie betwistte dit en stelde dat er geen bewijs was dat deze problemen invloed hadden op de individuele zaak van de opgeëiste persoon.

De rechtbank oordeelde dat, hoewel er een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het recht op een eerlijk proces in Polen, er geen bewijs was dat dit een individueel gevaar voor de opgeëiste persoon met zich meebracht. Ook met betrekking tot de detentieomstandigheden in Polen was er geen bewijs van een algemeen reëel gevaar van onmenselijke behandeling. De rechtbank heeft daarom de overlevering toegestaan, omdat er geen weigeringsgronden waren en de zaak aan de vereisten van de OLW voldeed.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-262509-25
Datum uitspraak: 18 december 2025
UITSPRAAK
op de vordering van 8 oktober 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 28 november 2024 door de
Regional Court in Opole, Polen, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 1999 te [geboorteplaats] (Polen),
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 4 december 2025, in aanwezigheid van mr. N. Bakkenes, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. T. Kocabas, advocaat te Zoetermeer, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een vonnis van
the Regional Court in Opolevan 30 juni 2022 (ref. III K 33/22). Uit de aanvullende informatie van 31 oktober 2025 blijkt dat er een arrest is gewezen door
the Court of Appeal in Wrocławvan 27 juli 2023 (ref. II AKa 399/22).
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van drie (3) jaar, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog twee (2) jaar, negen (9) maanden en tien (10) dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde arrest.
Dit arrest betreft de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB. [3]
3.1
Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW
Als het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, dan is de laatste van die beslissingen relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan. [4]
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een arrest, terwijl de opgeëiste persoon niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid. Op grond van het EAB en de door de Poolse uitvaardigende justitiële autoriteit verstrekte aanvullende informatie van 31 oktober 2025 stelt de rechtbank vast dat de opgeëiste persoon op 3 juli 2023 in persoon is gedagvaard, daarbij op de hoogte is gesteld van het tijdstip en de plaats van de zitting in hoger beroep, en is geïnformeerd dat een beslissing kan worden genomen als hij niet verschijnt. De rechtbank is op grond hiervan van oordeel dat sprake is van de situatie als bedoeld in artikel 12 onder a, OLW. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW is dus niet van toepassing.

4.Strafbaarheid

Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW
De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst de strafbare feiten aan als een zogenoemd lijstfeit, dat in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staat vermeld, te weten:
illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.
Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van de uitvaardigende lidstaat een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.

5.Artikel 11 OLW; Poolse rechtsstaat en detentieomstandigheden

Standpunt van de raadsman
De raadsman stelt zich primair op het standpunt dat de overlevering moet worden geweigerd omdat er in Polen structurele rechtsstatelijke problemen bestaan, in het bijzonder met betrekking tot de onafhankelijkheid van de rechters. Voor iedere veroordeelde geldt dat er een beslissing is genomen in hun individuele zaak terwijl de rechtsstaat ter discussie staat. Er is daarom ook sprake van een individueel gevaar. Daarnaast is de vastgestelde problematiek met betrekking tot de Poolse detentieomstandigheden in
remand regimesook voor veroordeelden van belang. De combinatie van deze structurele problemen leidt er toe dat niet gewaarborgd kan worden dat de grondrechten van de opgeëiste persoon kunnen worden nageleefd. Subsidiair stelt de raadsman zich op het standpunt dat de zaak moet worden aangehouden om aanvullende garanties te vragen aan de Poolse autoriteiten.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de overlevering kan worden toegestaan. Er is een algemeen reëel gevaar vastgesteld met betrekking tot de onafhankelijkheid van de Poolse rechtsstaat dat in deze zaak van toepassing is. Er zijn daarentegen geen stukken overgelegd waaruit zou blijken dat deze structurele problemen doorwerking hebben gehad in dit individuele geval. Er is daarom geen sprake van een individueel gevaar. Met betrekking tot de detentieomstandigheden geldt dat de opgeëiste persoon niet in een
remand regimeterechtkomt want hij is al veroordeeld. Er zijn geen actuele en naar behoren bijgewerkte gegevens overgelegd waaruit blijkt dat de problematiek in de
remand regimesook op veroordeelden van toepassing is. Er is daarom geen grond om de overlevering te weigeren en ook geen aanleiding om aanvullende garanties te vragen of vragen te stellen aan de Poolse autoriteiten.
Oordeel van de rechtbank
Poolse rechtsstaat
De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [5]
Omdat de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een
concreteinvloed hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaken, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [6] Wat de raadsman heeft aangevoerd, is onvoldoende voor de rechtbank om tot een ander oordeel te komen.
Detentieomstandigheden
De overlevering van de opgeëiste persoon wordt gevraagd in verband met het ondergaan van een gevangenisstraf. Op dit moment is er ten aanzien van de tenuitvoerlegging van vrijheidsstraffen in detentie-instellingen in Polen geen algemeen reëel gevaar van een onmenselijke of vernederende behandeling vastgesteld. De raadsman heeft op dit punt ook geen objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens overgelegd waaruit volgt dat een algemeen gevaar bestaat van schending van artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie voor veroordeelde gedetineerden in Polen. Ook ambtshalve beschikt de rechtbank niet over zulke gegevens. Omdat geen sprake is van een algemeen gevaar, komt de rechtbank niet toe aan de beoordeling van het gestelde individuele gevaar voor de opgeëiste persoon. Het verweer wordt verworpen en het aanhoudingsverzoek wordt afgewezen.

6.Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.

7.Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 2, 5 en 7 OLW.

8.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[de opgeëiste persoon]aan de
Regional Court in Opole, Polen voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. A.R.P.J. Davids, voorzitter,
mrs. M.W. Speksnijder en M. Scheeper, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M.J. Gauneau, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 18 december 2025.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.
4.Hof van Justitie van de Europese Unie, 21 december 2023, C-397/22, LM, (
5.Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4.
6.Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (Openbaar Ministerie (Recht op een gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld in de uitvaardigende lidstaat)).