ECLI:NL:RBAMS:2025:10805

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
18 december 2025
Publicatiedatum
12 januari 2026
Zaaknummer
1325946325
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Overlevering op basis van Europees aanhoudingsbevel met betrekking tot strafzaak in Polen

Op 18 december 2025 heeft de Rechtbank Amsterdam uitspraak gedaan in een zaak betreffende de overlevering van een opgeëiste persoon op basis van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door het District Court of Zamo, Polen. De zaak betreft een vordering van de officier van justitie tot behandeling van het EAB, dat is uitgevaardigd op 12 maart 2025. De opgeëiste persoon, geboren in 1983 in Polen, is momenteel gedetineerd in Nederland. Tijdens de zitting op 4 december 2025 was de opgeëiste persoon aanwezig, bijgestaan door zijn raadsman, mr. S. de Goede, en een tolk. De rechtbank heeft de termijn voor uitspraak verlengd en de gevangenhouding bevolen.

De rechtbank heeft vastgesteld dat het EAB een vonnis vermeldt van 14 juni 2022, waarbij de opgeëiste persoon is veroordeeld tot een vrijheidsstraf van 1 jaar en 6 maanden. De verdediging heeft aangevoerd dat de opgeëiste persoon niet in persoon is gedagvaard voor een zitting in hoger beroep, maar de rechtbank oordeelt dat de weigeringsgrond van artikel 12 van de Overleveringswet (OLW) niet van toepassing is, omdat de opgeëiste persoon aanwezig was bij het proces in eerste aanleg. De rechtbank heeft de aanvullende informatie van de Poolse autoriteiten meegenomen in haar beoordeling en vastgesteld dat het hoger beroep is ingetrokken, waardoor het vonnis van 14 juni 2022 definitief is geworden.

De rechtbank concludeert dat het EAB voldoet aan de eisen van de OLW en dat er geen weigeringsgronden zijn die de overlevering in de weg staan. De rechtbank staat daarom de overlevering toe. De uitspraak is openbaar uitgesproken en er staat geen gewoon rechtsmiddel open tegen deze beslissing.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-259463-25
Datum uitspraak: 18 december 2025
UITSPRAAK
op de vordering van 13 oktober 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 12 maart 2025 door
the District Court of Zamość
, second penal division, Polen, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 1983 te [geboorteplaats] (Polen),
zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande,
nu gedetineerd in [detentie-instelling] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 4 december 2025, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. S. de Goede, advocaat te Breda, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een vonnis van
the District Court of Zamość
, the second penal divisionvan 14 juni 2022 (ref. II K 7/22).
Het EAB vermeldt dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij het proces dat tot de beslissing heeft geleid.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van één (1) jaar en zes (6) maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog elf (11) maanden en achttien (18) dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.
Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB. [3]
3.1
Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW
Inleiding
Op 3 december 2025 heeft de
Regional Court in Zamość onderdeel d) van het EAB ingevuld ten aanzien van de procedure in hoger beroep en daarnaast de volgende aanvullende informatie verstrekt:
“In response to the letter of 1 December 2025, the Regional Court in Zamość
, Second Penal Division, kindly advises that the judgment of 14 June 2022 of the Regional Court in Zamość
issued in case No. II K 7/22 is final and enforceable and is not subject to ordinary appeal. Even though the appeal against this judgment was lodged by the defence counsel of the accused, it was however withdrawn by the accused by means of a written statement. On account of the above, the Appeal Court in Lublin, with the decision of 17 October 2024 issued in case No. II Aka 306/22, taking into account the accused's statement, left the said appeal unexamined.”
In onderdeel d) heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit vermeld dat de opgeëiste persoon op 25 maart 2024 in persoon is gedagvaard voor de zitting in hoger beroep en dat hij een advocaat heeft gemachtigd om namens hem de verdediging te voeren.
Standpunt van de raadsman
De raadsman verzoekt om de aanvullende informatie van 3 december 2025 buiten beschouwing te laten. Al bij de voorgeleiding op 10 oktober 2025 heeft de opgeëiste persoon verklaard dat er hoger beroep was ingesteld. Desondanks heeft het openbaar ministerie pas op 1 december 2025 hierover vragen gesteld aan de Poolse autoriteiten. Het antwoord op deze vragen van 3 december 2025 is zo kort voor de zitting ontvangen, dat het voor de verdediging niet mogelijk is geweest om de antwoorden in Polen te (laten) verifiëren.
Als de rechtbank de informatie wel toelaat, stelt de raadsman zich primair op het standpunt dat de overlevering geweigerd moet worden omdat uit de aanvullende informatie blijkt dat de opgeëiste persoon op 25 maart 2024 in persoon zou zijn gedagvaard voor een zitting in hoger beroep, terwijl vast staat dat de opgeëiste persoon op die datum in Nederland werkzaamheden heeft verricht. De raadsman heeft in dit verband een factuur betreffende door de opgeëiste persoon die dag verricht werk overgelegd. Hij kan dus niet in persoon zijn gedagvaard voor het hoger beroep en ook heeft de opgeëiste persoon geen advocaat gemachtigd of een “
written statement”uitgebracht om het hoger beroep in te trekken. Subsidiair verzoekt de raadsman om aanhouding van de zaak om nadere vragen te stellen aan de Poolse autoriteiten met betrekking tot het hoger beroep.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW niet van toepassing is omdat de opgeëiste persoon in persoon aanwezig is geweest bij het proces in eerste aanleg. Uit de aanvullende informatie van 3 december 2025 blijkt dat het ingestelde hoger beroep niet inhoudelijk is behandeld waardoor er in deze instantie niet over schuld of straf is geoordeeld. Het hoger beroep dient dan ook niet getoetst te worden aan artikel 12 OLW. Daarnaast heeft de opgeëiste persoon zelf verklaard dat hij een advocaat heeft gemachtigd om namens hem het hoger beroep in te stellen.
Oordeel van de Rechtbank
Hoewel de rechtbank begrijpt dat de late aanlevering van de aanvullende informatie uit Polen het voor de raadsman lastig maakt om hiernaar met de opgeëiste persoon nog (verificatie)onderzoek te (laten) doen, zal de rechtbank de informatie wel meenemen in haar beoordeling omdat deze relevant is voor de beoordeling. De raadsman en de opgeëiste persoon hebben zich ter zitting ook inhoudelijk over het aanvullende stuk kunnen uitlaten. Dat de raadsman vanwege de korte tijdspanne de informatie niet in Polen heeft kunnen (laten) verifiëren, doet hier niet aan af.
Als het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, dan is de laatste van die beslissingen relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan. [4]
De rechtbank stelt op basis van de aanvullende informatie van 3 december 2025 vast dat het ingediende hoger beroep is ingetrokken waarmee het vonnis van 14 juni 2022 in eerste aanleg definitief is geworden. Gelet op het vertrouwensbeginsel gaat de rechtbank ervan uit dat deze informatie juist is. De rechtbank toetst daarom het vonnis van 14 juni 2022 en de procedure die tot dat vonnis heeft geleid aan de vereisten van artikel 12 OLW. Het EAB vermeldt dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij het proces dat tot het vonnis heeft geleid. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW is daarom niet van toepassing. Het verweer van de raadsman wordt verworpen en de rechtbank ziet geen aanleiding om de behandeling van de zaak aan te houden.

4.Strafbaarheid

Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW
De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst de strafbare feiten aan als zogenoemde lijstfeiten, die in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staan vermeld, te weten:
deelneming aan een criminele organisatie;fraude, met inbegrip van fraude waardoor de financiële belangen van de Gemeenschap worden geschaad zoals bedoeld in de Overeenkomst van 26 juli 1995 aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen.
Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van de uitvaardigende lidstaat een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.

5.Artikel 11 OLW: artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU

De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.
Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [5]

6.Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.

7.Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 2, 5 en 7 OLW.

8.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[opgeëiste persoon]aan
the District Court of Zamość
, second penal division, Polen voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. A.R.P.J. Davids, voorzitter,
mrs. M.W. Speksnijder en M. Scheeper, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M.J. Gauneau, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 18 december 2025.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.
4.Hof van Justitie van de Europese Unie, 21 december 2023, C-397/22, LM, (
5.Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (