ECLI:NL:RBAMS:2025:10906

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
16 december 2025
Publicatiedatum
21 januari 2026
Zaaknummer
81-234935-24
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bezwaarschrift tegen dagvaarding in belastingfraudezaak

Op 16 december 2025 heeft de Rechtbank Amsterdam uitspraak gedaan in een bezwaarschrift tegen een dagvaarding in een strafzaak. De verdachte, geboren in 1969 en zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, had bezwaar aangetekend tegen de dagvaarding die hem ten laste legde dat hij samen met een rechtspersoon opzettelijk onjuiste aangiften vennootschapsbelasting had gedaan over de jaren 2007-2011. De rechtbank heeft vastgesteld dat het bezwaarschrift ontvankelijk is en dat zij bevoegd is om het bezwaar te behandelen. Tijdens de zitting zijn de officieren van justitie, de verdachte en zijn raadslieden gehoord. De verdediging voerde aan dat er sprake was van schending van het beginsel van equality of arms en het vertrouwensbeginsel, en dat de dagvaarding lichtvaardig was uitgebracht. De officieren van justitie betoogden dat het bezwaarschrift ongegrond moest worden verklaard, en dat de verdachte als bestuurder van de rechtspersoon betrokken was bij de feiten. De rechtbank oordeelde dat de argumenten van de verdediging niet voldoende waren om het bezwaarschrift gegrond te verklaren. De rechtbank concludeerde dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter later het ten laste gelegde feit geheel of gedeeltelijk bewezen zal achten. Daarom werd het bezwaarschrift ongegrond verklaard.

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Raadkamernummer: 25-027808
Parketnummer: 81-234935-24
op het op 30 oktober 2025 ter griffie van deze rechtbank ingekomen bezwaarschrift tegen de dagvaarding van:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] ( [land van herkomst] ) op [geboortedag] 1969,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
wonende op het adres [buitenlands adres] ,
domicilie kiezend ten kantore van De Bont Advocaten, [adres] .

1.Inhoud van het bezwaarschrift

Het dossier bevat een dagvaarding met aanmaakdatum 29 september 2025 en een dagvaarding met aanmaakdatum 22 oktober 2025, beide met bovenvermeld parketnummer. De inhoud van die dagvaardingen verschilt enigszins. Het bezwaarschrift richt zich tegen laatstgenoemde dagvaarding, waarbij aan verdachte ten laste wordt gelegd dat
[medeverdachte rechtspersoon 1] op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode 31 augustus 2009 tot en met 1 augustus 2012 te Amsterdam en/of Apeldoorn, in elk geval in Nederland en/of te Londen, in elk geval in het Verenigd Koninkrijk, tezamen en in vereniging met (een) ander(en) en/of alleen, (telkens) opzettelijk (een) bij de belastingwet voorziene aangifte(n), als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten
een of meerdere aangiften voor de vennootschapsbelasting ten name van [medeverdachte rechtspersoon 1] over de (boek)jaren 2007-2008 (DOC-005), 2008-2009 (DOC-006), 2009-2010 (DOC-007) en/of 2010-2011 (DOC-008),
telkens onjuist heeft gedaan en/of heeft doen en/of laten doen door daarin dividendbelasting als verrekenbare voorheffing en/of een onjuist belastbaar bedrag en/of een onjuist saldo belastingbedrag over het boekjaar op te (doen en/of laten) geven,
terwijl dat feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven,
tot het plegen van welk(e) bovenomschreven strafbare feit(en) verdachte, tezamen en in vereniging met (een) ander(en) en/of alleen, (telkens) opdracht heeft gegeven en/of aan welke bovenomschreven verboden gedraging(en) verdachte, tezamen en in vereniging met (een) ander(en) en/of alleen, (telkens) feitelijke leiding heeft gegeven (AMB-057);
De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voor zover daaraan in de Algemene wet inzake rijksbelastingen bepaalde betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd.
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
[medeverdachte rechtspersoon 1] op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode 31 augustus 2009 tot en met 1 augustus 2012 te Amsterdam en/of Apeldoorn, in elk geval in Nederland en/of te Londen, in elk geval in het Verenigd Koninkrijk, tezamen en in vereniging met (een) ander(en) en/of alleen, (telkens) opzettelijk (een) geschrift(en) dat/die bestemd was/waren om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten
een of meerdere aangiften voor de vennootschapsbelasting ten name van [medeverdachte rechtspersoon 1] over de (boek)jaren 2007-2008 (DOC-005), 2008-2009 (DOC-006), 2009-2010 (DOC-007) en/of 2010-2011 (DOC-008),
valselijk heeft opgemaakt en/of heeft doen en/of laten opmaken en/of heeft vervalst en/of doen en/of laten vervalsen, door daarin dividendbelasting als verrekenbare voorheffing en/of een onjuist belastbaar bedrag en/of een onjuist saldo belastingbedrag over het boekjaar op te (doen en/of laten) geven,
met het oogmerk om dit/deze geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken,
tot het plegen van welk(e) bovenomschreven strafbare feit(en) verdachte, tezamen en in vereniging met (een) ander(en) en/of alleen, (telkens) opdracht heeft gegeven en/of aan welke bovenomschreven verboden gedraging(en) verdachte, tezamen en in vereniging met (een) ander(en) en/of alleen, (telkens) feitelijke leiding heeft gegeven (AMB-057).

2.Procesgang

Het bezwaarschrift is overeenkomstig het bepaalde in artikel 262, eerste lid van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) binnen acht dagen na de betekening van de dagvaarding aan het kantoor van de verdediging bij de rechtbank ingediend. Verdachte is ontvankelijk in zijn bezwaar. De rechtbank is bevoegd het bezwaar te behandelen.
De rechtbank heeft kennis genomen van de stukken in de strafzaak onder bovengenoemd parketnummer en heeft op 16 december 2025 de officieren van justitie, de verdachte en zijn raadslieden mr. G.J.M.E. de Bont en mr. M. Prins, advocaten te Amsterdam, en mr. R. de Bree, raadsman te Den Haag, in raadkamer gehoord.
De officieren van justitie hebben voorafgaand aan de zitting een schriftelijke reactie op het bezwaarschrift aan de rechtbank en de raadslieden toegezonden. In raadkamer hebben de raadslieden mede onder overlegging van pleitaantekeningen hun standpunt nader toegelicht. De officieren van justitie hebben daarop gereageerd.

3.Standpunt van de verdediging

Het bezwaarschrift houdt, zakelijk weergegeven, in dat verdachte buiten vervolging moet worden gesteld, omdat in strijd met de beginselen van een goede procesorde is overgegaan tot het dagvaarden van verdachte en dat de dagvaarding lichtvaardig is uitgebracht. De verdediging heeft daartoe het volgende aangevoerd.
1.
Er is sprake van schending van het beginsel van equality of arms en het vertrouwensbeginsel.
Het Openbaar Ministerie (hierna: OM) heeft op 12 december 2024 aan de rechter-commissaris (hierna: RC) en de raadslieden een kennisgeving van het voornemen tot dagvaarden bekend gemaakt (hierna: de kennisgeving). Hiermee werd de betrokkenheid van de RC bij het vooronderzoek de jure en de facto onmogelijk gemaakt. De kennisgeving kwam op het moment dat er nog geen concept-dagvaarding bekend was, het dossier nog niet compleet was en er nog geen zittingsdag bekend was. De verdediging was, op het moment van het uitbrengen van de kennisgeving, nog niet in de gelegenheid geweest haar onderzoekswensen kenbaar te maken. Het OM wist dat de verdediging onderzoekswensen had, waaronder het verkrijgen van stukken. Ook wist het OM dat het dossier dat met de verdediging was gedeeld verre van compleet was.
De RC heeft erkend dat door de beslissing van 19 mei 2025 hij niet bevoegd is om op na de kennisgeving ingediende onderzoekswensen te beslissen. Hij geeft aan dat een impasse ontstaat in de afhandeling van onderzoekswensen en dat dit ertoe kan leiden dat het onderzoek komt stil te liggen tot de eerste regiezitting van de rechtbank. De verdediging heeft sindsdien en gedurende een jaar geen onderzoekswensen kunnen indienen bij en onderzoek laten verrichten door de RC, terwijl het OM door is gegaan met het onderzoek. Dit is in strijd met het beginsel van
equality of arms. De verdediging zou, net als het OM en onder dezelfde voorwaarden, de gelegenheid moeten krijgen tot het laten verrichten van onderzoek door de RC en voldoende tijd en gelegenheid moeten krijgen om de verdediging vorm te geven.
Equality of armsnoopt er tevens toe dat dit vooronderzoek op verzoek van de verdediging buiten het oog van de media en in de beslotenheid van het kabinet van de RC kan plaatsvinden. Het streven naar publiciteit door het OM is geen reden dit beginsel te schenden. Daarnaast heeft de verdediging op de voet van artikel 182 Sv in het vooronderzoek de mogelijkheid om bezwaar te maken tegen afwijzing van een onderzoekswens, welke mogelijkheid niet meer bestaat als de rechtbank heeft beslist. Daardoor loopt de verdediging een instantie mis. Ook wordt de verdediging in haar recht op het verkrijgen van stukken op grond van artikel 30-34 Sv benadeeld.
Er is daarnaast sprake van schending van het vertrouwensbeginsel. Het OM heeft het vertrouwen gewekt dat de verdediging nog in de gelegenheid zou worden gesteld haar onderzoekswensen kenbaar te maken. Door het vroegtijdig toezenden van de kennisgeving heeft het OM in strijd met het gewekte vertrouwen gehandeld en zijn de deuren naar deze onderzoekshandelingen in het vooronderzoek gesloten.
2.
Er is sprake van schending van het recht van de Europese Unie, meer in het bijzonder van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU).
Artikel 25 lid 2 van de Wet op de vennootschapsbelasting (Wet Vpb) is in strijd met de vrijheid van kapitaal en daarom kan een lidstaat van de Europese Unie een persoon niet vervolgen ter overtreding daarvan. Nu dit een zuiver juridisch verweer is, verzoekt de verdediging de raadkamer dit verweer ten volle te beoordelen. Zo nodig verzoekt de verdediging de raadkamer prejudiciële vragen te stellen aan het Europees Hof van Justitie.
3.
Onhaalbaarheid en buitenvervolging stelling
Het is niet waarschijnlijk dat verzoeker wordt veroordeeld voor de in de dagvaarding opgenomen feiten. Daarom moet hij buiten vervolging worden gesteld. Hierbij is van belang dat de documenten DOC-005 tot en met DOC-008, zoals opgenomen in de tenlastelegging, niet de aangiften zijn, maar uitdraaien uit de systemen van de Belastingdienst zelf, terwijl in de betreffende jaren wel gebruik werd gemaakt van aangifteformulieren. De aangiften die namens [medeverdachte rechtspersoon 1] (hierna: [medeverdachte rechtspersoon 1] ) zijn ingediend, zitten niet in het dossier, terwijl die aangiften centraal staan in de ten laste gelegde feiten. Bovendien heeft [medeverdachte rechtspersoon 1] geen onjuiste gegevens verstrekt, gelet op de vraagstelling in de aangifteformulieren over ‘saldo belastingbedrag over het boekjaar’, ‘het belastbaar bedrag’ en ‘dividendbelasting die dit boekjaar is ingehouden op de ontvangen dividenden’.
Ook de subsidiaire tenlastegelegde valsheid in geschrift kan niet worden bewezen. Verdachte heeft geen enkele bemoeienis gehad met het indienen van de aangiften, noch met het vervaardigen van de documenten DOC-005 tot en met DOC-008.
Ten slotte is de verdenking onvoldoende geconcretiseerd nu niet aan de cumulatieve voorwaarden van artikel 25 Wet Vpb voldaan, omdat het OM niet kan aangeven welke rechtspersoon in mindere mate gerechtigd is of als ontvanger van de tegenprestatie dient te worden aangemerkt.
4.
Aansluiting bij verweren [medeverdachte rechtspersoon 1] en [medeverdachte rechtspersoon 2] ( [medeverdachte rechtspersoon 2] )
Ter zitting heeft de verdediging aangevoerd dat zij had willen aansluiten bij de verweren van [medeverdachte rechtspersoon 1] en [medeverdachte rechtspersoon 2] . Zij voegt als bijlage 9 bij de pleitnotities het bezwaarschrift namens [medeverdachte rechtspersoon 1] en [medeverdachte rechtspersoon 2] toe. De verdediging sluit zich aan bij de in dit bezwaarschrift opgenomen verweren, voor zover niet al hiervoor besproken, met uitzondering van hoofdstuk 5 betreffende de media-aandacht.
Het gaat, in aanvulling op de eigen verweren, met name om de sfeerovergang tussen het controleonderzoek door de belastingdienst en het strafrechtelijk onderzoek. In 2014 bestond al een verdenking jegens [medeverdachte rechtspersoon 1] en [medeverdachte rechtspersoon 2] , waarna de cautie aan [medeverdachte rechtspersoon 1] en [medeverdachte rechtspersoon 2] had moeten worden gegeven. Of dit gebeurd is, is niet onderzocht. Niet alleen is de belastingdienst daarna doorgegaan met informatievergaring, onderzoek en zijn navorderingsprocedure, maar ook kan uit de stukken worden opgemaakt dat de FIOD en het OM bij het onderzoek betrokken zijn geraakt. Dat vervolgens verzuimd is de cautie te geven, werkt door naar verdachte, omdat verdachte gezien wordt als feitelijk leidinggevende van [medeverdachte rechtspersoon 1] en hij betrokken was bij de verhoren en vraagstelling aan [advocatenkantoor] . Er is daarom sprake van schending van het nemo-tenetur-beginsel.

4.Standpunt van de officieren van justitie

De officieren van justitie hebben, zakelijk weergegeven, betoogd dat het bezwaarschrift ongegrond moet worden verklaard. Zij hebben daartoe het volgende aangevoerd.
Uit het onderzoek is gebleken dat verdachte bestuurder was van [medeverdachte rechtspersoon 1] en leidinggevende van het team waarin de litigieuze structuur werd bedacht en uitgevoerd. Door de RC zijn de drie destijds betrokken adviseurs van [advocatenkantoor] als getuigen gehoord om het mogelijke onschuldscenario te toetsen. Uit die verhoren bleek dat [advocatenkantoor] indertijd niet volledig was geïnformeerd over alle fiscaal relevante feiten, waardoor het onschuldscenario ten aanzien van [medeverdachte rechtspersoon 1] en verdachte verviel.
De verdediging zou desgewenst de gelegenheid krijgen deze getuigen in een tweede ronde te ondervragen.
Ten aanzien van de schending van het beginsel van equality of arms en het vertrouwensbeginsel
Volgens de wet (artikel 167 lid 1 Sv) is het OM verplicht indien zij naar aanleiding van het opsporingsonderzoek van oordeel is dat vervolging plaats moet hebben, daartoe zo spoedig mogelijk over te gaan. Dit voornemen dient zij onverwijld ter kennis te brengen van de RC, hetgeen met de kennisgeving van 12 december 2024 is gebeurd. Die kennisgeving liet de reeds bij de RC aanhangige onderzoekshandelingen onverlet, zoals een tweede ronde verhoren van de [advocatenkantoor] -getuigen.
Daarnaast heeft het OM schriftelijk en mondeling contact gehad met de verdediging, gericht op het verkennen van consensus over mogelijk tegenonderzoek door de verdediging. Het tegenonderzoek door de verdediging is niet (bewust) geblokkeerd. Evenmin is sprake van lichtvaardig handelen van de zijde van het OM. Daarbij heeft het OM de verdediging nadrukkelijk uitgenodigd actief verdediging te voeren door aanknopingspunten aan te reiken voor een inhoudelijk debat. Er is nooit toegezegd de dagvaardingsbevoegdheid ex artikel 258 Sv te beperken. Dat de praktijk is ontstaan dat regie in grote fraudezaken eerst bij de RC wordt belegd, betekent niet dat daaraan een recht kan worden ontleend om die regie buiten de openbaarheid te houden.
Ten aanzien van de schending van het recht van de Europese Unie
Het verweer dat artikel 25 lid 2 Wet Vpb het Europeesrechtelijk gewaarborgde recht op vrij verkeer van kapitaal schendt, dient beoordeeld te worden met inachtneming van het summiere karakter van de bezwaarschriftprocedure. Dit verweer is door de belastingrechter in hoger beroep afgewezen. Het verweer kan ook overigens niet slagen omdat bij ‘fraude en misbruik’ geen recht op Unierechtelijke voordelen bestaan. De beoordeling of van fraude of misbruik kan worden gesproken verlangt een onderzoek van alle feiten, hetgeen het summiere karakter van de bezwaarschriftprocedure overstijgt.
Ten aanzien van de onhaalbaarheid van de vervolging en buitenvervolgingstelling
[medeverdachte rechtspersoon 1] heeft haar aangiften vennootschapsbelasting digitaal ingediend, hetgeen sinds 2004 verplicht is voor Nederlandse entiteiten. Uit de documenten DOC-005 tot en met DOC-008 blijkt dat zij duidelijk leesbare woorden, te begrijpen afkortingen en bijbehorende cijfers bevatten. Daarbij moet, aldus de Hoge Raad, het begrip ‘aangifte’ materieel worden uitgelegd. Het dossier bevat wel aangiftes in de vorm van de langs elektronische weg door [medeverdachte rechtspersoon 1] aan de Belastingdienst toegestuurde duidelijk leesbare gegevens.
Uit het door de verdediging aangehaalde AMB-051 blijkt dat een debat over de vraag of is voldaan aan de verrekeningsvoorwaarden van artikel 25 lid 2 Wet Vpb een brede beoordeling van de feiten vergt. Het summiere karakter van deze bezwaarschriftenprocedure is hiervoor niet aangewezen.
Ten aanzien van de sfeerovergang tussen controleonderzoek door de belastingdienst en strafrechtelijk onderzoek
Er is door de verdediging onvoldoende onderbouwd en concreet gemaakt wanneer sprake zou zijn van samensmelting van controle en opsporing en dus ook wanneer de cautie had moeten worden gegeven, hetgeen volgens de Hoge Raad alleen geldt bij mondelinge ondervraging gericht op eventuele berechting. Dit nog los van de Schutznorm, nu verdachte niet als belastingplichtige kan worden aangemerkt.
Een veroordeling is gezien het bovenstaande niet evident onhaalbaar. Daarbij leent de bezwaarschriftprocedure zich niet voor een diepgaand onderzoek. Dat behoort op de terechtzitting te gebeuren.

5.Beoordeling

De rechtbank stelt voorop dat de verweren van de verdediging, slechts getoetst kunnen worden binnen het karakter van deze raadkamerprocedure.
Zo wordt de opportuniteit van de vervolging niet door deze raadkamer beoordeeld. Wél moet de raadkamer beoordelen of het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, door de voor hem geleverde bewijsvoering het tenlastegelegde feit geheel of gedeeltelijk bewezen zal achten. Deze hoge drempel is afkomstig uit het arrest van de Hoge Raad van 9 september 1951 en is nog steeds leidend. Het door de verdediging ingediende bezwaarschrift haalt die drempel niet. Daartoe wordt het volgende overwogen.
Ten aanzien van de schending van het beginsel van equality of arms en het vertrouwensbeginsel
Ten aanzien van de aangevoerde schending van het beginsel van equality of arms overweegt de raadkamer dat pas na sluiting van het onderzoek ter terechtzitting beoordeeld kan worden of sprake is van een ‘
over all’ eerlijk proces. Dat sprake zou zijn van een schending waardoor op dit moment al tot niet-ontvankelijkheid van de officieren van justitie moet worden geconcludeerd of tot vrijspraak van verdachte, is thans niet aan de orde. Voorshands is wat de rechtbank betreft geen sprake van een onherstelbare benadeling van de verdediging door de kennisgeving van het OM. De verdediging heeft immers nog de mogelijkheid om haar onderzoekswensen op de terechtzitting in te dienen. Evenmin is voorshands sprake van een zodanige schending van het vertrouwensbeginsel dat het OM zijn recht op vervolging van de verdachte heeft verspeeld door de kennisgeving uit te reiken voordat de verdediging al haar onderzoekwensen kenbaar had gemaakt.
Ten aanzien van de schending van het recht van de Europese Unie
De verdediging heeft voorts aangevoerd dat artikel 25 lid 2 Wet Vpb in strijd is met het in het VWEU vastgelegde beginsel van vrijheid van kapitaal en dat dit verweer een zuiver juridisch verweer is dat de raadkamer ten volle moet beoordelen. De rechtbank is voorshands van oordeel dat dit geen zuiver juridische vraag is, omdat de beoordeling van dit verweer mede onderzoek vergt naar de feiten en omstandigheden van het geval. Er is dan ook een inhoudelijke behandeling nodig om dit goed te kunnen beoordelen. Voor die beoordeling is in deze raadkamerprocedure geen ruimte. Daarmee haalt deze kwestie niet de hoge drempel (het ‘hoogst onwaarschijnlijk’-criterium) die geldt voor een bezwaarschrift als deze. De rechtbank ziet in dit stadium ook geen aanleiding voor het stellen van prejudiciële vragen.
Ten aanzien van de onhaalbaarheid van de vervolging en buitenvervolgingstelling
De rechtbank vindt op dit moment gezien de stand van het onderzoek niet dat sprake is van een onhaalbare vervolging. De aangedragen argumenten met betrekking tot de aangiften vennootschapsbelasting betreffen kwesties die op de inhoudelijke behandeling thuishoren, waarover na sluiting van het onderzoek wordt geoordeeld. De rechtbank ziet in deze raadkamerprocedure geen aanleiding om op de voet van artikel 262 lid 3 Sv nader onderzoek te laten doen door de RC.
Ten aanzien van de sfeerovergang tussen controleonderzoek door de belastingdienst en strafrechtelijk onderzoek
De verdediging heeft ter zitting aansluiting gezocht bij het bezwaarschrift tegen de dagvaarding met betrekking tot [medeverdachte rechtspersoon 2] en [medeverdachte rechtspersoon 1] . De rechtbank stelt vast dat er een grote overlap is met het bezwaarschrift van de verdediging. Uit de aansluiting bij het bezwaarschrift van [medeverdachte rechtspersoon 2] en [medeverdachte rechtspersoon 1] haalt de raadkamer vooral het verweer met betrekking tot het nemo tenetur-beginsel, de sfeerovergang tussen het onderzoek van de Belastingdienst naar het strafrechtelijk onderzoek. Kennelijk wil de verdediging onder regie van de raadkamer van de rechtbank onderzoeken of het OM gebruik heeft gemaakt van gegevens die in de periode 2010 tot 2021 met schending van het nemo tenetur-beginsel, met controlebevoegdheden zijn verkregen. Voor een dergelijke algemene zoektocht tot bewijsgaring zonder duidelijke aanleiding of duidelijk afgebakend rechtmatig doel is in deze raadkamerprocedure echter geen plaats.
Conclusie
De rechtbank is van oordeel dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, het ten laste gelegde geheel of ten dele bewezen zal achten. Evenmin doet zich een van de in artikel 262, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering bedoelde gevallen voor, die tot buitenvervolgingstelling leiden. Daarom dient het bezwaarschrift ongegrond te worden verklaard.

6.Beslissing

Verklaart het bezwaarschrift ongegrond.
Deze beschikking is mondeling gegeven in raadkamer van deze rechtbank op 16 december 2025 door
mr. B. Vogel, voorzitter,
mr. J. Snitker en mr. C. Bruil, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. A.M.M. van Leuven, griffier.
De oudste rechter is niet in de gelegenheid deze beslissing mede te ondertekenen.