ECLI:NL:RBAMS:2025:10809

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
18 december 2025
Publicatiedatum
12 januari 2026
Zaaknummer
1325028125
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Overlevering op basis van Europees Aanhoudingsbevel met betrekking tot detentieomstandigheden en verdedigingsrechten

Op 18 december 2025 heeft de Rechtbank Amsterdam uitspraak gedaan in een zaak betreffende de overlevering van een opgeëiste persoon op basis van een Europees Aanhoudingsbevel (EAB) dat door Polen was uitgevaardigd. De zaak werd behandeld in de Internationale Rechtsulpkamer, waarbij de officier van justitie mr. N. Bakkenes aanwezig was. De opgeëiste persoon, geboren in 1985 in Polen, was gedetineerd en had geen vaste woon- of verblijfplaats in Nederland. Tijdens de zitting op 4 december 2025 werd de termijn voor uitspraak verlengd en werd de gevangenhouding bevolen. De raadsvrouw van de opgeëiste persoon, mr. P.M. Langereis, voerde aan dat er twijfels bestonden over de verdedigingsrechten van haar cliënt, omdat hij niet op de hoogte was van de veroordeling en niet in persoon was gedagvaard. De officier van justitie betwistte dit en stelde dat de oproep en de tenlastelegging correct waren overhandigd. De rechtbank oordeelde dat de opgeëiste persoon op de juiste wijze was geïnformeerd en dat er geen reden was om de zaak aan te houden voor aanvullende vragen aan de Poolse autoriteiten. De rechtbank concludeerde dat de overlevering kon plaatsvinden, omdat voldaan was aan de eisen van de Overleveringswet (OLW) en er geen weigeringsgronden waren. Tevens werd vastgesteld dat er geen algemeen gevaar bestond voor schending van de grondrechten van de opgeëiste persoon in Polen, ondanks de zorgen over de detentieomstandigheden. De rechtbank besloot de overlevering toe te staan, waarbij de relevante wetsbepalingen werden genoemd.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-250281-25
Datum uitspraak: 18 december 2025
UITSPRAAK
op de vordering van 25 september 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 21 juli 2025 door
the Regional Court in Opole, Polen, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 1985 te [geboorteplaats] (Polen),
zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande,
nu gedetineerd in [penitentiaire inrichting] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 4 december 2025, in aanwezigheid van mr. N. Bakkenes, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. P.M. Langereis, advocaat in Zoetermeer, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met dertig dagen verlengd. [2]
Ook heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een vonnis van
the regional court in Nysavan 2 februari 2024 (met referentie: II K 843/23).
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van twee jaar, door de opgeëiste persoon nog geheel te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.
Dit vonnis betreft de feiten die zijn omschreven in het EAB. [3]
3.1
Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW
Standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw stelt zich op het standpunt dat de zaak moet worden aangehouden om aanvullende vragen te stellen aan de Poolse autoriteiten met betrekking tot de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon. De opgeëiste persoon was namelijk niet op de hoogte van de veroordeling. In het EAB staat dat de opgeëiste persoon een kopie van de tenlastelegging heeft ontvangen in november 2023, maar niet dat hij toen ook in persoon is gedagvaard. Daarnaast staat in het a-formulier dat de opgeëiste persoon “
summoned by other means” was in plaats van “
summoned in person” zoals in het EAB staat. Ook heeft de opgeëiste persoon geen adresinstructie gehad. Onder deze omstandigheden kan niet worden vastgesteld dat hij zijn verdedigingsrechten heeft kunnen uitoefenen.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat in het EAB vermeld staat dat de opgeëiste persoon op 15 november 2023 in persoon is gedagvaard, hij heeft toen de zowel de oproep als beschuldiging ontvangen. Het EAB is leidend en de enkele ontkenning van de opgeëiste persoon dat hij de oproep heeft ontvangen is onvoldoende om van het vertrouwensbeginsel af te wijken.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de opgeëiste persoon niet in persoon is verschenen bij de behandeling ter terechtzitting die tot het vonnis heeft geleid. Onderdeel d) van het EAB vermeldt dat de opgeëiste persoon op 15 november 2023 in persoon is opgeroepen en gedagvaard, waarbij hij is geïnformeerd over de datum, het tijdstip en de plaats van het proces en erop is gewezen dat een beslissing kan worden genomen indien hij niet verschijnt. In het EAB staat hierover toegelicht: “
[de opgeëiste persoon] was notified in person of the trial scheduled for 02.02.2024. He was also served with a copy of the indictment (the notice and the document were received by him on 15.11.2023).Hieruit volgt dat de opgeëiste persoon op 15 november 2023 zowel de oproep voor de zitting, als de kopie van de tenlastelegging heeft ontvangen. De situatie als bedoeld in artikel 12, sub a, OLW doet zich dus voor, zodat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW niet van toepassing is. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om de behandeling van de zaak aan te houden om nadere vragen te stellen aan de Poolse autoriteiten.

4.Strafbaarheid; feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
De feiten leveren naar Nederlands recht op:
mishandeling;
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

5.Artikel 11 OLW; Poolse rechtsstaat en detentieomstandigheden

5.1.
Poolse rechtsstaat
De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [4]
Omdat de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaken, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [5]
5.2.
Detentieomstandigheden
Standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw stelt zich op het standpunt dat individuele garanties gevraagd moeten worden aan de Poolse autoriteiten omdat er een reëel gevaar van schending van artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de EU dreigt. De raadsvrouw heeft hiertoe een publicatie van
the European Agency for Fundamental Rights(FRA) van 29 april 2024 overgelegd en de
“Guide on the case-law of the European Convention on Human Rights – Prisoners rights”van het EHRM van 31 augustus 2025. In de gids van het EHRM worden volgens de raadsvrouw nieuwe criteria gesteld met betrekking tot het beoordelen van de detentieomstandigheden. Als de situatie die wordt beschreven in het FRA-rapport wordt getoetst aan deze nieuwe criteria, geldt dat er ook ten aanzien van veroordeelden in Polen een reëel gevaar bestaat van schending van grondrechten. Omdat onduidelijk is in welke instelling de opgeëiste persoon terecht zal komen na overlevering moet voor de opgeëiste persoon een detentiegarantie worden gevraagd.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat geen individuele garanties nodig zijn omdat de raadsvrouw geen objectieve, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens heeft verstrekt waaruit blijkt dat er een reëel gevaar bestaat van schending van artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de EU.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft kennisgenomen van het CPT-rapport van 22 februari 2024 en in eerdere uitspraken al vastgesteld dat daaruit onder meer blijkt dat veroordeelden in Poolse gevangenissen en voorlopig gehechten in de
remand prisonsminimaal 3 m2 persoonlijke ruimte (exclusief sanitair) ter beschikking hebben. Verder heeft de rechtbank overwogen dat blijkens dat rapport voor
remand prisonsgeldt dat voorlopig gehechten 23 uur per dag op cel moeten verblijven en dat ze beperkt zijn in de mogelijkheid om contact te hebben met de buitenwereld. Ook heeft de rechtbank overwogen dat het CPT deze verzwarende omstandigheden, die voor de rechtbank in andere uitspraken aanleiding zijn geweest om vragen te stellen over de
remand prisonsin Polen, niet heeft vastgesteld bij detentie-instellingen waar de tenuitvoerlegging van opgelegde gevangenisstraffen plaatsvindt. De rechtbank heeft dan ook geen algemeen gevaar van schending van grondrechten voor veroordeelde gedetineerden in Polen aangenomen.
Het door de raadsvrouw overgelegde rapport van FRA van 29 april 2024 bevestigt naar het oordeel van de rechtbank het gemaakte onderscheid tussen de
remand prisonsen de detentie-instellingen voor veroordeelde gedetineerden in Polen. De raadsvrouw heeft onvoldoende onderbouwd dat de zorgelijke situatie in de
remand prisonsook geldt voor veroordeelde gedetineerden. De overgelegde publicatie van FRA van 29 april 2024 geeft geen aanleiding om hierover anders te oordelen. De rechtbank verwijst in dit kader naar haar eerdere uitspraak van 13 november 2024 [6] over deze publicatie. De rechtbank merkt daarnaast op dat de gids van het EHRM van 31 augustus 2025 een samenvatting geeft van de jurisprudentie van het Hof, die de rechtbank in haar eerdere uitspraken ook heeft toegepast. De rechtbank leest in deze gids geen nieuwe criteria waaraan getoetst moet worden. Dit brengt de rechtbank tot de conclusie dat geen objectieve, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens zijn overgelegd waaruit blijkt dat er sprake is van een algemeen gevaar ten aanzien van veroordeelde gedetineerden in Polen. De vraag of sprake is van een individueel gevaar voor de opgeëiste persoon is daarom niet aan de orde, zodat de rechtbank geen aanleiding ziet om een detentiegarantie te laten vragen.
Het verweer wordt verworpen.

6.Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.

7.Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 285 en 300 Wetboek van Strafrecht en 2, 5 en 7 OLW.

8.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[de opgeëiste persoon]aan
the Regional Court in Opole, Polen voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. A.R.P.J. Davids, voorzitter,
mrs. M.W. Speksnijder en M. Scheeper, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M.J. Gauneau, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 18 december 2025.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.
4.Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4.
5.Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (Openbaar Ministerie (Recht op een gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld in de uitvaardigende lidstaat)).