ECLI:NL:RBAMS:2025:10894

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
16 december 2025
Publicatiedatum
19 januari 2026
Zaaknummer
13/131016-22 (A) en 13/252013-24 (B) en 15/040566-21 (TUL).
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling van verdachte voor ontuchtige handelingen en mishandeling van minderjarige

Op 16 december 2025 heeft de Rechtbank Amsterdam uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een 19-jarige verdachte, die zich schuldig heeft gemaakt aan ontuchtige handelingen met een 14-jarig meisje en mishandeling. De feiten vonden plaats in januari 2022, toen de verdachte het meisje dronken maakte door haar wodka te laten drinken en haar vervolgens betastte. Het slachtoffer werd later door de politie aangetroffen in een kwetsbare toestand. Twee jaar later, in maart 2024, benaderde de verdachte het slachtoffer op straat en eiste dat zij haar aangifte introk. Toen het slachtoffer weigerde, mishandelde hij haar door haar te slaan en haar keel vast te pakken. De rechtbank oordeelde dat de verdachte zich schuldig had gemaakt aan de tenlastegelegde feiten en legde een taakstraf van 150 uren op, evenals een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden. Daarnaast werd een contactverbod met het slachtoffer opgelegd en moest de verdachte €1.500,- aan immateriële schadevergoeding betalen. De rechtbank wees ook de vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde taakstraf toe.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummers: 13/131016-22 (zaak A), 13/252013-24 (zaak B) en 15/040566-21 (TUL).
Datum uitspraak: 16 december 2025
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag] 2002,
wonende op het adres [inschrijvingsadres] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 2 december 2025.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. J.J. Smilde, en van wat de gemachtigd raadsman van verdachte mr. M.J.C. Verlaan naar voren heeft gebracht.
Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van wat advocaat mr. C.J. Tiemessen namens het slachtoffer en benadeelde partij [slachtoffer] (
hierna ook: [slachtoffer]) naar voren heeft gebracht.

2.Tenlastelegging

Aan verdachte is in zaak A – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich op 20 januari 2022 in Amsterdam schuldig heeft gemaakt aan:
1. het plegen van ontuchtige handelingen met [slachtoffer] , terwijl zij de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, door haar borst(en) te betasten;
2. het dronken maken van [slachtoffer] , door haar alcoholhoudende drank toe te dienen/te laten drinken.
In zaak B wordt verdachte verweten zich op 20 maart 2024 in Amsterdam schuldig te hebben gemaakt aan mishandeling van [slachtoffer] , door haar te slaan, haar bij de keel vast te pakken en haar keel dicht te knijpen.
De volledige teksten van de tenlasteleggingen zijn opgenomen als
bijlage Ibij dit vonnis en gelden als hier ingevoegd.
3.
Voorvragen
De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de tenlastegelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4.Waardering van het bewijs

4.1.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat alle feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden.
4.2.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich in zaak A op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken voor feit 1, omdat het op de borst van [slachtoffer] aangetroffen celmateriaal van verdachte (niet zijnde sperma) niet een vanzelfsprekend gevolg is geweest van een aanraking van seksuele aard. [slachtoffer] heeft zelf verklaard dat zij is opgetild door verdachte. Dit vormt een mogelijke verklaring voor hoe het celmateriaal van verdachte op haar borst terecht is gekomen. Feit 2 kan wel wettig en overtuigend worden bewezen.
In zaak B heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken, nu niet overtuigend kan worden bewezen dat het bij [slachtoffer] geconstateerde letsel is toegebracht door verdachte. Er zijn, naast de verklaring van [slachtoffer] zelf, geen getuigen van de mishandeling en de politie heeft geen camerabeelden bekeken.
4.3.
Oordeel van de rechtbank
4.3.1.
Bewezenverklaring zaak A feiten 1 en 2
De rechtbank is van oordeel dat op grond van de bewijsmiddelen, zoals opgenomen in
bijlage IIbij dit vonnis, wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het plegen van een ontuchtige handeling met [slachtoffer] en het haar dronken maken. Anders dan de raadsman heeft betoogd, is de rechtbank van oordeel dat de handeling van verdachte bestond uit een op een seksuele beleving gerichte aanraking van de borst van [slachtoffer] . De rechtbank weegt daartoe het volgende.
Feiten en omstandigheden
Op 20 januari 2022 kreeg de politie een melding dat er een verminderd aanspreekbaar, dan wel onwel geworden meisje zou zijn aangetroffen in het trapportaal van een appartementencomplex aan het [straatnaam] in Amsterdam. Toen de verbalisanten rond 18.43 uur ter plaatse kwamen, troffen zij de 14-jarige [slachtoffer] huilend op de grond aan in een serviceruimte op de achtste verdieping. De meldster gaf aan dat [slachtoffer] voor de nooddeur lag met haar T-shirt omhooggeschoven zodat je haar bh zag.
[slachtoffer] verklaarde tegen de verbalisanten dat zij met een 18-jarige jongen met de voornaam “ [verdachte] ” had afgesproken, dat zij samen met hem best veel had gedronken en dat zij door hem alleen was achtergelaten. Bij de plek waar [slachtoffer] werd aangetroffen, zagen de verbalisanten energydrankblikjes en een behoorlijk aantal haren op de grond liggen, waardoor zij het vermoeden kregen dat er een worsteling had plaatsgevonden. Toen [slachtoffer] door ambulancemedewerkers werd gecontroleerd, bleek zij schaafwonden op haar rug te hebben.
Later op de avond is [slachtoffer] in het ziekenhuis onderzocht door een forensisch arts en een kinderarts, om eventuele sporen veilig te stellen. Tijdens dit onderzoek merkte [slachtoffer] op dat haar onderbroek raar zat en zag de kinderarts dat [slachtoffer] haar onderbroek uit een broekspijp trok. De bemonsteringen zijn veiliggesteld in een zedenset. Het Nederlands Forensisch Instituut heeft onderzoek gedaan, waaruit blijkt dat DNA dat matcht met dat van verdachte is aangetroffen op de rechterborst van [slachtoffer] . Ook is bij [slachtoffer] bloed afgenomen, waarin een concentratie van 0,82 mg/ml ethanol (alcohol) is gemeten.
Uit camerabeelden blijkt dat [slachtoffer] en een jongen op 20 januari 2022 apart van elkaar tussen 14.06 uur en 14.21 uur aankomen bij het appartementencomplex aan het [straatnaam] . De jongen heeft een step en een zwarte plastic tas, met daarop de letters Gall & Gall, bij zich. Rond 16.53 uur komt de jongen met zijn step vanuit de richting van de lift de centrale toegangshal weer binnen en rond 17.12 uur stept hij de openbare weg op. [slachtoffer] word pas anderhalf uur later door de verbalisanten aangetroffen in de serviceruimte.
Een dag later, op 21 januari 2022, is [slachtoffer] thuis opgehaald door verbalisanten. Zij reden met [slachtoffer] langs een huizenblok op de [straatnaam] . [slachtoffer] wees nummer 118 aan als de woning waar zij eerder met de jongen was geweest. De politie heeft vervolgens onderzoek gedaan naar de identiteit van de jongen, waaruit bleek dat verdachte stond ingeschreven op nummer 122 en dat zijn foto grote gelijkenis vertoonde met de jongen op de camerabeelden. Op deze herkenning is geen verweer gevoerd.
Op 1 februari 2022 is [slachtoffer] als getuige gehoord. Zij verklaarde dat de jongen via Snapchat had gevraagd om af te spreken, en of ze seks zouden gaan hebben. [slachtoffer] heeft toen geantwoord dat zij ongesteld was en daarom geen seks wilde. Verder heeft [slachtoffer] verklaard dat de jongen een fles wodka meenam naar de afspraak en dat hij de wodka mixte met een blikje energydrank, maar dat zij zelf de wodka puur dronk en daar duizelig van werd. De jongen heeft haar vervolgens opgetild en op een bankje neergezet, omdat zij niet meer goed kon lopen. Hij vroeg aan haar of zij hem kwam pijpen. [slachtoffer] zei nee. Verder kon zij niet meer goed herinneren wat er gebeurd was.
Beoordeling
De rechtbank acht bovengenoemde feiten en omstandigheden redengevend voor het bewijs van het tenlastegelegde, terwijl verdachte zich uitsluitend heeft beroepen op zijn zwijgrecht en dus geen aannemelijke, die redengevendheid ontzenuwende, verklaring heeft gegeven. De door de raadsman geopperde mogelijkheid dat het DNA van verdachte op de borst van [slachtoffer] terecht is gekomen doordat hij haar heeft opgetild, is dan ook onvoldoende aannemelijk geworden. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat deze aanraking van verdachte gericht was op een seksuele beleving met [slachtoffer] , wat gelet op haar leeftijd ontuchtig handelen oplevert.
4.3.2.
Bewezenverklaring zaak B
De rechtbank is van oordeel dat op grond van de bewijsmiddelen, zoals opgenomen in
bijlage IIbij dit vonnis, wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan mishandeling van [slachtoffer] . De rechtbank overweegt daartoe het volgende.
Feiten en omstandigheden
De moeder van [slachtoffer] heeft op 21 maart 2024 in een WhatsApp-bericht aan de politie geschreven dat haar dochter op 20 maart 2024 zou zijn mishandeld door verdachte en dat zij daarbij letsel heeft opgelopen. Van dit letsel heeft zij foto’s bijgevoegd.
[slachtoffer] heeft bij de politie als getuige verklaard dat zij verdachte op straat tegenkwam en dat hij aangaf even met haar te willen praten. Hij zei dat zij de aangifte moest intrekken. Hierop heeft [slachtoffer] aangegeven dat zij daar niets aan kon doen, omdat niet zij maar haar moeder aangifte had gedaan. Hierop werd verdachte agressief en heeft hij meerdere keren met zijn vuisten tegen [slachtoffer] beide bovenarmen geslagen. Hierna herhaalde hij nogmaals dat [slachtoffer] de aangifte moest intrekken en pakte hij haar hard bij haar keel vast.
De huisarts van [slachtoffer] constateerde bij haar hematomen in de hals en op beide bovenarmen.
Beoordeling
De raadsman heeft aangevoerd dat niet overtuigend kan worden bewezen dat het verdachte is geweest die [slachtoffer] heeft mishandeld.
De rechtbank heeft geen reden om te twijfelen aan de verklaring van [slachtoffer] dat zij is mishandeld en stelt op basis daarvan – in combinatie met de bevindingen over haar letsel door de huisarts en de foto’s ervan – vast dat zij meermalen is geslagen op haar bovenarmen en dat haar keel is vastgepakt en dichtgeknepen.
Ten aanzien van het bewijs van het daderschap van verdachte, is van belang dat het bewijsminimum zoals neergelegd in artikel 342, tweede lid Sv, voor de hele tenlastelegging geldt, en niet voor elk onderdeel daarvan. [1] Toepassing van dit criterium betekent dat, nu de verklaring van [slachtoffer] over de mishandeling als zodanig wordt ondersteund door andere bewijsmiddelen, het bewijs dat verdachte degene is geweest die de mishandeling heeft gepleegd, wel degelijk kan worden gebaseerd op één bewijsmiddel, in dit geval eveneens de verklaring van [slachtoffer] . De rechtbank acht deze verklaring betrouwbaar vanwege de context die [slachtoffer] in de verklaring schetst, te weten de eerdere aangifte die tegen verdachte is gedaan. Het is de rechtbank opgevallen dat de mishandeling is gepleegd korte tijd nadat verdachte door de Reclassering was benaderd in verband met de verdenkingen in zaak A. Naar het oordeel van de rechtbank draagt ook deze omstandigheid bij aan de betrouwbaarheid van de verklaring van [slachtoffer] .. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman.

5.Bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte:
Ten aanzien van zaak A, feit 1
op 20 januari 2022 te Amsterdam, met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] , die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te weten het betasten en/of aanraken van de borst van die [slachtoffer] ;
Ten aanzien van zaak A, feit 2
op 20 januari 2022 te Amsterdam, [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] , die toen de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt, dronken heeft gemaakt, immers heeft hij deze [slachtoffer] een hoeveelheid alcoholhoudende drank toegediend, althans laten drinken;
Ten aanzien van zaak B
op 20 maart 2024 te Amsterdam, [slachtoffer] heeft mishandeld door
- die [slachtoffer] meermalen, op de (boven)armen te slaan en
- die [slachtoffer] bij de keel vast te pakken en
- de keel van die [slachtoffer] dicht te knijpen.
Voor zover in het bewezenverklaarde deel van de tenlastelegging taal-en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6.Strafbaarheid van de feiten en van verdachte

De bewezenverklaarde feiten zijn volgens de wet strafbaar en het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden. Er is ook geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit, hij is dan ook strafbaar.

7.Motivering van de straf en maatregel

7.1.
Eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte een taakstraf van 120 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf van één maand met een proeftijd van twee jaren wordt opgelegd. Aan de proeftijd dient als bijzondere voorwaarde een contactverbod met aangeefster te worden verbonden.
7.2.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft geen strafmaatverweer gevoerd.
7.3.
Oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft afgesproken met een destijds 14-jarig meisje. Zij zijn samen naar een serviceruimte van een appartementencomplex gegaan om te chillen. Verdachte had sterke drank (wodka) meegenomen en heeft het meisje daarvan laten drinken. Vervolgens heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan ontucht door haar blote borst te betasten. Daarna heeft verdachte haar alleen achtergelaten in de serviceruimte. Ongeveer anderhalf uur later werd zij daar door verbalisanten dronken en in haar omhooggeschoven T-shirt liggend op de betonnen vloer aangetroffen. Uit de toelichting op de vordering van de benadeelde partij blijkt dat zij nog steeds last heeft van hetgeen haar is overkomen. Zij heeft ook langere tijd angstklachten, herbelevingen en slaapproblemen gehad.
De rechtbank acht het ernstig dat verdachte zich heeft ingelaten met een minderjarig meisje en misbruik heeft gemaakt van haar kwetsbare positie. Door haar alcohol te laten drinken en haar te betasten, heeft verdachte inbreuk gemaakt op haar lichamelijke en seksuele integriteit. Minderjarigen zijn extra kwetsbaar voor beïnvloeding en vaak niet in staat om zelf de gevolgen van dergelijke situaties volledig te overzien. De rechtbank weegt strafverzwarend mee dat verdachte het slachtoffer, nadat hij haar in een uiterst kwetsbare toestand had gebracht, alleen heeft achtergelaten.
De rechtbank benadrukt dat deze situatie om een verklaring van verdachte schreeuwt, die echter volledig is uitgebleven. Verdachte heeft zich steeds op zijn zwijgrecht beroepen en is niet ter terechtzitting verschenen. Verdachte staat hierin weliswaar in zijn recht, maar neemt daardoor op geen enkele wijze verantwoordelijkheid voor datgeen waaraan hij het slachtoffer heeft blootgesteld.
In tegendeel, twee jaar later, heeft verdachte het slachtoffer op straat benaderd en haar opgedragen de eerdere aangifte in te trekken. Toen het slachtoffer aangaf dat zij dit niet kon doen omdat haar moeder de aangifte had gedaan, heeft verdachte haar meerdere malen met beide vuisten geslagen en haar keel vastgepakt en dichtgeknepen. Het slachtoffer heeft hierdoor aanzienlijke bloeduitstortingen opgelopen.
De rechtbank rekent het verdachte verder zwaar aan dat de mishandeling van het slachtoffer is gepleegd tijdens de proeftijd van een eerder geweldsdelict en met het oogmerk om het verloop van het strafproces te verstoren.
De rechtbank houdt enigszins strafverminderend rekening met het tijdsverloop sinds het begaan van de onderhavige feiten.
Persoon van verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van het uittreksel justitiële documentatie (het strafblad) van verdachte van 2 oktober 2025. Hieruit blijkt dat verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld wegens soortgelijke feiten, en dat hij in een proeftijd liep in verband met een veroordeling wegens bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.
Ook heeft de rechtbank kennisgenomen van het reclasseringsadvies over verdachte van 14 februari 2024. Daarin wordt beschreven dat bij verdachte sprake is van een licht verstandelijke beperking, maar dat vanwege het feit dat hij geen inzicht in zijn gedachten en gevoelens heeft gegeven, niet met zekerheid kan worden gezegd of deze beperking van invloed is geweest op zijn beslissingsvaardigheden. Het risico op toekomstig seksueel en gewelddadig gedrag wordt ingeschat op matig tot hoog. Deze inschatting dient echter met terughoudendheid te worden geïnterpreteerd, nu geen inzicht is verkregen in de seksualiteitsbeleving van verdachte. Er wordt geadviseerd om een straf zonder bijzondere voorwaarden op te leggen, omdat onvoldoende aanknopingspunten worden gezien om dit risico met interventies of toezicht te beperken.
Conclusie
De rechtbank heeft bij het bepalen van de straf rekening gehouden met straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. De rechtbank heeft voorts rekening gehouden met artikel 63 Sr, nu de bewezenverklaarde feiten zijn gepleegd voor de veroordeling van verdachte door de politierechter in deze rechtbank op 28 januari 2025 in de zaak met parketnummer 13/324130-23.
Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat de eis van de officier van justitie onvoldoende recht doet aan de ernst van de feiten en komt de rechtbank tot een hogere strafoplegging dan is gevorderd. De rechtbank acht een taakstraf voor de duur van 150 uren met aftrek van het voorarrest passend en geboden. Daarnaast zal de rechtbank aan verdachte een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee maanden, met een proeftijd van twee jaar opleggen. Hiermee wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht, anderzijds wordt de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten. De rechtbank ziet, gelet op het reclasseringsadvies, geen aanleiding om bijzondere voorwaarden op te leggen.
Contactverbod
De rechtbank legt aan verdachte als vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 38v Sr een contactverbod met het slachtoffer op. Dit houdt in dat verdachte gedurende twee jaren op geen enkele wijze, direct of indirect, contact mag opnemen met het slachtoffer. De rechtbank bepaalt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van twee weken voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een maximum van zes maanden. De rechtbank acht oplegging van deze maatregel noodzakelijk, zodat het risico dat verdachte zich opnieuw schuldig maakt aan een strafbaar feit jegens het slachtoffer wordt ingeperkt. Gelet op het door de reclassering gestelde gevaar voor herhaling, houdt de rechtbank er ernstig rekening mee dat verdachte weer een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen de onaantastbaarheid van het lichaam en wordt deze maatregel dadelijk uitvoerbaar verklaard. Op deze manier kan het slachtoffer op snelle en effectieve wijze worden beschermd.

8.Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [slachtoffer] vordert in zaak A € 2.500,- aan vergoeding voor haar immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 20 januari 2022.
De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar vordering gelet op het vrijspraakverweer ten aanzien van feit 1. Subsidiair heeft de raadsman verzocht om het bedrag te matigen.
De rechtbank is van oordeel dat verdachte rechtstreeks immateriële schade aan de benadeelde partij heeft toegebracht. Het gaat hier om een zedendelict, waarbij zij dronken is gevoerd en onwel is achtergelaten. Dit veroorzaakte een ernstige inbreuk op haar zelfbeschikkingsrecht en haar lichamelijke integriteit. Uit de toelichting bij de vordering blijkt dat de benadeelde partij psychische klachten (zoals herbelevingen en slaapproblemen) over heeft gehouden aan de bewezenverklaarde feiten. Hiervoor is zij meermaals in gesprek geweest met een behandelaar van BRight GGZ. Gelet op de aard en de ernst van deze normschending en de aard en de ernst van de gevolgen daarvan voor de benadeelde is sprake van een aantasting in de persoon op andere wijze dan door lichamelijk letsel of aantasting in haar eer of goede naam.. Dit betekent dat de immateriële schade voor vergoeding in aanmerking komt. De benadeelde heeft daarom op grond van artikel 6:106 eerste lid en onder b van het Burgerlijk Wetboek recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van deze schade.Gelet op de impact die het op de benadeelde partij heeft gehad en op dit moment nog steeds heeft, en gelet op de bedragen die in vergelijkbare strafzaken worden toegekend, begroot de rechtbank de immateriële schadevergoeding naar billijkheid op €1.500,-. De vordering wordt dan ook toegewezen tot dit bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 20 januari 2022 tot aan de dag van volledige betaling. De benadeelde partij wordt in het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaard.
In het belang van de benadeelde partij wordt als extra waarborg voor betaling aan haar de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f Sr aan verdachte opgelegd.

9.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen en maatregelen zijn gegrond op artikelen
9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 38v, 38w, 57, 63, 247, 252 en 300 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

10.Tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke veroordeling

In het dossier bevindt zich de op 9 september 2024 ter griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie in het arrondissementsparket Amsterdam in de zaak met parketnummer 15/040566-21, betreffende het onherroepelijk geworden vonnis van 10 februari 2023 van de politierechter te Alkmaar. Bij dit vonnis is verdachte veroordeeld tot een taakstraf van 180 uren waarvan 80 uren voorwaardelijk, met bevel dat het voorwaardelijke deel niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van de op twee jaren gestelde proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.
Tevens bevindt zich in het dossier een geschrift waaruit blijkt dat de mededeling als bedoeld in artikel 366a Sv aan verdachte per post is toegezonden.
De officier van justitie heeft ter terechtzitting de tenuitvoerlegging van 40 uren taakstraf gevorderd.
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering dient te worden afgewezen.
Beoordeling
Verdachte heeft zich, terwijl hij in de proeftijd liep van de eerdere veroordeling, opnieuw schuldig gemaakt aan een strafbaar feit, te weten de mishandeling van het slachtoffer.
Het uitgangspunt bij recidive binnen de proeftijd is dat een voorwaardelijke straf alsnog ten uitvoer zal worden gelegd. De rechtbank ziet geen aanleiding om van dit uitgangspunt af te
wijken. De vordering wordt dan ook volledig toegewezen, te weten een taakstraf van 80 uren.

11.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hiervoor is bewezenverklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezenverklaarde levert op
Ten aanzien van zaak A, feit 1:
met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen;
Ten aanzien van zaak A, feit 2:
een kind beneden de leeftijd van achttien jaren dronken maken;
Ten aanzien van zaak B:
mishandeling.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar.
Verklaart verdachte, [verdachte] , daarvoor strafbaar.
De tenuitvoerlegging kan worden bevolen als de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.
Veroordeelt verdachte tot een
taakstrafvan
150 (honderdvijftig) uren.
Beveelt dat voor het geval verdachte de taakstraf niet (naar behoren) verricht,
vervangende hechteniszal worden toegepast van
75 (vijfenzeventig) dagen.
Veroordeelt verdachte tot een
gevangenisstrafvan
2 (twee) maanden.
Bepaalt dat de tijd die door verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
Bepaalt dat deze gevangenisstraf niet ten uitvoer gelegd zal worden, tenzij later anders wordt bevolen.
Stelt daarbij een
proeftijdvan
2 (twee) jarenvast.
Legt op de
maatregeldat veroordeelde voor de duur van
2 (twee) jarengeen – direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] .
Beveelt dat
vervangende hechteniszal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt
2 (twee) wekenvoor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een maximum van
6 (zes) maanden. Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichting ingevolge de opgelegde maatregel niet op.
Beveelt dat deze maatregel ex artikel 38v Sr
dadelijk uitvoerbaaris.
Ten aanzien van zaak A, feiten 1 en 2:
Beslissing op vordering van benadeelde partij [slachtoffer]
Wijst de vordering gedeeltelijk toetot een bedrag van
€1.500,- (vijftienhonderd euro)aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 20 januari 2022 tot aan de dag van algehele voldoening.
Bepaalt dat de benadeelde partij in het overige deel van de vordering
niet-ontvankelijkis.
Veroordeelt verdachte tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel
Legt aan verdachte de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer] aan de Staat
€1.500 (vijftienhonderd euro)te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 20 januari 2022 tot aan de dag van algehele voldoening. Bij gebreke van algehele
betaling kunnen maximaal
25 (vijfentwintig)dagen gijzeling worden toegepast. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor genoemde betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Beslissing na voorwaardelijke veroordeling onder parketnummer 15/040566-21
Wijst toe de vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging in de zaak met bovengenoemd parketnummer, te weten een
taakstrafvoor de duur van
80 (tachtig) uren.
De taakstraf wordt vervangen door
40 (veertig) dagen hechtenis, als deze niet naar behoren wordt uitgevoerd.
Dit vonnis is gewezen door
mr. M. Vaandrager, voorzitter
mrs. F. Dekkers en M. Smayel, rechters
in tegenwoordigheid van mr. J.J.M. Smolders, griffier
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 16 december 2025.
[....]

Voetnoten

1.Vgl. Hoge Raad 6 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BQ6144.