Op 6 november 2025 heeft de Rechtbank Amsterdam uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een rechtspersoon die beschuldigd werd van het in voorraad hebben van verboden gewasbeschermingsmiddelen. De zaak werd behandeld door een meervoudige economische kamer en vond plaats na terechtzittingen op 9 en 23 oktober 2025. De officier van justitie, mr. J.S. de Weijer, vorderde een geldboete van € 10.000,-, terwijl de verdediging pleitte voor een voorwaardelijke boete, rekening houdend met de overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank oordeelde dat het ten laste gelegde feit bewezen kon worden, mede op basis van de bekennende verklaring van de bestuurder van de verdachte. De rechtbank achtte de redelijke termijn niet geschonden en legde uiteindelijk een geldboete van € 5.000,- op, waarbij rekening werd gehouden met de ernst van het feit en de omstandigheden van de verdachte. De rechtbank benadrukte dat het gebruik van verboden gewasbeschermingsmiddelen risico's met zich meebrengt voor mens, dier en milieu, en dat strenge regels zijn geschonden. De uitspraak is gedaan op basis van verschillende wettelijke voorschriften, waaronder het Wetboek van Strafrecht en de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden.