ECLI:NL:RBAMS:2025:11349

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
22 december 2025
Publicatiedatum
7 maart 2026
Zaaknummer
09/407704-24; 10/054560-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 33 SrArt. 33a SrArt. 36f SrArt. 47 SrArt. 55 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling jeugddetentie voor explosieven en bankhelpdeskfraude

De rechtbank Amsterdam heeft verdachte veroordeeld voor het opzettelijk teweegbrengen van twee ontploffingen met gemeen gevaar voor goederen, het bezit van een verboden vuurwapen en het medeplegen van bankhelpdeskfraude. De feiten vonden plaats in 2024 in Leiden, Sassenheim, Amsterdam en Rotterdam. Verdachte bekende de feiten en werd vrijgesproken van het te duchten levensgevaar bij de eerste explosie.

De rechtbank achtte bewezen dat verdachte met explosieven aanzienlijke materiële schade en angst veroorzaakte bij de slachtoffers, waaronder een bejaard echtpaar. Daarnaast speelde verdachte een essentiële rol in de oplichting van een 77-jarige vrouw, waarbij bankpassen werden misbruikt voor financiële transacties. De rechtbank hield rekening met de ernst van de feiten, de maatschappelijke impact en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waaronder zijn positieve ontwikkeling tijdens schorsing.

De straf bestaat uit een jeugddetentie van 180 dagen, waarvan 103 dagen voorwaardelijk met bijzondere voorwaarden zoals medewerking aan diagnostiek en hulpverlening, en een proeftijd van twee jaar. Tevens is een immateriële schadevergoeding van €2.000 aan de benadeelde partij toegekend, met wettelijke rente vanaf de datum van het strafbare feit. De telefoon die bij de feiten werd gebruikt is verbeurd verklaard, het inbeslaggenomen geld is teruggegeven.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 180 dagen jeugddetentie, deels voorwaardelijk, en een immateriële schadevergoeding van €2.000 aan de benadeelde partij.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Team Familie & Jeugd
Parketnummers: 09/407704-24 (A) en 10/054560-25 (B) (ter terechtzitting gevoegd)
Datum uitspraak: 22 december 2025
Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de zaken tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2008,
wonende op het adres [adres 1] ,
hierna te noemen verdachte.

1.Onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting met gesloten deuren van 8 december 2025
De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd. Deze zaken worden hierna als respectievelijk zaak A en zaak B aangeduid.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. S.A. van Veen en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. A.R. Rens, naar voren hebben gebracht.
Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van wat door [werknemer Raad voor de Kinderbescherming] namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad), [werknemer William Schrikker Jeugdbescherming] namens William Schrikker Jeugdbescherming en Jeugdreclassering (hierna: WSS), [IFA-coach] , IFA-coach van verdachte, [mentor] , mentor van verdachte en van wat door de moeder van verdachte naar voren is gebracht.
Ook is kennisgenomen van wat door de benadeelde partij [benadeelde partij 1] en zijn dochter naar voren is gebracht.

2.Tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. Aan verdachte is – samengevat – ten laste gelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan
Zaak A
1:
op 22 december 2024 te Leiden het teweegbrengen van een ontploffing met gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor personen;
2:
op 23 december 2024 te Sassenheim het teweegbrengen van een ontploffing met gemeen gevaar voor goederen;
3:
op 27 december 2024 te Amsterdam het voorhanden hebben van een wapen van categorie III onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een omgebouwd gaspistool en munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie;
Zaak B
1:
op 10 juni 2024 te Rotterdam, diefstal in vereniging van 1794,80 euro, toebehorend aan [benadeelde partij 2] en/of [benadeelde partij 3] , door middel van een valse sleutel;
2:
op 10 juni 2024 te Rotterdam oplichting in vereniging van [benadeelde partij 2] , waarbij die [benadeelde partij 2] is bewogen tot de afgifte van drie bankpassen.

3.Voorvragen

De dagvaardingen zijn geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4.Waardering van het bewijs

4.1.
Ten aanzien van het in zaak A onder 1 ten laste gelegde:
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde. Verdachte heeft ter zitting bekend de ontploffing teweeg te hebben gebracht en de raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
De rechtbank acht bewezen dat verdachte zich op 22 december 2024 te Leiden schuldig heeft gemaakt aan het teweegbrengen van een ontploffing terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten was. Anders dan de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat van de ontploffing geen levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten was. De bewoners van de getroffen woning waren immers op het moment van de ontploffing niet thuis. Daarnaast valt op basis van het dossier niet af te leiden of er levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor omwonenden te duchten was. De rechtbank spreekt verdachte hiervan vrij.
4.2.
Ten aanzien van het in zaak A onder 2 ten laste gelegde:
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde teweegbrengen van een ontploffing. Verdachte heeft het feit ter zitting bekend en de raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
De rechtbank acht bewezen dat verdachte zich op 23 december 2024 te Sassenheim schuldig heeft gemaakt aan het teweegbrengen van een ontploffing terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten was.
4.3.
Ten aanzien van het in zaak A onder 3 ten laste gelegde:
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot een bewezenverklaring van het ten laste verboden wapenbezit. Verdachte heeft het feit ter zitting bekend en de raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
De rechtbank acht bewezen dat verdachte zich op 27 december 2024 te Amsterdam schuldig heeft gemaakt aan het voorhanden hebben van een wapen van categorie III onder 1 van de Wet wapens en munitie en munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie.
4.4.
Ten aanzien van het in zaak B onder 1 en 2 ten laste gelegde:
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot een bewezenverklaring van de ten laste gelegde diefstal in vereniging met valse sleutel en oplichting. De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Op grond van het dossier en de verklaring van verdachte ter terechtzitting acht de rechtbank bewezen dat verdachte zich op 10 juni 2024 te Rotterdam schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van gekwalificeerde diefstal en oplichting zoals ten laste is gelegd. Daartoe overweegt zij als volgt.
Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij degene is geweest die de bankpassen aan de deur bij mevrouw [benadeelde partij 2] heeft afgehaald. Verdachte heeft de bankpassen vervolgens aan een medeverdachte afgegeven, waarop hij de ABN AMRO-pas heeft teruggekregen om daarmee een iPhone bij Media Markt te kopen. Verdachte heeft deze telefoon daadwerkelijk aangeschaft. Ter zitting heeft verdachte verklaard dat het de bedoeling was dat deze telefoon zou worden verkocht. Met een van de andere twee bankpassen is dezelfde dag op diverse locaties geld opgenomen en gepind. Uit de chats zoals veiliggesteld op de telefoon van de verdachte blijkt dat hij voorafgaand en ten tijde van de oplichting en de diefstal daarover met anderen contact heeft gehad.
De rechtbank is van oordeel dat verdachte nauw en bewust betrokken is geweest bij de oplichting van mevrouw [benadeelde partij 2] . Verdachte en zijn mededaders hebben samengewerkt en tussen hen is afstemming geweest over de oplichting en de aansluitende aankoop van de iPhone. Verdachte vervulde hiermee een noodzakelijke en wezenlijke schakel voor het bereiken van het einddoel van de oplichting, namelijk het in korte tijd zoveel mogelijk geld van de bankrekeningen van mevrouw [benadeelde partij 2] halen. Verdachtes rol is daarmee van voldoende gewicht om bij beide feiten van medeplegen te kunnen spreken.

5.Bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte
Zaak A
1:
op 22 december 2024 te Leiden opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht door een Improvised Explosive Device (IED) tot ontploffing te brengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten de gevel en ramen en deuren van de woning gelegen aan de [adres 2] en naastgelegen woningen, te duchten was;
2:
op 23 december 2024 te Sassenheim opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht door een jerrycan met daarin benzine en een cobra 6 aan te steken, waarna die jerrycan met benzine en die cobra 6 tot ontploffing zijn gekomen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, de gevel en de deur van het pand aan de [adres 3] en naastgelegen panden, te duchten was;
3:
op 27 december 2024 te Amsterdam een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een omgebouwd gaspistool, van het merk Retay, type 17, kaliber origineel 9 mm P(istole) A(utomatik) K(nall) omgebouwd naar scherpschietend 9 x17 mm, zijnde een vuurwapen in de vorm van een pistool, voorhanden heeft gehad
en munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten 3 stuks, volmantelpatroon van het kaliber 9x17 mm voorhanden heeft gehad;
Zaak B
1:
op 10 juni 2024 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met anderen,
geldbedragen van in totaal ongeveer 1794,80 euro, die aan [benadeelde partij 2] en/of [benadeelde partij 3] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en zijn mededaders die geldbedragen onder hun bereik hebben gebracht door middel van een valse sleutel, te weten door in winkels goederen af te rekenen en uit geldautomaten geld te pinnen met een pinpas en een bij die pinpas behorende pincode op naam van voornoemde [benadeelde partij 2] en op naam van [benadeelde partij 3] , tot het gebruik waartoe hij, verdachte, en zijn mededaders niet gerechtigd waren;
2:
op 10 juni 2024 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen, door het aannemen van een valse naam en van een valse hoedanigheid en door listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels, [benadeelde partij 2] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, te weten drie bankpassen, door
-voornoemde [benadeelde partij 2] telefonisch te benaderen en gedurende lange tijd
aan de telefoon te houden en zich daarbij voor te doen als een medewerker van de
ABN AMRO, althans een bank en
-in die hoedanigheid mede te delen dat er was gepoogd geld van haar rekening af te
schrijven en dat er twee personen waren aangehouden en nog twee personen
voortvluchtig waren en
-die [benadeelde partij 2] te vragen of zij waardevolle spullen in huis had en te zeggen dat
ze met niemand mocht bellen of WhatsAppen en
-die [benadeelde partij 2] te melden dat haar bankpassen geblokkeerd moesten worden en
-die [benadeelde partij 2] te melden dat iemand langs zou komen met de naam [naam]
en het identificatienummer 5058 om haar bankpassen op te halen en
-die [benadeelde partij 2] te melden dat ze een afspraak zou hebben om een handtekening
te zetten zodat er nieuwe bankpassen geleverd konden worden en
-bij die [benadeelde partij 2] aan de deur te komen en zich daar middels voornoemde
gegevens te identificeren als zijnde de bankmedewerker die voornoemde
bankpassen kwam ophalen.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.
De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden deze bewijsmiddelen opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.

6.Strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7.Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8.Motivering van de straf

8.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 77 dagen, met aftrek van voorarrest, en een voorwaardelijke werkstraf voor de duur van 200 uur, met daaraan verbonden bijzondere voorwaarden zoals door de Raad geadviseerd, en een proeftijd van twee jaar.
8.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft de rechtbank verzocht bij het bepalen van de straf in matigende zin rekening te houden met het feit dat verdachte al geruime tijd in een schorsing heeft gelopen en gedurende zes maanden een avondklok als bijzondere schorsingsvoorwaarde heeft gehad.
8.3.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank betrekt bij het bepalen van de strafmaat de afspraken zoals deze ten aanzien van brandstichting (het teweegbrengen van een explosie), vuurwapenbezit en oplichting zijn neergelegd in de Landelijke Oriëntatiepunten voor Straftoemeting Jeugd, die dienen ter bevordering van de rechtseenheid in de strafoplegging. Hierbij betrekt de rechtbank dat verdachte
first offenderis nu verdachte geen strafblad heeft. Daarbij merkt de rechtbank op dat de oriëntatiepunten voor het voorhanden hebben van een vuurwapen in Amsterdam afwijken van de Landelijke Oriëntatiepunten omdat de laatste jaren veel vuurwapengeweld plaatsvindt in Amsterdam en dit een halt moet worden toegeroepen. Een forse straf geldt als signaal aan de samenleving dat vuurwapenbezit onaanvaardbaar is en in voorkomende gevallen zwaar wordt bestraft.
Daarnaast is voor het bepalen van de straf relevant de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte. Daarbij laat de rechtbank in het bijzonder het volgende meewegen.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het teweegbrengen van twee ontploffingen. Bij de eerste ontploffing in Leiden is aanzienlijke schade aangericht in en aan de woning van een ouder echtpaar. Uit de verklaring van de benadeelde partij op zitting is duidelijk geworden dat de ontploffing en de daaropvolgende schade aan het huis, ondanks dat zij op dat moment niet thuis waren, hen enorme vrees heeft aangejaagd. Verdachte heeft met zijn daad de kans dat één van hen gewond zou raken of het leven zou laten als zij onverhoopt toch thuis waren geweest, op de koop toe genomen. Verdachte heeft de dag erna nog een ontploffing teweeggebracht, op een bedrijfspand naast dat van dezelfde familie in Sassenheim. Deze ontploffing heeft bijgedragen aan hun angstgevoelens. Ook in het algemeen kan worden gesteld dat dergelijke ontploffingen gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving veroorzaken. Verdachte heeft zich laten leiden door financieel gewin en heeft geen enkel respect getoond voor de veiligheid en de bezittingen van anderen. Dit rekent de rechtbank hem bijzonder aan.
Ook heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het verboden bezit van een vuurwapen en munitie. Hij heeft daarmee een bijdrage geleverd aan het ongecontroleerde bezit van wapens. Dat brengt een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen met zich mee en leidt ook tot gevoelens van onveiligheid in de samenleving.
Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het plegen van bankhelpdeskfraude. Verdachte heeft daarbij samen met zijn mededaders een 77-jarige vrouw opgelicht en bestolen. Verdachte heeft hierin een essentiële rol gespeeld door de passen op te halen bij de woning van het slachtoffer en vervolgens met één van de passen en de verkregen pincode een iPhone aan te schaffen en de medeverdachte gelegenheid te geven met de andere passen aan de slag te gaan. Verdachte heeft zich hiermee schuldig gemaakt aan een ernstig feit, dat naast financiële schade vaak veel overlast en gevoelens van onmacht en onveiligheid bij slachtoffers teweegbrengt. Met hun handelen hebben verdachte en zijn mededaders niet alleen het bij het slachtoffer gewekte vertrouwen geschaad, maar ook dat van de maatschappij in het digitale betalingsverkeer en het bankwezen. Feiten als deze leiden, ook daarom, tot maatschappelijke onrust. Het is extra kwalijk dat juist een bejaarde met een grotere kwetsbaarheid en afhankelijkheid tot slachtoffer is gemaakt.
Persoonlijke omstandigheden
De rechtbank heeft kennisgenomen van het advies dat door de Raad ter zitting naar voren is gebracht dat strekt tot de oplegging van een deels voorwaardelijke werkstraf onder de bijzondere voorwaarden dat verdachte meewerkt aan diagnostiek, meewerkt aan hulpverlening die voortkomt uit die diagnostiek, zich inzet voor het vinden van een positieve vrijetijdsbesteding en zich inzet voor het behoud van positieve dagbesteding.
De rechtbank heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door WSS ter zitting naar voren is gebracht. [verdachte] gaat op dit moment op maandag naar school, waar hij ook de gymdocent ondersteunt in het lesgeven, hij loopt van dinsdag tot en met donderdag stage en hij gaat op vrijdag naar het ROC. Door dit drukke programma heeft [verdachte] geen tijd voor het voeren van gesprekken met WSS en zijn IFA-coach. [verdachte] heeft rigide denkpatronen en heeft moeite met het betuigen van spijt. De stage en opleiding werken bij [verdachte] recidiveverlagend en een jeugddetentie zou dit doorkruisen.
De rechtbank heeft ook kennisgenomen van hetgeen door [mentor] , mentor van verdachte op het ROC, naar voren is gebracht. Zij geeft aan dat het voor [verdachte] beter werkt om onderwijs te combineren met de praktijk en door een voor hem vertrouwd persoon. De verwachting is dat een leerstraf daarom niet het gewenste effect zal hebben bij [verdachte]. Op dit moment volgt [verdachte] een goed traject. Hij loopt stage, gaat naar school en voert gesprekken met zijn mentor. Het contact met [verdachte] is goed en hij is, anders dan in de rechtbank en tegenover de WSS en de Raad, zeer gewillig. In de toekomst zal de mentor contact blijven onderhouden met [verdachte].
Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat de ernst van de feiten een onvoorwaardelijke jeugddetentie rechtvaardigen voor de duur van het voorarrest van verdachte, namelijk 77 dagen. Daarnaast acht de rechtbank, met name vanwege de ernst van de feiten, een deels voorwaardelijke jeugddetentie passend en geboden. Verdachte heeft geruime tijd in een schorsing van de voorlopige hechtenis gelopen en heeft in deze periode laten zien zijn leven op positieve wijze vorm te hebben gegeven. De rechtbank wil dat verdachte die positieve ontwikkeling vasthoudt. Een voorwaardelijk strafkader met een algemene voorwaarde vormt daartoe een stok achter de deur en een verplicht toezicht- en begeleidingskader met bijzondere voorwaarden biedt voor die positieve ontwikkeling de benodigde steun in de rug.
Daarom zal de rechtbank aan verdachte opleggen: een jeugddetentie voor de duur van 180 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 103 dagen voorwaardelijk met daarbij de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de Raad en JBRA. De proeftijd zal worden gesteld op 2 jaar.

9.Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

[benadeelde partij 1] heeft zich gevoegd als benadeelde partij. De benadeelde partij vordert een schadevergoeding van € 2.000,- aan immateriële schade. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het gevorderde bedrag dient te worden toegewezen. De raadsman heeft de rechtbank verzocht goed naar de vordering te kijken, nu verdachte het gevorderde bedrag niet kan betalen.
9.1.
Het oordeel van de rechtbank
Vast staat dat aan de benadeelde partij door het bewezenverklaarde rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Op grond van artikel 6:106 van Pro het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade aangezien de benadeelde partij op een andere wijze in zijn persoon is aangetast. De aard en de ernst van de normschending brengen mee dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon in de zin van art. 6:106, aanhef en onder b, BW kan worden aangenomen.
De rechtbank overweegt daartoe dat door verdachte in de woning van de benadeelde partij enorme schade is veroorzaakt. Als hij of een familielid op dat moment thuis waren geweest, was de kans aanzienlijk dat zij daarbij zwaar lichamelijk letsel zouden hebben opgelopen of mogelijk zelfs het leven zouden hebben gelaten. De dreiging die dit feit in het leven heeft geroepen werd vermeerderd door de daaropvolgende aanslag de dag erna naast het bedrijf van een familielid van de benadeelde partij. De benadeelde partij is van dit geheel begrijpelijkerwijs ontzettend geschrokken. Het heeft bij hem en zijn vrouw onder meer aanhoudende angstgevoelens en slaapproblemen veroorzaakt, hetgeen ook in de onderbouwing van de vordering van de benadeelde partij en de verklaring ter terechtzitting naar voren is gekomen.
Gelet op het hiervoor overwogene liggen in deze zaak de nadelige gevolgen van de aanslag zo voor de hand, dat de rechtbank een aantasting in de persoon aanneemt zonder dat de benadeelde partij daar nadere gegevens voor dient over te leggen. De rechtbank is van oordeel dat het gevorderde bedrag van € 2.000,00 billijk is en wijst dat toe, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd (22 december 2024).
Hoofdelijkheid en schadevergoedingsmaatregel
‬‬‬‬‬‬De rechtbank zal bepalen dat de schadevergoeding hoofdelijk wordt opgelegd. De verdachte is daarmee niet tot vergoeding gehouden voor zover het toewijsbare reeds door de eventuele mededader aan de benadeelde partij is voldaan.
In het belang van de benadeelde [benadeelde partij 1] voornoemd wordt de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd ten aanzien van de benadeelde. Vanwege het uitgangspunt dat geen gijzeling wordt opgelegd aan verdachten die volgens het jeugdstrafrecht worden berecht, zal de rechtbank de maximale duur van de gijzeling bepalen op 0 dagen.

10.Beslag

Tijdens het onderzoek naar het ten laste gelegde is het volgende in beslag genomen:
  • 1 STK Telefoontoestel (Apple iPhone 13, zwart)(PL1500-2024411723-3256291)
  • 600,- EUR (PL1500-2024411723-3256298)
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de telefoon verbeurd moet worden verklaard. De officier van justitie heeft geen standpunt ingenomen ten aanzien van het inbeslaggenomen geldbedrag.
De verdediging heeft de rechtbank verzocht hetgeen inbeslaggenomen terug te geven aan verdachte.
10.1.
Het oordeel van de rechtbank
Verbeurdverklaring
De telefoon zal verbeurd worden verklaard, nu het onder feit 1 en 2 in zaak A bewezen geachte feit is begaan met behulp van de telefoon.
Teruggave aan verdachte
Het geldbedrag zal worden teruggegeven aan verdachte.

11.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregelen zijn gegrond op de artikelen 33, 33a, 36f, 47, 55, 77a, 77g, 77i, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 157, 311 en 326 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

12.Beslissing

De rechtbank:
Verklaart bewezen dat verdachte het in zaak A onder feit 1, 2, en 3 en het in zaak B onder feit 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
Ten aanzien van het in zaak A onder feit 1 en 2 ten laste gelegde
telkens: opzettelijk een ontploffing teweegbrengen terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is
Ten aanzien van het in zaak A onder feit 3 ten laste gelegde
de eendaadse samenloop van
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan me betrekking tot een vuurwapen van categorie III
en
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.
Ten aanzien van het in zaak B onder feit 1 ten laste gelegde
diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels
Ten aanzien van het in zaak B onder feit 2 ten laste gelegde
medeplegen van oplichting
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte,
[verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot
een jeugddetentie 180 (honderdtachtig) dagen.
Beveelt dat de tijd die door verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht (te weten 77 dagen), bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden,
Beveelt dat een gedeelte, groot
103 (honderddrie) dagen, van deze jeugddetentie
nietzal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast.
Stelt de proeftijd vast op
2 (twee) jaaronder de algemene voorwaarde dat veroordeelde
- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit;
en onder de bijzondere voorwaarden dat veroordeelde:
- meewerkt aan diagnostiek;
- meewerkt aan hulpverlening die voortkomt uit de diagnostiek, voor zover WSS dat nodig acht;
- zich zal inzetten voor het behouden van positieve dagbesteding.
- zich zal inzetten voor het vinden van een positieve vrijetijdsbesteding en het behouden hiervan;
Van rechtswege gelden tevens de voorwaarden dat veroordeelde:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit zijn medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 Wet Pro op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;
- zijn medewerking zal verlenen aan het door de reclassering te houden toezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.
Geeft opdracht aan
William Schrikker Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,een gecertificeerde instelling die jeugdreclassering uitvoert, tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Benadeelde partij [benadeelde partij 1]
Wijst de vordering van de benadeelde partij hoofdelijk toe tot een bedrag van € 2.000,00 (tweeduizend euro) bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (22 december 2024) tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte aan
[benadeelde partij 1]het toegewezen bedrag te betalen, behoudens voor zover deze vordering reeds door of namens een ander is betaald.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve
van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer
[benadeelde partij 1] , te betalen de som € 2.000,00 (tweeduizend euro) bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (22 december 2024) tot aan de dag van de algehele voldoening, behoudens voor zover deze vordering reeds door of namens een ander is betaald.
Bepaalt daarbij de maximale duur van de gijzeling op 0 dagen.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte heeft voldaan aan een van voornoemde betalingsverplichtingen, daarmee de andere is vervallen.
Verklaart
verbeurd:
1 STK Telefoontoestel (Apple iPhone 13, zwart) (PL1500-2024411723-3256291)
Gelast de
teruggaveaan verdachte van:
600,- EUR (PL1500-2024411723-3256298)
Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.
Dit vonnis is gewezen door
mr. G.S. Crince Le Roy, voorzitter tevens kinderrechter,
mrs. J.W.B. Snijders Blok en A.G.P. van der Baan, kinderrechters,
in tegenwoordigheid van T. Bongenaar, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 22 december 2025.
De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.