De rechtbank Amsterdam heeft op 6 november 2025 uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een rechtspersoon die werd verdacht van het in voorraad hebben van verboden gewasbestrijdingsmiddelen op een adres in Nederland.
Tijdens de terechtzittingen op 9 en 23 oktober 2025 werd vastgesteld dat de verdachte op of omstreeks 16 september 2022 meerdere flacons van verboden middelen, waaronder Input 460 EC en Match 12821N, in voorraad had. De bewijslast werd onder meer gedragen door een bekennende verklaring van de bestuurder van de rechtspersoon. De verdediging voerde geen verweer.
De rechtbank oordeelde dat het feit strafbaar is en dat er geen rechtvaardigingsgrond of omstandigheden zijn die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De rechtbank verwierp het verweer dat de redelijke termijn was overschreden, gelet op de complexiteit en samenhang met andere zaken.
De officier van justitie had een geldboete van €10.000 geëist, maar de rechtbank legde een lagere geldboete van €5.000 op, rekening houdend met de ernst van het feit, eerdere veroordelingen van de rechtspersoon en de draagkracht. De rechtbank achtte een geheel voorwaardelijke boete onvoldoende passend.
De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer, bestaande uit voorzitter B. Vogel en rechters C.M. Berkhout en M. Nieuwenhuijs.